Augustin Souchy

Revolutie en burgeroorlog

Spanje 1936 – 1939

Kelderuitgeverij Barcelona & Loma Bonita/Mexico

 

Vertaling uit het Duits door Albert de Jong

Eerder in afleveringen gepubliceerd in:

Anarcho-Syndicalistische Persdienst nr 77 t/m 89 (1955 - 1956)

Inleiding: Rudolf de Jong

Oorspronkelijke titel: Nacht über Spanien

Darmstadt-Land: Verlag Die Freie Gesellschaft 1947

Nederlandse uitgave:

Kelderuitgeverij Barcelona & Loma Bonita/Mexico, 2002

ISBN 90 76905 126

 

Enkele afkortingen en spaanse termen

c.n.t. de syndicalistische vakbeweging (de “geconfedereerden”)

u.g.t. de sociaal-democratische vakbeweging

f.a.i. de anarchistische federatie

Cortes het Spaanse parlement

Junta raad, comité (spr. uit: goentà)

Pistoleros gewapende huurlingen

Majoraat erfrecht, waarbij de oudste zoon alles erft

Hidalgo ridder, iemand van adel

Milicianos leden van de vrijwillige revolutietroepen

Inhoud

 

Inleiding

Voorwoord

De Spaanse vrijheidsstrijd in het verleden

Van de syndicalistische klassenstrijd tot de val van de monarchie

Van de republiek tot de burgeroorlog

De 19de juli 1936

De sociale omwenteling

Het vrijheidslievende socialisme in Aragon

Het collectivisme in de Levant en in Castilië

“No Pasarán”

De regering van Largo Caballero en de oorzaken van haar val

De meigebeurtenissen in Catalonië en hun gevolgen

De regering Negrin

De val van Barcelona

Het laatste bedrijf

 

 

Inleiding

 

In de discussie over het uitgeven van deze vertaling van Albert de Jong kwamen een aantal vragen naar voren. Deze vragen komen aan de orde in de volgende inleiding, een bewerking van een interview met Rudolf de Jong in de zomer van 2001. Het gaat daarbij vooral om de vraag hoe de houding die Souchy inneemt tegenover de politiek van de anarchisten en anarcho-syndicalisten gezien moet worden.

 

Mijn vader heeft Nacht über Spanien vertaald omdat er destijds weinig literatuur over de Spaanse burgeroorlog was en al heel weinig vanuit anarchistisch of anarcho-syndicalistisch standpunt. Hij had wel wat kritiek op het boek, hij vond het weinig kritisch, maar het was toch behoorlijk informatief. Hij heeft het vertaald voor de Anarcho-Syndicalistische Persdienst. In dit blad is het in afleveringen per hoofdstuk verschenen.

Het naschrift bij hoofdstuk 5 is begrijpelijk in het kader van de algemene discussie in anarchistische kringen over de Spaanse burgeroorlog. Over het algemeen kun je zeggen dat alle anarchisten vol bewondering zijn over de economische en sociale revolutie, de collectivisaties en het werk van de mensen in de collectieven maar dat ze erg ongelukkig zijn met de politiek van de anarcho-syndicalisten. De anarcho-syndicalisten zijn te gemakkelijk gecapituleerd voor de burgerlijke partijen, voor de communisten, met als argument: We moeten gezamenlijk de oorlog tegen Franco winnen en daarvoor moeten we concessies doen.

Ook Souchy is op dat punt zeer onkritisch en dat was hij al in de tijd van de Spaanse burgeroorlog. Hij bevond zich destijds in Spanje en heeft het van het begin tot het einde meegemaakt. Hij werkte daar voor het nationale comité van de c.n.t./f.a.i., de anarcho-syndicalisten en anarchisten, en omdat hij veel talen sprak had hij een belangrijke positie als vertaler en deed hij veelal de buitenlandse contacten. Terwijl de meeste anarcho-syndicalistische organisaties in het buitenland, dus ook alle organisaties die lid waren van de a.i.t., in het algemeen kritisch stonden tegenover de politiek van de c.n.t./f.a.i. verdedigde Souchy die politiek door dik en dun.

 

Ik ben het wel eens met jullie idee dat ‘de anarchisten een zekere naïviteit ten opzichte van de macht hebben’.

Die revolutie had toch een heel ander karakter dan zij hadden verwacht. Zij hadden het bijna negentiende-eeuwse idee, dan gaat het beginnen en verdwijnt het oude op slag. Het probleem was dat het oude niet was verdwenen maar dat er naast de bekende dreiging van het oude reactionaire Spanje er een veel gruwelijker dreiging bestond van de zijde van de generaals die in opstand waren gekomen, met een repressie en met een uitmoordingspolitiek zoals ook de Spaanse anarcho-syndicalistische beweging, die toch heel wat repressie gewend was, nog nooit eerder had meegemaakt.

