Arc Up Anarchist Communists

Het activistendillema

Moeten sociale bewegingen kiezen tussen economische ontwrichting en massamobilisatie?

2025-05-06

    Inleiding

    Het activistendillema

    Omhoog falen

    Werkt propaganda van de daad?

    De staat heeft de overhand

    De gevaren van risico als uitgangspunt

    Boven kritiek verheven

    Strategische doodlopende paden

    Klassenstrijd vormt bewustzijn

    Eigendomsvernieling is geen sociale transformatie

    Macht beperkt risico

    Koerscorrectie

Inleiding

FvGA heeft ervoor gekozen dit Australische artikel te vertalen, omdat de inhoud naar onze overtuiging ook relevant is voor de Nederlandse context. De geschetste Australische geschiedenis en actuele situatie vertonen duidelijke parallellen met onze sociale bewegingen van vandaag hier in het Westen. Nu steeds meer Nederlandse activisten en socialisten zich afvragen ‘hoe verder?’ en het aantal steeds radicalere directe-actiegroepen toeneemt, zien wij dit artikel en zijn ideeën als een waardevolle bijdrage aan de noodzakelijke reflectie op onze eigen situatie. Wij delen niet alle in het stuk verwoorde opvattingen; zo achten wij de nadruk op uitsluitend vakbondswerk en syndicalisme te eenzijdig in verhouding tot andere vormen van structurele organisatie binnen sociale bewegingen om volksmacht op te bouwen.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk bij Arc Up Anarchist Communists.

Het activistendillema

Moeten sociale bewegingen kiezen tussen economische ontwrichting en massamobilisatie?

Onlangs werd gemeld dat de Britse actiegroep Just Stop Oil door de politie ‘feitelijk is uitgeschakeld’. Sleutelfiguren die via Zoom een bijeenkomst voorbereidden, kregen gevangenisstraffen van vijf jaar, en de groep houdt als gevolg nog één laatste protest om hen campagne af te sluiten. Nu staatsrepressie en anti-protestwetgeving ook hier toenemen, dreigt voor onze lokale directe-actiegroepen hetzelfde lot?

Of je nou hun methoden goedkeurt of niet, de strategie van Just Stop Oil was strategisch gericht op zowel massamobilisatie als op de economische ontwrichting die nodig is om klimaatverwoestende industrieën te bestrijden. Toch lijken hedendaagse sociale bewegingen vaak voor een keuze te staan: ofwel een nadruk op economische ontwrichting, gedragen door kleine, ondergrondse groeperingen die zulke grote risico’s lopen dat de nodige massamobilisatie voor overwinning in de weg staat; ofwel massamobilisatie in protestbewegingen die niet de economische ontwrichting teweegbrengen kunnen brengen die noodzakelijk is voor overwinning. Dit fenomeen wordt beschreven in de studie ‘The Activist’s Dilemma’ (2020), die publieke reacties onderzocht op tactieken binnen sociale bewegingen, zowel links als rechts. Hoe is links hier dus beland, en is er een uitweg?

Waar links tegenwoordig nog zelden op de vakbeweging leunt om campagnes te dragen, waren vakbonden ooit de spierkracht van grote sociale bewegingen. Militante vakbondsleden wisten al vroeg hoe ze massa’s arbeiders konden mobiliseren en zo, ten behoeve van maatschappelijke verandering, grootschalige economische ontwrichting konden veroorzaken. Met hun acties wisten zij gevangenisstraffen voor kameraden af te wenden, ontslagen organisatoren terug te krijgen in hun baan, en zelfs wetten die hun organisatie moesten smoren voor de staat onwerkbaar te maken. Die lessen wijzen een weg vooruit voor een links dat nu te vaak op doodlopende paden belandt.

Omhoog falen

Waar militante vakbonden hoogrisicoacties pas ondernamen zodra zij voldoende macht hadden opgebouwd om zeker te zijn van overwinning, zet modern links zulke acties juist in als middel om die macht op te bouwen. Riskante directe actie wordt dan gelegitimeerd als propaganda voor werving. In ‘Direct Action’ stelt Harald Beyer-Arnesen dat ‘daden van onmiddellijke zelfbekrachtiging vaak aanstekelijk werken, omdat ze in de praktijk laten zien welke wegen begaanbaar zijn buiten het domein van bureaucratische tussenpersonen en parlementaire vertegenwoordiging’. Blockade Australia zegt directe actie niet alleen in te zetten om te winnen, maar ook om ‘macht van onderop op te bouwen’. Volgens sub.media ‘kunnen goed getimede en goed uitgevoerde directe acties een uitweg bieden uit de eindeloze cyclus van representatieve politiek’.

Hoewel sommigen menen dat directe actie complexe politieke ideeën aan omstanders kan communiceren, is een plausibeler verklaring dat zij vooral propagandistisch werkt: vergeleken met de lethargie van de verkiezingspolitiek biedt zij een krachtige uitlaatklep aan mensen die al enig politiek bewustzijn hebben en deze kwesties al steunen. Dit idee wordt geassocieerd met de insurrectionairen van de negentiende eeuw, berucht om het plaatsen van bommen in burgerlijke cafés en het vermoorden van staatshoofden; zij wilden hun ideeën verspreiden via actie — wat zij zelf ‘propaganda van de daad’ noemden — in plaats van via ideeën alleen.

In onze eigen context, terwijl de wreedheden zich blijven opstapelen, wordt het vermogen van links om macht op te bouwen die kans maakt op winnen ondergeschikt gemaakt aan een breed gevoelde plicht om acties te ondernemen die op zichzelf niet kunnen winnen. Hoewel links uiteindelijk wel hoopt te winnen, lijken we, gezien de arrestaties, boetes en gevangenisstraffen voor activisten, dichter bij een einde aan het demonstratierecht dan bij een einde aan de banden met Israël of aan de productie van fossiele brandstoffen.

Werkt propaganda van de daad?

Bij groepen als Extinction Rebellion worden pacifisme en een respectabel imago ingezet om ‘gewone mensen’ te laten zien dat protest voor iedereen is, niet alleen voor het al bestaande links. Dat pacifisme gaat zo ver dat men aanstuurt op arrestaties, in de hoop cellen in zulke aantallen te laten vollopen dat de staat hen moet laten gaan, en daarbij geen nieuwe gevangenissen bouwt of bestaande overvol maakt om hen toch te huisvesten. Deze aanpak sluit aan bij de theorie van politicoloog Erica Chenoweth: als 3,5 procent van de bevolking deelneemt aan burgerlijke ongehoorzaamheid, maakt een beweging een reële kans om te winnen. Hoewel Chenoweth niet aangeeft welke bevolkingsgroepen het meest effectief zijn, wijst vervolgonderzoek erop dat ‘bewegingen waarin industriële arbeiders domineren beter presteren dan alle andere protestcampagnes bij het tot stand brengen van democratie’.

Linkse propaganda wordt ook gevoerd via rellen, vandalisme en eigendomsvernieling. In het artikel ‘You are not the target audience’ vraagt William Gillis: ‘Wat is waardevoller: voorkomen dat een paar miljoen mensen ons even misprijzend wegzetten als “gewelddadige demonstranten” om ons vervolgens meteen te vergeten, of de wereldbeelden van honderden verbrijzelen en vijftig nieuwe voltijdactivisten mobiliseren die overlopen van passie?’ De in de titel bedoelde doelgroep lijkt hier een geïdealiseerde ‘onderdrukte’ of moreel ontwikkelde bondgenoot: mensen die al gefrustreerd zijn over het systeem en deze tactieken gerechtvaardigd en effectief zullen vinden. Deze oriëntatie veronderstelt dat kleine groepen gedurfde radicalen op eigen houtje structureel maatschappelijke verandering kunnen teweegbrengen, of dat de samenleving uiteindelijk zo onuitstaanbaar wordt dat massa’s mensen deze tactieken zullen gaan begrijpen en overnemen.

Hoewel hun acties bedoeld zijn om verschillende zaken aan verschillende doelgroepen te communiceren, proberen aanhangers van ‘propaganda van de daad’ al sinds de negentiende eeuw de staat te ‘provoceren tot een steeds repressiever antwoord’, escalatie. Gillis stelt: ‘Er valt niets te nuanceren wanneer de staat op ingegooide ruiten reageert door schedels te breken. Gewond raken demonstreert duidelijk aan welke kant mensen zouden moeten staan.’