Je ziet dan dat zij met een tegenstrijdige ontwikkeling geconfronteerd werden, aan de ene kant die sociale revolutie en de economische revolutie die minder ideaal verliep dan ze gedroomd hadden maar inderdaad heel ver ging en nog steeds heel interessant is ook als studiemateriaal, en aan de andere kant de confrontatie met een vijand die niet verdwenen was, maar integendeel veel krachtiger was dan in het verleden. Om die vijand te verslaan bevonden ze zich in een bondgenootschap met allerlei andere organisaties en politieke krachten waar ze vroeger altijd tegen waren geweest maar die zich nu ook verzetten tegen het fascisme van de generaals. In de eerste dagen van de burgeroorlog was een soort natuurlijk bondgenootschap ontstaan waarbij zelfs in sommige dorpen het revolutionaire comité bestond uit leden van de c.n.t., de anarcho-syndicalistische organisatie, en leden van de Guardia Civil, het beruchte halfmilitaire politieapparaat. De anarchisten hebben alles gezet op samenwerking om eerst die oorlog te winnen. Dat bleek een proces dat geleidelijk begon maar steeds verdergaande consequenties kreeg. Ze waren een weg ingeslagen waarvan ze het einde niet zagen. Dat einde was steeds treuriger dan ze gehoopt hadden want door die samenwerking werd de revolutie door die andere antifascistische krachten steeds verder teruggedrongen.

We hadden het net over de macht. Er was een burgeroorlog, d.w.z. een oorlog, een militaire aangelegenheid. De militaire organisatievorm is de meest antianarchistische organisatievorm die je je denken kan. De manier waarop de regering oorlog wilde voeren was zeer onanarchistisch. Men wilde bijvoorbeeld geen guerrilla voeren, ik wil hier niet stellen dat dat perspectieven had geboden, maar aan een guerrilla dácht niemand in niet-anarchistische kringen van het republikeinse antifascistische Spanje. De c.n.t. kwam zo in een steeds ongelukkiger positie terecht en kreeg het gevoel, we verraden de revolutie dan wel niet maar we doen wel de ene concessie na de andere. Door die treurige ontwikkeling verschoof het doel van de strijd steeds meer en kwam dat uiteindelijk neer op alleen maar het winnen van de oorlog maar niet meer ten behoeve van de sociale revolutie. Wel hadden ze nog de stille hoop dat als de oorlog eenmaal gewonnen was dat de sociale revolutie dan weer opgepakt zou kunnen worden, maar die hoop die werd een steeds grotere illusie, omdat ze de oorlog aan het verliezen waren en de communisten en anderen die tegen een sociale revolutie waren veel sterker geworden waren.

Souchy is er vooral op uit geweest om te laten zien, en daar heeft hij natuurlijk volkomen gelijk in, hoezeer de communisten erop uit waren om de anarcho-syndicalisten kapot te krijgen. Hij had nog wel wat duidelijker kunnen benadrukken dat de communisten daarbij de volledige steun kregen van alles wat binnen de republikeinse democratie aan de rechterkant stond.

Souchy beschrijft vooral hoe boeren en arbeiders in het gebied waar ze werkten de sociale revolutie doorvoerden. Door zijn onkritische karakter heeft hij het niet over de vraag of keuzes die ze gemaakt hebben wellicht anders zijn uitgepakt dan ze bedoeld waren. Misschien is het wel zo dat velen van zijn generatie datzelfde hadden, van je moet de organisatie steunen tot en met en je moet wat ze gedaan hebben verdedigen, ook later. In dat opzicht staat hij nu wel enigszins alleen want juist over de Spaanse burgeroorlog is altijd in anarchistische kringen een erg uitgebreide en interessante discussie gevoerd; wat ze in Spanje fout hadden gedaan of misschien juist niet fout hadden gedaan omdat er niets aan te doen was. Souchy’s standpunt is eigenlijk geweest, er was geen alternatief voor de keuzes die ze gemaakt hebben. Ik vind dat hij ook wel erg weinig kritisch staat tegenover de andere kanten van de sociale revolutie. Er waren ook wel wat donkere bladzijden in die hele sociale revolutie om het maar vriendelijk te zeggen.

Hij behandelt dus ook niet de vraag, hadden de anarcho-syndicalisten alternatieven kunnen ontwikkelen en hoe hadden die er dan uitgezien. Dat blijft natuurlijk een kwestie van speculeren, maar dat is voor de theorievorming, of hoe je het noemen wilt, toch een van de meest essentiële vragen. Dat hij daar niets over schrijft hangt ook met zijn eigen persoonlijkheid samen. Hij was een ontzettend vriendelijke man. Men heeft hem later in Duitsland de ‘grand old man’ van het anarchisme genoemd. Hij was dan wel de oudste, hij is over de negentig geworden, maar hij was nooit een groot denker of een groot theoreticus. Hij was een ouderwetse propagandist en organisator en hij was een ongelooflijk goede schoolmeester. Hij heeft ook later in zijn leven, in Latijns-Amerika, een groot aantal cursussen gegeven bij organisaties die verbonden waren met de Verenigde Naties. Weliswaar niet gericht op alfabetisering maar wel op bewustwording onder de boerenbevolking, een soort algemene opvoedingszaken en dat heeft hij voortreffelijk gedaan. In dat kader moet je eigenlijk ook dit boek van hem zien. Niet een boek van een groot kritisch historicus maar van iemand die voor een groot geïnteresseerd publiek een aantal dingen op een rijtje zet.