Daartegenover laat de studie ‘The Activist’s Dilemma’ zien dat ‘demonstranten die extreme acties ondernamen (zoals vandalisme, lichamelijk geweld, vernieling van eigendom of het blokkeren van snelwegen…) als immoreler werden gezien’, en dat deelnemers ‘lagere niveaus van emotionele verbondenheid en sociale identificatie’ rapporteerden met deze ‘extreme’ demonstranten. Erger nog: zulke ‘extreme protestacties’ verslechterden niet alleen de houding tegenover de beweging, maar verminderden doorgaans ook de steun voor haar kernstandpunten. De studie ondervroeg bovendien activisten die bereid waren aan dit soort acties mee te doen; zij dachten dat hun tactieken ‘eerder geneigd zijn de publieke steun te vergroten dan te verkleinen’. Een andere studie, ‘The false consensus effect’ (Mullen e.a., 1985), merkt op dat dit mogelijk komt doordat ‘individuen, vooral wie sterke overtuigingen heeft, vaak overschatten in hoeverre de overtuigingen en perspectieven van anderen overeenkomen met die van henzelf’.

Als we deze studies serieus nemen, is het onverstandig te rekenen op het wekken van sympathie voor demonstranten die zich schuldig maken aan vandalisme of vernieling van eigendom als middel om een beweging op te bouwen. Evenmin is het verstandig te vertrouwen op de aantrekkingskracht van pacifisme zodra het om iets anders gaat dan volledig niet-ontwrichtend protest; waarbij ook ‘The Activist’s Dilemma’ erkent dat volledig niet-ontwrichtend protest op zichzelf nauwelijks iets verandert.

De staat heeft de overhand

De kern van deze strategie is de veronderstelling dat activisten het potentieel van hun aanpak kunnen tonen, zelfs als die op zware politierepressie stuit en geen overwinning oplevert. Gillis verwoordt het zo: ‘niet omdat een paar ingegooide ruiten of gekneusde agenten de weg naar een betere wereld plaveien, maar omdat het ten minste potentieel laat zien’. Dat is, tot eigen nadeel, een omkering van de logica van de klassenstrijd.

Twee arbeiders in een grote fabriek zouden nooit staken slechts om anderen het potentieel van staken te tonen; met een ontslag op zak en een bedrijf dat toekomstige organisatiepogingen harder neerslaat, bewijzen ze eerder de grenzen van de strategie dan het potentieel. In zo’n geval hoeven bazen werknemers slechts zó hard te straffen dat de afschrikking de morele rechtvaardiging overschaduwt. Staten doen hetzelfde wanneer zij activisten van Just Stop Oil, Extinction Rebellion of Blockade Australia opsluiten. Hoeveel van de beweging kan de staat afschrikken met maanden cel? En wat als het vijf jaar wordt? Zolang er geen georganiseerde tegenmacht bestaat die sterk genoeg is om die repressie te weerstaan, en publieke steun voor activisten die systematisch het verkeer blokkeren ontbreekt, heeft de staat de overhand. Daarom is de macht om te winnen belangrijker dan de plicht om te handelen.

Voor organisatoren op de werkvloer is het de overwinning die de waarde van een staking aantoont. Een staking bewijst niet vanzelf haar nut, zeker niet als zij haar werknemers schaadt. Zij is alleen effectief wanneer er voldoende macht doorheen stroomt om te winnen, en dat vergt een kritieke massa werknemers die bereid zijn gezamenlijk te handelen. Voor andere vormen van directe actie geldt hetzelfde. Deze tactieken zijn geleiders van macht; ze moeten niet worden verward met een eigen, intrinsieke macht of waarde, los van hun vermogen om concrete resultaten te boeken. Er bestaan geen ‘goede’ tactieken, alleen tactieken die wel of niet effectief zijn voor specifieke strategische doeleinden.

Blockade Australia stelt dat het ‘ontwrichtende acties inzet om de dringende, grootschalige verandering af te dwingen die nodig is voor overleving’. Extinction Rebellion zegt dat ‘ontwrichting niet te negeren valt en politieke druk creëert die nodig is voor echte verandering’. Zulke absolute uitspraken zijn kenmerkend voor voorstanders van dit soort directe actie. Steeds weer wordt directe actie gelijkgesteld aan macht, misschien als vorm van propaganda om mensen aan te moedigen mee te doen. Het klinkt nu eenmaal minder bezielend om te zeggen dat directe actie misschien pas werkt wanneer er genoeg offers verloren zijn gegaan.

De gevaren van risico als uitgangspunt

Als een hoog risiconiveau als vast onderdeel van de strijd wordt verondersteld, moeten activisten van nature leren dat opoffering essentieel is. Risico nemen geldt dan als bewijs van betrokkenheid. Soms betekent dat ‘afstand doen van privileges’. Het artikel ‘Accomplices Not Allies’ betoogt: ‘Directe actie is eigenlijk het beste en misschien wel de enige manier om te leren wat het betekent om een medeplichtige te zijn. We voeren een strijd, dus wees voorbereid op confrontatie en gevolgen.’ Volgens Gillis toont risico nemen een onbaatzuchtigheid die moet inspireren: ‘Politiek vandalisme is mede krachtig juist omdat het zoveel op het spel zet zonder persoonlijk gewin.’ Terwijl activisten geloven dat zij iets moeten riskeren om uiteindelijk te winnen, ontstaan onvermijdelijk culturen waarin opoffering en risico worden aangemoedigd en gevierd. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de waardering voor wie risico’s neemt voor gerechtigheid, zoals Disrupt Land Forces meldde: ‘duizenden riskeerden arrestatie en politiegeweld om te protesteren tegen de recente wapenbeurs in Melbourne’. Of uit profielen van gearresteerde activisten op campagnewebsites, naast hun gevangenisstraffen en persoonlijke aanmoedigingen.

Als verlies een noodzakelijk onderdeel is van uiteindelijk winnen, worden activisten aangezet succes te herdefiniëren. Het is dan wervend om bepaalde acties het aanzien van een overwinning te geven. Zoals bij Just Stop Oil kan het gaan om het aantal vaten olie waarvan het transport is vertraagd; zoals bij Blockade Australia om het aantal uren ontwrichting dat acties hebben veroorzaakt; of om vagere maatstaven zoals media-aandacht. Hoewel Disrupt Land Forces er niet in slaagde de wapenbeurs stil te leggen, noteerde de groep als een van de successen dat zij ‘de oorlogsdrijvers flink had laten betalen aan dagelijkse CBD-parkeerkosten, en hen aan onze stemmen had blootgesteld terwijl zij naar de beurs liepen’.

In propagandatermen verschuift ontwrichting zo van middel om een overwinning te behalen naar de overwinning zelf. Zonder de beurs te beëindigen stelt Disrupt Land Forces dat het ‘zijn tactische doel van het verstoren van de wapenbeurs heeft bereikt’. Dergelijke ontwrichtingen van kleine evenementen zijn het ultieme lapmiddel voor een machteloos links. Hoewel de structuren van imperialisme en genocide blijven staan, is het stilleggen van een wapenbeurs zo concreet een ‘win’ als links zich vandaag kan toewensen.

Hoewel een selecte groep toeschouwers hierdoor tot actie kan worden bewogen, laat het marginale karakter van deze bewegingen zien dat veel mensen deze acties niet interpreteren zoals de radicalen zouden willen. Je zou zelfs kunnen stellen dat activisten tegenpropaganda voeren tegen hun eigen strategieën door op dezelfde websites waarop zij nieuwe activisten willen trainen gevangenisstraffen tot drie maanden te vermelden. Journalist Justin Rowlatt stelt dat, ondanks brede publieke bezorgdheid over de toekomst van de planeet, veel mensen uiteindelijk vijandig kwamen te staan tegenover Just Stop Oil. Velen riepen op demonstranten te laten overrijden of door agenten te laten slaan. Een vrachtwagenchauffeur ging zelfs viraal doordat hij in Duitsland daadwerkelijk demonstranten overreed.

Boven kritiek verheven

Het gevolg van waarde toekennen aan een strategie los van haar macht of uitkomsten is dat zij boven kritiek komt te staan. Als een strategie in wezen effectief zou zijn maar mensen niet massaal aanhaken, moet de schuld dan wel liggen bij een ongeïnteresseerd, minder radicaal of onverschillig publiek. Dat wekt wrok richting de oningewijden. Waar de leider van de Italiaanse Communistische Partij, Palmiro Togliatti, verantwoordelijkheid nam voor het feit dat links er niet in slaagde arbeiders weg te winnen bij Mussolini’s fascisme, heeft het nieuwe links zich zo gepositioneerd dat uiteindelijk vooral de arbeidersklasse de schuld krijgt. Activisten blijven offers brengen, in afwachting tot genoeg mensen tot inzicht komen en hun strategie de macht geven om te winnen.