 

Ik heb Souchy een paar keer ontmoet. Hij was een bijzonder beminnelijke en vriendelijke man, maar zoals gezegd hij was weinig kritisch. Ook als hij een referaat hield op een wetenschappelijke conferentie had dat niet een grensverleggend wetenschappelijk karakter maar meer het karakter van een causerie. Hij heeft heel veel organisatorisch gewerkt in Duitsland in een aantal anarcho-syndicalistische organisaties en in en rond de a.i.t. en later in Spanje. Wat ik het interessante aan Souchy vind is dat hij overal bij geweest is. Als jonge man in de Eerste Wereldoorlog was hij dienstweigeraar. Hij is naar Zweden uitgeweken, waar hij ook meteen Zweeds geleerd heeft. Ook later heeft hij veel contact gehouden met de Zweedse beweging. Kort na de Russische revolutie is hij naar Rusland gegaan, heeft daar Lenin, Trotski en anderen gesproken en een heel interessant boekje geschreven dat destijds ook in het Nederlands is vertaald namelijk Hoe leeft de arbeider en boer in de Oekraïne. Dan heeft hij de Spaanse burgeroorlog van begin tot einde meegemaakt. Hij is naar Israël gegaan toen er nog echt sprake was van een socialistisch zionistische opbouw direct na de onafhankelijkheid. Ik geloof dat hij daar in 1950 is geweest. Als oude man toen hij al bijna blind was ging hij nog naar Portugal om daar over de Anjerrevolutie te schrijven. Daar kwam hij tot de conclusie dat de collectieven die werden gevormd door de communisten wel erg veel leken op die van de anarchisten in Spanje. Tussendoor is hij op het Cuba van Castro geweest. Hij heeft lang in Mexico gewoond toen daar de revolutie van 1911 nog niet helemaal vergeten was. Kortom een ongelooflijk interessant leven en hij heeft over alles geschreven, over Israël, over Cuba en ga zo maar door.

Ik heb een keer een linkse sociaal-democraat ontmoet die Souchy karakteriseerde als ‘de meest reformistische sociaal-democraat onder de anarchisten’.

 

Na de Tweede Wereldoorlog verwachtte hij geen grote anarchistische revoluties meer. Zijn eigen werk in Latijns-Amerika, mensen vormen en ontwikkelen, dat bleef echter een belangrijk aspect. In het anarchisme is dat altijd belangrijk geweest, opvoeden, informeren, op een hoger peil brengen. Dat heeft hij op indrukwekkende wijze gedaan in die periode, tot hij zich ten slotte toen hij al heel oud was, ver over de zeventig, weer in Duitsland heeft gevestigd in München. Daar heb ik hem ook een paar keer bezocht. Hij was altijd nog aan het schrijven. Toen ik zijn nalatenschap voor het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis ging ophalen, zaten in zijn schrijfmachine nog brieven die hij aan het typen was. Brieven vol taalfouten want hij was zowat blind, gericht aan Chroesjtov en aan de Amerikaanse regering om ze te waarschuwen tegen het atoomgevaar, weinig anarchistisch maar toch vanuit dat diepe idealisme en antimilitarisme van ‘je moet strijden voor een betere wereld’. Dat heeft hij tot het laatst behouden en dat maakt hem zeer beminnelijk

Als ik nog een kenmerkende anekdote kan vertellen hoe hij de anarchistische beweging als hij erover sprak in een gunstig daglicht stelde. Ik heb hem een keer geïnterviewd in München. Over alle mensen die hij had gekend, en hij had werkelijk iedereen gekend, sprak hij alleen maar lofwaardige woorden. Ik zei toen ‘Kan je me niet iets wezenlijker vertellen?’ We hadden het toen net over Erich Mühsam, de grote dichter die gruwelijk vermoord is. Toen zei hij ‘Ja dan zal ik je daar eens een typische anekdote over vertellen maar, dat vertel ik dan alleen aan jou’. Toen zette hij het bandapparaat uit en vertelde hij me de anekdote die in zijn verhaal het meest de moeite van het vertellen waard was. “Mühsam was iemand die er altijd erg netjes wilde uitzien, die altijd met een keurig wit overhemd liep. Op een gegeven ogenblik zat hij in een vrolijk gezelschap wat te drinken en daar was een vrouw die wel werk van hem probeerde te maken maar daar voelde Mühsam op dat moment niks voor, of misschien toch wel en die vrouw zei: “Wat zie je d’r leuk uit en wat een mooi overhemd heb je aan.” Waarop Mühsam antwoordde: “Macht nichts Fräulein, wenn das Herz nur schmutzig ist.” [Geeft niet juffrouw, als je hart maar smerig is.] Maar ja dat wilde hij dus niet op de band hebben, dus ik zet het nu maar op jouw bandje …’