Als de gekozen strategie intrinsiek radicaal is, geldt kritiek al snel als politiek conservatisme of niet-erkende liberale lafheid. Daarom is het moeilijk te aanvaarden dat een strafblad oplopen met tactieken die geen kans maken om te winnen ‘nodeloos’ of ‘performatief’ risiconemen is. Het kan niet performatief zijn, zo luidt de redenering, want het betreft directe actie. Het is niet alsof ze een filter over hun profielfoto zetten… ze zetten hun lijf op het spel. Voor wie gelooft dat voortdurend verliezen en gearresteerd worden de kans op een latere overwinning juist verkleint, is er geen rechtvaardiging om activisten bloot te stellen aan de risico’s die deze manier van strijden vraagt.

Een veelvoorkomende, sarcastische reactie is critici uit te nodigen hun bezwaren te komen uiten op organisatiebijeenkomsten. Daarmee wordt impliciet het idee versterkt dat de eigen manier van organiseren vanzelfsprekend de juiste is en dat wie niet meedoet wel een zolderkamertheoreticus zal zijn of ongelijk heeft. Die reactie op kritiek isoleert hen verder en bevestigt opnieuw het belang van hun rol en offers voor maatschappelijke verandering. Zij zijn de enigen die het begrijpen; hun activisme is daarom heilig en mag niet worden ontmoedigd. Zoals Carl Eugene Stroud het verwoordt in ‘Tactical Formalism’: ‘kritiek op tactieken wordt ten onrechte opgevat als ideologische bedreigingen’. Zo kan kritiek vanuit het zogeheten links alleen nog worden gezien als verraad en capitulatie voor rechts.

Voor alle duidelijkheid: de meeste vormen van protest zijn voor de meeste mensen op de meeste momenten prima. Pas wanneer er risico in het spel is, rijst de vraag wat dat risico rechtvaardigt en, als het ons niet dichter bij maatschappelijke verandering brengt, welke andere rechtvaardigingen dan nog kunnen volstaan. Wij hebben geen morele bezwaren tegen vernieling van eigendom, rellen of vandalisme; wij hebben moeite met de inzet daarvan als hoeksteen van een revolutionaire strategie. Wij sluiten aan bij de Melbourne Anarchist Communist Group (MACG), die over groepen als Blockade Australia schreef: ‘[het] is niet dat hun ontwrichtende tactieken te ver gaan. Integendeel, wij denken dat ze lang niet genoeg ontwrichting veroorzaken’.

Strategische doodlopende paden

Na de zware repressie erkende Just Stop Oil in eigen reflecties dat ‘zij ontwrichtende acties zullen ondernemen, maar niet langer zullen blijven om gearresteerd te worden’. Het lijkt erop dat de beweging ondergronds wil, richting besloten, vertrouwde netwerken van activisten die clandestiene acties uitvoeren. Maar zoals dr. Graeme Hayes stelt, ‘zal slechts een piepkleine minderheid van klimaatcampagnevoerders aan zulke acties meedoen’.

Sommige voormalige Just Stop Oil-activisten die zijn overgestapt op meer ondergrondse directe actie stellen dat ‘het onmogelijk is om een effectieve campagne vol te houden als mensen na één enkele actie jaren de gevangenis in gaan. Activisten worden gedwongen in een positie waarin wij ondergronds moeten gaan’.

Ultralinksen voelen zich door deze ontwikkeling waarschijnlijk gesterkt, want veel kritiek richtte zich op de merkwaardige neiging van deze activisten om zich te laten arresteren. Maar deze wending ontsluit geen verborgen macht; zij leidt ertoe dat extremere tactieken worden ingezet door minder activisten, losgekopppeld van de massas, met minder vermogen om te werven of hun eigen verhaal te sturen. Zoals MACG zei: ‘een netwerk van kleine, geheime affiniteitsgroepen kan slechts kleine en sporadische onderbrekingen veroorzaken voor de bedrijven die de planeet vernietigen’.

Het falen van Just Stop Oil toont de beperkingen van de strategie ‘propaganda van de daad’ aan. Door de dwaasheid van morele oproepen aan het brede publiek te ervaren zowel als de farce die vreedzaam protest is, hebben zij voor ons een belangrijk punt bewezen: het is door te handelen, niet door handelingen te aanschouwen, dat wij veranderen.

Klassenstrijd vormt bewustzijn

De strategie van aanhangers van directe actie is er een van moralisme. Zij vergt dat iemand al over politiek bewustzijn beschikt, bereid en in staat is comfort en zelfs veiligheid op te offeren, en instemt met de voorliggende tactieken nog voordat men de straat op gaat.

De strategie om klassenmacht op te bouwen vraagt echter veel minder van individuen. Werknemers hoeven hun morele kompas niet te schenden en, op ons continent, hoeven de meesten hun veiligheid niet op te offeren of het risico op gevangenzetting te lopen om zich bij een vakbond aan te sluiten. Er zijn juist prikkels om lid te worden, omdat vakbonden een middel zijn tot stabieler en beter betaald werk. In een gezond vakbondslandschap leert zelfs de meest individualistische werknemer dat materiële belangen alleen via samenwerking met collega’s te realiseren zijn. Het individualisme en de concurrentie die in de bredere samenleving worden beloond, moeten plaatsmaken voor solidariteit en collectieve actie, anders wint niemand. Met acties die eisen daadwerkelijk binnenhalen, maken werknemers hun macht waar. De taak van revolutionairen was toen, en zou dat vandaag nog steeds moeten zijn: werknemers en vakbonden bewegen tot grotere solidariteit met bredere strijd en uiteindelijk tot het einde van het kapitalisme.

Eigendomsvernieling is geen sociale transformatie

Hoewel kleine, ondergrondse groepen radicalen een pijpleiding kunnen uitschakelen of een politiebureau in brand kunnen steken, kunnen ze niet de onderliggende sociale verhoudingen opblazen. De logica van het kapitalisme is brandbestendig. Politiebureaus worden in brand gestoken en erna verrijzen er beter gefinancierde bureaus, bemand door nog gewelddadiger agenten. Wat bij eigendomsvernieling op zichzelf ontbreekt, is de noodzakelijke maatschappelijke transformatie die ermee gepaard moet gaan. De afschaffing van de politie kan niet bestaan uit het tijdelijk uit de roulatie halen van een hoofdbureau. Zij vergt een maatschappelijke transformatie die de sociale functie van de politie afschaft en vervangt door beschermende voorzieningen die verantwoording afleggen aan gewone mensen, niet aan de staat. De arbeidersbeweging is het instrument voor zo’n transformatie.

Op het hoogtepunt van de militante vakbondsstrijd besloten arbeiders, gevormd door hun vakbondservaring, arbeid te weigeren aan projecten die als milieuschadelijk, anti-inheems of anti-armen golden. Op verzoek van de Yungngora People weigerden transportarbeiders materieel voor oliewinning te vervoeren en boorarbeiders weigerden olie te boren. Door de dreiging die destijds van de vakbonden uitging, moest Amax, het Amerikaanse oliebedrijf achter de boringen, door de regering van Perth worden omgekocht om het werk te behouden.

Militante bouwarbeiders weigerden woningen voor mensen met een laag inkomen te slopen en steunden huisvestingsprojecten in zowel stedelijke als afgelegen gebieden. Zij weigerden opdrachten totdat getroffen gemeenschappen waren geraadpleegd over wat zij in plaats daarvan wilden laten bouwen, zoals in 1976 in Melbourne’s Chinatown. Zij voerden zelfs ‘work-ins’ uit om te bewijzen dat arbeiders zonder bazen kunnen werken. Onder leiding van Aboriginal vakbondsleden, onder wie Kevin ‘Cookie’ Cooke en Sol Bellear, financierde de BLF de Aboriginal Tent Embassy en verstrekte zij studiebeurzen voor volwassen First Nations-studenten. Dit alles maakt deel uit van een proces van sociale transformatie dat arbeiders zeggenschap geeft over hun lot en de wil van gemeenschappen laat doorwerken in wat zij maken en bouwen, in plaats van die van op winst gerichte kapitalisten. Hoewel vakbondsleden erom bekendstonden het ondermijnde werk van stakingsbrekers te slopen, is eigendomsvernieling op zichzelf geen sluiproute naar de sociale transformatie die we nodig hebben.

De staat kan zonder veel tegenstand een activist van het spoor verwijderen zodat een werknemer kolen kan blijven vervoeren, maar een werknemer kan niet worden gedwongen een kolentrein te rijden als vakbonden een kolenban instellen en handhaven en grootschalige industriële actie aankondigen wanneer stakingsbrekers in hun plaats worden ingehuurd. Bovendien moeten eisen om hele sectoren te beëindigen van de werknemers zelf komen, die een rechtvaardige transitie eisen weg uit de destructieve sectoren waarin zij werken. Campagnes zoals Stop Adani zijn buiten de vakbonden om opgebouwd, en werknemers werden de grootste tegenstanders van die campagne, gesteund door rechtse opportunisten zoals Pauline Hanson, die steun wisten te mobiliseren voor het behoud van mijnbanen.