 

Voorwoord van de schrijver

 

Over de historische gebeurtenissen, die zich in de tweede helft van de dertiger jaren in Spanje hebben afgespeeld, is in de Duitse taal tot dusverre weinig gepubliceerd. Dit is te verklaren uit de omstandigheid dat toentertijd in Duitsland Hitler aan de macht was. De nazipers en het door Goebbels gecontroleerde uitgeverswezen hebben de Spaanse gebeurtenissen volkomen in een vals licht gesteld. Omtrent de diep ingrijpende economische en sociale veranderingen in de Spaanse republiek is in Duitsland zo goed als niets bekend geworden. Een dicht weefsel van leugens werd over de Spaanse republiek verspreid. Generaal Franco was de beschermeling van Mussolini en Hitler. Het Spaanse volk dat onder het brengen van grote offers in een zware strijd zijn vrijheid heeft verdedigd, is op alle denkbare manieren belasterd geworden.

Na het einde van de oorlog zijn ook in de Duitse taal enige boeken over Spanje verschenen. De meeste daarvan zijn echter door leden van de Internationale Brigades geschreven, die een volkomen valse voorstelling van zaken geven. Nadat de in meerderheid niet-marxistische arbeidersbeweging van Spanje binnen een week de fascistische militaire opstand in alle grote steden van het land met uitzondering van Sevilla had neergeslagen, maar Franco met behulp van Mussolini en Hitler een bloedige oorlog tegen zijn eigen volk ontketende, kwamen communisten uit alle landen van Europa, en vooral de uit de fascistische landen uitgeweken communisten, naar Spanje om hun ontredderd communistisch prestige te herstellen. Men heeft de militaire hulp en de omvang van deze Internationale Brigades in de wereldpers sterk overdreven. De communistische pers voerde er partijpropaganda mee. Dit kwam de nazipers juist van pas. Daardoor kon zij de fascistische hulp aan Franco rechtvaardigen met een beroep op het communistische gevaar. In Spanje zelf moest de aanwezigheid van de Internationale Brigades er toe dienen om de onbetekenende communistische partij in dat land te versterken.

De leden van de Internationale Brigades hadden - van Leo Deutsch tot Ludwig Renn - van de sociaalrevolutionaire beweging van het Spaanse volk niet de flauwste notie. De sociaalrevolutionaire beweging van het land beschouwden zij met de ogen van een ‘wetenschappelijk’ dogmaticus. Zij waren bereid voor de overwinning van het communisme te strijden, zelfs tegen de wil van het Spaanse volk, wanneer dat nodig was.

Om deze redenen is de berichtgeving van de leden der Internationale Brigades over het republikeinse Spanje even onbetrouwbaar als de berichten van de fascistische en de nationaal-socialistische pers gedurende de burgeroorlog.

In Spanje is men er aan gewend, in revolutionaire omstandigheden snel van het woord tot de daad over te gaan. Alfons XIII, die zijn onderdanen voor ‘canaille’ had uitgemaakt, vreesde de toorn van zijn volk. Om revolutionaire opstanden in de kiem te smoren en om tegelijkertijd aan het schrikbewind van generaal Martinez Anido in Barcelona een einde te maken, proclameerde Primo de Rivera in 1923 zijn militaire dictatuur. De syndicalistische organisaties in alle landen organiseerden hulpacties voor hun Spaanse kameraden. Gedurende deze tijd vertoefde ik voor de eerste maal in Spanje. Na het stichten van de republiek in 1931 verbleef ik ieder jaar kortere of langere tijd in Spanje. Als secretaris van de syndicalistische internationale heb ik aan alle belangrijke conferenties en congressen van de Spaanse anarcho-syndicalisten deelgenomen. Op deze bijeenkomsten werd de sociale omwenteling voorbereid, die na de Juligebeurtenissen van 1936 is begonnen.

In het begin van juli 1936 ging ik opnieuw naar Spanje. Wij hadden in de arena van Barcelona een reusachtige demonstratie voor de wereldvrede georganiseerd, die op 19 juli zou plaatsvinden. Aan dit toeval heb ik het te danken, dat ik mij bij het uitbreken van de fascistische opstand in Barcelona bevond. Ik bleef gedurende de gehele burgeroorlog in Spanje en verliet Barcelona op 26 januari 1939, een dag vóór de intocht van Franco. Met redevoeringen voor de radio, voordrachten, het bijwonen van conferenties en congressen, alsook door het wekelijkse schrijven van artikelen in de grootste dagbladen van de republiek heb ik aan de gebeurtenissen van dit gedenkwaardige tijdvak deelgenomen.

Dit boek is voor een deel het resultaat van mijn persoonlijke ervaringen in Spanje gedurende de burgeroorlog en de revolutie. Misschien zal de lezer tot de conclusie komen, dat ik de activiteit van de anarcho-syndicalisten te veel op de voorgrond heb gesteld en te weinig aandacht aan de andere republikeinse stromingen heb geschonken. Dit is geen gevolg van een gebrek aan objectief oordeel, maar met opzet gebeurd. Ik acht het noodzakelijk de zo veel gelasterde en de zo weinig bekende denkbeelden en organisaties van het Spaanse anarcho-syndicalisme, dat gedurende bijna een eeuw een niet te onderschatten rol in de ontwikkeling van het land heeft gespeeld, voor een internationaal forum in ere te herstellen. In de bestaande geschiedschrijving van de Spaanse burgeroorlog zijn vele hiaten en dit boek is te beschouwen als een steen, die een gapende leegte vult. Overigens is het wenselijk, dat ook op de betekenis van de socialisten en republikeinen in dit ernstige tijdsgewricht van de Spaanse geschiedenis in het bijzonder de aandacht wordt gevestigd.

In de tegenwoordige strijd der volkeren om nieuwe economische en sociale levensvormen kan het voorbeeld van de economische en sociale opbouw van het revolutionaire Spanje misschien van nut zijn, al zijn de verhoudingen in een bepaald land natuurlijk niet zonder meer van toepassing op een ander land. Er bestaat geen gelijkvormige oplossing voor alle landen.

Een der beginselen van het Spaanse anarcho-syndicalisme was het federalisme, waarvan Pi y Margall, de president van de eerste Spaanse republiek in 1873, de grote geestelijke voorganger is geweest. In Spanje hebben de federalistische beginselen steeds standgehouden. De Spaanse federalisten willen een bond van zelfstandige landen, maar geen separatisme.

Ik mag de gelegenheid niet verzuimen, mijn oude vriend dr. Pedro Vallina, een hidalgo van de Spaanse vrijheidsstrijd, mijn dank te brengen voor de waardevolle vingerwijzingen, die hij mij heeft gegeven. Ik schrijf dit boek in de tuin van zijn huis, in Loma Bonita, het ananas-paradijs van Mexico, in de schaduw van kokospalmen en bananenstruiken. Vallina, thans een vluchteling, heeft meer dan een halve eeuw in het brandpunt gestaan van de sociale strijd in Spanje. In het schone Andalusië, waar zijn wieg stond, heeft hij aan alle opstanden en sociale bewegingen van betekenis deelgenomen. Steeds was hij vervuld van het ernstige streven het harde lot van de verarmde landarbeiders te verbeteren en hen te helpen meer menswaardige verhoudingen te scheppen. Thans is deze hoogbejaarde vrijheidsstrijder een bijna legendarische figuur der Spaanse vrijheidsbeweging. In het zuiden van Mexico behandelt hij op belangeloze wijze de tropenziekten van de indiaanse bevolking, die hem vereert en bemint.

 

Augustin Souchy

 

1

 

De spaanse vrijheidsstrijd in het verleden

 

De Spaanse republiek is met behulp van buitenlandse militaire hulp neergeslagen. Het nationaal-socialistische Duitsland en het fascistische Italië hebben door het zenden van vliegtuigen, kanonnen, pantserdivisies en manschappen, in strijd met het volkerenrecht, een oorlog tegen het Spaanse volk gevoerd. Frankrijk, Engeland en de andere democratische landen hebben zich niet in de oorlog gemengd uit vrees dat hulp aan de Spaanse democratie tot een wereldoorlog zou leiden. Deze non-interventiepolitiek was een grote fout. Zij heeft de wereldoorlog niet kunnen verhinderen en het uitbreken ervan integendeel bevorderd. Het Spaanse volk was het eerste slachtoffer van het internationale fascisme.

De Spaanse republiek heeft na een moedige strijd, die bijna drie jaar heeft geduurd, de nederlaag geleden tegen de militaire overmacht. Op de puinhopen stichtte Franco, onder bescherming van Hitler en Mussolini, zijn bloedige militaire dictatuur. De democratische landen zetten hun ondemocratische politiek ten opzichte van Spanje voort. Dank zij hun houding is Franco nog aan het roer, de democratie is in Spanje vernietigd en het volk wordt er onderdrukt.

De tweede Spaanse republiek heeft slechts een kort leven gehad: van 1931 tot 1939. Gedurende de drie laatste jaren heeft zij een zware en bloedige strijd moeten voeren voor haar bestaan, een strijd die zij ten slotte heeft verloren.