Macht beperkt risico

Het is moeilijk je een links voor te stellen waarin opkomen tegen onrecht niet de risico’s omvat die activisten vandaag dragen, maar militante vakbondsleden in de jaren zeventig bewezen dat het mogelijk is. Tijdens de anti-uraniumbeweging voerden activisten uit de gemeenschap directe acties uit om kades te blokkeren waar yellowcake-uraan werd geëxporteerd. De politie greep hard in en sleurde hen aan hun haren politiebusjes in, nog voordat er sprake was van ontwrichting. Werknemers daarentegen konden weigeren schepen met uranium te laden, soms wel twee maanden achtereen, en stelden daarmee zelfs de beste hedendaagse pogingen tot economische ontwrichting in de schaduw.

Liet de staat de werknemers met rust omdat directe actie door de gemeenschap machtiger zou zijn dan die door werknemers en daarom harder moest worden neergeslagen? Nee. De onderliggende machtsdreiging van de vakbonden woog zwaarder dan die van kleine radicale groepjes. De staat wist dat ingrijpen tegen havenarbeiders kon uitgroeien tot grotere en kostbaardere acties in andere sectoren die zich aan het uraniumverbod hadden gecommitteerd. Gelukkig voor de bazen was de Australian Council of Trade Unions, de koepel van de vakbeweging die aan de Labor Party is verbonden, steeds bereid met de heersende klasse samen te werken en zich als vriend van werknemers te presenteren, terwijl zij intussen stilletjes suggereerde dat werknemers dit soort militante acties moesten stoppen. Zoals bij elke klassenvijand moeten conservatieve elementen binnen de vakbeweging organisatorisch worden gebroken.

Een spoorwegarbeider, James Assenbruck, werd ontslagen omdat hij het uraniumverbod handhaafde en weigerde een trein te laden met materiaal bestemd voor een uraniummijn. Zijn ontslag ontketende een landelijke spoorwegstaking en leidde tot zijn onmiddellijke terugplaatsing. Vakbonden beseften dat je van werknemers niet kunt verwachten dat zij voor gerechtigheid hun baan, vrijheid of inkomen riskeren, en beschermden daarom fel wie wel opstond. Militante vakbonden zoals de BLF wisten zelfs contracten af te dwingen die werkgevers verplichtten organisatoren van eerdere campagnes, die men uit de sector wilde weren, in dienst te nemen. Zo werd gewaarborgd dat werknemers die voor anderen opkwamen beloond werden in plaats van gestraft. Als we de wereld die we willen ergens ‘prefigureren’, dan door structuren te bouwen zoals deze vakbonden deden, die daden van solidariteit belonen, in plaats van via morele druk die ons vraagt straf en opoffering gelaten te aanvaarden. Deze strijdperiode liet zien dat honing inderdaad meer vliegen vangt dan azijn.

Wat repressieve wetten en gevangenisstraffen betreft: Clarrie O’Shea, algemeen secretaris van de Tramways Union, werd opgesloten wegens onbetaalde boetes die de bond had opgelopen door onbeschermde industriële acties voor zijn leden. Om te laten zien dat de vakbeweging zich door de staat niet laat intimideren wanneer zij voor werknemers opkomt, begon een algemene staking van een miljoen werknemers. Stakers legden stroomvoorziening, treinen en trams stil; zelfs mediapersoneel verstoorde televisie-uitzendingen. Dat leidde tot O’Shea’s snelle vrijlating. De staking zorgde er ook voor dat de antivakbondswetten van die tijd niet meer werden gebruikt. Dat was een uitvloeisel van hoe kostbaar de stakingsgolf voor de heersende klasse was. Dit luidde een ongekende periode van militante vakbondsstrijd in en bewees opnieuw dat overwinningen bewegingen laten groeien en onze collectieve ambitie vergroten. In die jaren probeerden staat en media de vakbonden te belasteren en te ondermijnen, zoals zij dat vandaag met de CFMEU doen. Toch was in de jaren zeventig meer dan 50 procent van de werknemers lid van een vakbond, omdat vakbonden cruciaal waren voor de bescherming van de materiële belangen van werknemers.