Burgeroorlogen zijn in Spanje niet zeldzaam geweest. Het Iberische volk heeft een lange geschiedenis, waarin het herhaaldelijk voor de vrijheid heeft gestreden. Sedert het einde van de vorige eeuw tot in onze dagen heeft deze strijd in het teken gestaan van het revolutionaire socialisme. Gezien de politieke geschiedenis van Spanje is het niet aan te nemen, dat de vrijheidsstrijd in Spanje met de overwinning van Franco is afgelopen. Ondergronds gaat deze strijd voort en bij de eerste gunstige gelegenheid zal hij openlijk uitbreken. Alleen na het stichten van een maatschappij op de grondslag van de vrijheid zal het Spaanse volk tot rust komen.

De nieuwere geschiedenis van Spanje wordt door vele factoren bepaald. De macht van de kerk belemmert het onderwijs aan de jeugd en verhindert de normale ontplooiing van het geestelijk leven. Het verlies van de koloniën heeft niet slechts economische gevolgen gehad; het leidde ook tot het ontwaken van een oppositioneel nationalisme tegen de kroon. De zwakke ontwikkeling van de industrie leidde tot een tweespalt tussen de wakkere intelligentie van het Spaanse volk en de economische mogelijkheden van het land.

De tussenkomst van de kerk in wereldse aangelegenheden heeft zich in de Spaanse geschiedenis herhaaldelijk doen gevoelen. Ook thans nog houdt de paus Franco beschermend de hand boven het hoofd. In Spanje is de Hervorming niet doorgedrongen. De inquisitie heeft er met barbaarse middelen iedere geestelijke, tegen de dogma’s van Rome gerichte oppositie onderdrukt. Tot vandaag de dag is het land rooms-katholiek gebleven. Na de verdrijving van de Moren hebben de katholieke koningen zich met de paus tegen het volk verbonden. De kerk hielp de adel en de grootgrondbezitters het volk onderdanig te houden. Als derde macht in het verbond verschenen spoedig de grootkapitalisten. Deze drie groepen onderdrukten het volk en buitten het uit in hun eigen belang. De kerk knevelde de geest, de grootgrondbezitters buitten de proletariërs van het platteland uit, de staat beschikte over een militair geweldsapparaat, waarmee alle pogingen van het volk om zich te bevrijden werden neergeslagen.

Dit systeem heeft eeuwenlang standgehouden. Pas in de tweede helft van de vorige eeuw ontstonden revolutionaire arbeiders- en boerenorganisaties, die zich ten doel stelden het Spaanse volk uit deze smaadvolle toestand te bevrijden.

Na de definitieve overwinning van de Spaanse koningen op het laatste kalifaat van Granada heeft zich in Spanje de nationale eenheid voltrokken. Door het huwelijk van koning Ferdinand van Aragon en Isabella van Castilië (in 1469) ontstond het grote Spaanse koninkrijk. Op het tijdperk van nationale eenheid volgt een tijd van nationale expansie. De ontdekkingsreizen van Columbus werden door de Spaanse koningen betaald. Cortez veroverde Mexico voor de Spaanse troon en Pizarro het rijk van de Inca’s. Spanje werd de grootste koloniale mogendheid ter wereld. Het nieuwe continent stond van de Missouri tot Vuurland onder Spaanse heerschappij. Een stroom van geroofd goud vloeide naar het land. In het rijk van Karel V “ging de zon niet onder”. De kunsten bloeiden. In de Theaters schitterden Zorilla en Calderón, in de literatuur Quevedo en Cervantes.

De Spanjaarden waren trots op hun nationale grootheid. Zij riepen hun koningen toe: ieder van ons is evenveel waard als gij en wij allen tezamen meer dan gij!

Op het Iberische schiereiland waren de slaven vroegtijdig tegen hun meesters opgestaan. Reeds onder Marcus Aurelius waren er in Spanje slavenopstanden. Aan het einde van de Middeleeuwen verhief zich de gemene man in stad en land. De opstanden van de lijfeigenen in Catalonië en op de Balearen brachten het feodale stelsel aan het wankelen. De strijd van de Comuneros in Castilië begon reeds onder Karel de Grote (742-814) en bereikte onder Karel V (1500-1555) zijn hoogtepunt. De handwerkers in Valencia stichtten hun beroemde Hermandad, een broederschap in de strijd tegen de adel. Het doel van deze opstand was de afschaffing van de parasitaire adelstand en het stichten van een gemeenschap van arbeiders en boeren op de grondslag van broederschap en gerechtigheid. Een bond van broederschappen verbreidde zich over het Iberische schiereiland. De lagere geestelijkheid stond gewoonlijk aan de kant van het volk. “Na de dood van Adam”, verklaarde Juan Tey van de orde van de dominicanen, “moet de aarde aan allen toebehoren.” Spotliederen werden tegen de groten en machtigen gezongen. Dorpen en steden verklaarden zich onafhankelijk en eisten vrijbrieven.

Na lange strijd werd de beweging van de broederschappen van boeren en arbeiders door de vorsten overwonnen. Maar de geest van de vrijheid konden zij niet doden. Het denkbeeld van het communalisme, d.w.z. van de gemeentelijke zelfstandigheid, en van het collectivisme, een economische gemeenschap op de grondslag van de gelijkheid, is door de eeuwen heen in Spanje levend gebleven. De leer van het politieke federalisme en van het vrijheidslievende communisme is in Spanje niet uit het buitenland geïmporteerd: zij is in Spanje zelf ontstaan en heeft haar wortels in de traditie van de oude vrijheidsstrijd van het Spaanse volk.

Het spreekwoord, dat Afrika aan de andere zijde van de Pyreneeën begint, is juist, wanneer men het oog heeft op de gruwelijke regeringsmethodes van de despotische Spaanse heersers. Op de grote culturele bijdragen van het Spaanse volk kan het evenmin in minachtende zin worden toegepast als op de veroveringen van de Arabische cultuur. Alle grote Europese gebeurtenissen hebben in Spanje weerklank gevonden. De Franse Revolutie en de oorlog van Napoleon hebben ook in Spanje hun invloed gehad. Het Spaanse volk verdedigde zich met zijn eigen oorspronkelijke methode, de zogenaamde guerrilla, de “kleine oorlog”, tegen de heerschappij van Napoleon. Niet met een groot nationaal leger, maar door de guerrilla van het volk werd de macht van de veroveraars ondergraven.

Gedurende de bevrijdingsoorlog tegen Napoleon kreeg het Spaanse volk in 1812 een nieuwe grondwet. Deze Constitutie van Cadiz was door de vertegenwoordigers van de “burgerij in het leven geroepen en had een liberaal karakter. Zij schafte de voorrechten van de adel op het land af door de vrije verkoop van majoraatgoederen te decreteren, waardoor onbebouwd land in cultuur kon worden gebracht, en zij hief de gilden op.

De liberale koers van de Spaanse politiek werd door het reactionaire Europa na de val van Napoleon als een gevaar beschouwd voor de nieuwe orde van de heilige Alliantie. Onder de invloed van Metternich besloot de Mogendhedenconferentie in 1823 te Wenen met wapengeweld aan het Spaanse liberalisme van buitenaf een einde te maken. Aan de koning van Frankrijk werd opgedragen de expeditie tegen Spanje te ondernemen. Het reactionaire Frankrijk van Chateaubriand viel met een grote legermacht Spanje binnen, het verjoeg de volksvertegenwoordiging en bracht koning Ferdinand VII opnieuw op de troon als de met de absolute macht beklede monarch. De liberale grondwet werd buiten werking gesteld en de reactie stak het hoofd weer op. De monarchie heeft zich tot 1873 staande gehouden. Gedurende deze tijd hebben herhaaldelijk kleine opstanden plaatsgevonden. In 1837 kwam onder de druk van de burgerij en enige kardinalen een nieuwe liberale grondwet tot stand. Van 1843 tot 1868 zat Isabella II op de troon. Haar reactionaire handlanger generaal Narváez werd als nationale held geprezen, omdat hij het land zonder grote politieke schokken door de onrustige jaren 1848 en 1849 wist te loodsen. Een republikeinse opstand in Andalusië sloeg hij neer. Honderden opstandelingen werden terechtgesteld, duizenden gedeporteerd.

De arbeiders en boeren bevonden zich in een beklagenswaardige toestand en de uit Frankrijk afkomstige socialistische theorieën vonden in Spanje een vruchtbare bodem. De meeste weerklank vonden bij de arbeiders de anarchistische theorieën van Proudhon. In staatssocialistische denkbeelden stelde men weinig vertrouwen. Men verwachtte niets van de goede wil van de heersers. Maar een leer, die een beroep deed op het zelf-doen van het volk, vond gemakkelijk ingang. Zelf voor zijn rechten te strijden was in overeenstemming met het temperament van het Spaanse volk. In 1855 brak in Barcelona de eerste algemene werkstaking uit. Zij was een protest tegen de scherpslijper generaal Zapatero, de militaire gouverneur, die de vereniging van arbeiders voor hulpbetoon en ondersteuning had verboden. De arbeiders gingen de straat op. Hun vaandels droegen de opschriften: “Vrijheid van vereniging of de dood!”, “Brood én arbeid!”. De beweging had succes, aan de arbeiders werden meer rechten toegestaan.

In het begin van de zestiger jaren deden zich opstanden voor onder de arbeiders op het land en in de steden. Ook was er een samenzwering van generaals tegen de regering. Een militaire opstand in Cadiz in 1868 dwong Isabella II afstand te doen van de troon. Er brak een burgeroorlog uit, die jaren heeft geduurd.