Blockade Australia stelt dat ‘staatsrepressie inderdaad een verontrustend effect heeft op activisten, maar dat zij voor velen van ons juist de vastberadenheid versterkt’. Daarachter schuilt het idee dat repressie door de staat aantoont dat een strategie werkt. Maar het gemak waarmee de staat een beweging kan onderdrukken, kan juist wijzen op een zwakke beweging zonder brede steun. Ook sterke bewegingen kunnen worden neergeslagen; als de kans op een krachtige tegenreactie groot is, zal de staat echter aarzelen. De nederlaag van de vakbeweging kwam minder door wapenstokken dan door wetgeving en achterkamerovereenkomsten tussen vakbondsbureaucraten, die hun eigen belang dienden, en de regering, die het stakingsrecht beëindigde in ruil voor automatische jaarlijkse loonsverhogingen. Die loonsverhogingen bleken van korte duur, maar er werd veel moeite gedaan om werknemers te overtuigen dat dit een stap vooruit was. Zoals de O’Shea-staking laat zien, kunnen zulke nederlagen worden teruggedraaid door opnieuw een militante arbeidersbeweging op te bouwen.

Het beschermen van deelnemers en het belonen van productieve actie helpt de wens tot massale deelname te verbinden met de daadwerkelijke mogelijkheid daartoe, maar dat werkt alleen wanneer er echte macht wordt opgebouwd. Boetes via crowdfunding betalen is één ding; voorkomen dat activisten drie maanden of vijf jaar worden opgesloten is iets heel anders. Wie massale deelname zoekt maar activisten tot opoffering veroordeelt, zal die deelname niet vinden; wie sociale verandering nastreeft via kleine clandestiene directe acties, bereikt niet wat hen wil.

Koerscorrectie

Zoals wij hebben laten zien, hoeven bewegingen niet te kiezen tussen economische ontwrichting en massale deelname; beide zijn mogelijk. Bewegingen die doelwit zijn en worden onderdrukt, hoeven niet onvermijdelijk ondergronds te gaan en radicaler te worden; wij hebben juist een andere weg vooruit laten zien. Die weg begint op de werkvloer en in de vakbonden.

In veel opzichten is de benadering van maatschappelijke verandering door het moderne links een omkering van die van het oude links, zowel in strategie als in uitkomst. Waar het moderne links risico en opoffering vereist, rechtvaardigt en normaliseert om deelname te stimuleren, bevordert klassenstrijd deelname door risico en opoffering te beperken en inspanningen van solidariteit te belonen. Waar het moderne links handelt voordat het de macht opbouwt om te winnen, bouwt de klassenstrijd eerst de macht op en handelt dan pas. Waar het moderne links moralisme nodig heeft om te werken, kan een strategie van klassenstrijd functioneren, zelfs voor de meest op eigenbelang gerichte werknemer. En waar de staat van dienst van het moderne links mager is, heeft een strategie van klassenstrijd bewezen tot maatschappelijke verandering in staat te zijn.

De huidige staat van de vakbonden is deels een afspiegeling van de veronachtzaming door links en tegelijk een getuigenis van de macht die zij aan het opbouwen waren om de wereld te vormen in het voordeel van de armen, niet van de rijken. De kapitalistische klasse kon niet werkeloos toekijken terwijl arbeiders hun bazen ontsloegen en hen de ontwikkelingen en winst onthielden die zij nastreefden. De achterkamerovereenkomsten en de samenwerking van vakbondsleiders zijn een onvergeeflijk verraad aan het vermogen van de arbeidersklasse om zelf te onderhandelen tegenover de krachten van het kapitaal. De vernietiging van de arbeidersbeweging zien als bewijs dat klassenmacht geen relevant hefboom is tegen het kapitalisme, is een vergissing die links de afgelopen vijftig jaar heeft moeten bekopen.

Hoewel de stap weg van grote, verstarde communistische organisaties die marionetten van Stalin of Mao werden terecht was, gold dat niet voor de stap weg van organisatiegerichtheid en klassenmacht. Via democratische organisaties, zoals anarchisten die opbouwen, brengen wij militante werknemers bijeen in een gedeelde strategie die erop is gericht van onderaf binnen onze vakbonden druk uit te oefenen. Dat doen wij totdat onze krachten niet meer te negeren zijn, de apparatsjiks die werknemersmacht smoren opzij worden gezet en we opnieuw direct-democratische, door leden bestuurde en militante vakbonden ontwikkelen.

Deze periode van teleurstellingen maakt duidelijk dat er geen vervanging bestaat voor klassenmacht, en dat bewegingen die serieuze maatschappelijke verandering of revolutie nastreven het zonder arbeiders niet kunnen.


https://arcup.org/2025/05/06/activists-dilemma/