In het jaar 1870 koos de Cortes een zoon van de Italiaanse koning Victor Emanuel tot koning van Spanje, die spoedig aftrad en het land verliet. De strijd tussen de verschillende monarchistische richtingen en de republikeinen ging verder. Op de 11de februari 1873 bleek er in de Cortes een republikeinse meerderheid te zijn. Onmiddellijk werd de republiek geproclameerd. Zij viel echter van de ene crisis in de andere, zij had bij de verschillende stemmingen in de Cortes slechts een geringe meerderheid en kwam op 4 januari 1874 bij een nieuwe stemming ten val.

De politieke gebeurtenissen tijdens de eerste republiek hebben zich gedurende de tweede republiek van 1931 tot 1936 in zekere zin herhaald. In beide gevallen was de meerderheid van de generaals monarchistisch, in beide gevallen waren er tegenstellingen tussen Madrid en Barcelona. In 1873 poogde de centrale regering Catalonië tevreden te stellen door Catalaanse ministers in de ministerraad op te nemen. In 1931 gebeurde hetzelfde, beide republieken werden door hun toegefelijke politiek tegenover de monarchistische officieren uitgehold en ten val gebracht. Zij vielen door de wapens van degenen die geroepen waren de republikeinse instellingen te verdedigen.

De regering van de tweede republiek was van de intrige van Franco en zijn fascistische bondgenoten op de hoogte. Maar zij deed niets om zich te verdedigen. Franco heeft zijn militaire opstand ongehinderd kunnen voorbereiden. Door de samenzweerders te rechter tijd af te zetten had de militaire opstand verhinderd kunnen worden én de republiek gered. Maar dit zou een belangrijke stap naar links hebben betekend. De invloed van de arbeidersbeweging zou er door zijn toegenomen. En daarom durfde de republiek deze stap niet te doen.

Sedert de tweede helft van de vorige eeuw heeft de revolutionaire arbeidersbeweging een zekere invloed op de gang van zaken uitgeoefend. De Spaanse arbeidersbeweging was verbonden met de in 1864 in Londen gestichte Internationale-Arbeiders-Associatie (i.a.a.). Enige jaren na de stichting van deze, de Eerste Internationale, zond Michael Bakoenin de Italiaanse ingenieur Fanelli naar Spanje om er een sectie van de internationale te stichten. Fanelli was lid van de Alliantie van de sociale democratie. Hij kwam in oktober 1868 in Spanje en verliet het land na enige maanden. Het gelukte hem in Madrid en Barcelona secties van de i.a.a. en van de Alliantie te stichten. Dit bleek voor de Spaanse arbeidersbeweging en zelfs voor de Spaanse binnenlandse politiek van de grootste betekenis te zijn. Hierin ligt de oorsprong van de anarchistische en syndicalistische beweging in Spanje.

De Spaanse sectie van de i.a.a. ontwikkelde zich snel en ontplooide grote activiteit. Zij was bezield door de geest van Bakoenin en stond bij de scheuring tussen hem en Marx aan zijn kant. Tot de huidige dag is Spanje het enige land gebleven, waarin het anarchisme of Bakoeninisme de voornaamste plaats in de arbeidersbeweging inneemt. Marx zond zijn schoonzoon Lafargue naar Madrid met het doel de invloed van de Bakoenisten te bestrijden. Maar de sociale en psychologische voorwaarden bleken voor het marxisme niet gunstig te zijn en Lafargue had weinig succes. Na de scheuring in de i.a.a. in 1872 in Den Haag kwamen de Bakoenisten bijeen in St. Imier in Zwitserland. Daar waren de Spanjaarden vertegenwoordigd. De daar aangenomen vrijheidslievende beginselverklaring werd op een spoedig daarna te Cordoba gehouden congres door de Spanjaarden aanvaard. Op dit congres waren 236 plaatselijke en 6 vakverenigingen vertegenwoordigd met in totaal 20.000 leden. Dit was voor die tijd een geweldig succes.

De grondslagen van de Spaanse sectie van de i.a.a. waren anarchistisch. Op economisch terrein streefde ze naar de afschaffing van het privaateigendom en het stichten van collectieve bedrijven. Op politiek gebied spraken zij zich uit voor het federalisme en op levensbeschouwelijk terrein voor het atheïsme.

“Wij willen” - zo stond er in de besluiten van het congres - “op de ruïnes van de nationale eenheid vrije en onafhankelijke gemeenten stichten, die door vrijwillige samenwerking met elkander verbonden zijn.” Het is niet moeilijk hierin de ideeën van Proudhon en Bakoenin terug te vinden. Van de marxistische ideeën over de verovering van de staat en de dictatuur van het proletariaat hebben de Spaanse internationalisten nooit willen weten.

In de loop van de daarop volgende jaren vormden zich anarchistische vakorganisaties in het gehele land. De beweging eiste de achturige arbeidsdag en voerde stakingen door om deze eis te verwezenlijken. Daarbij kwam het herhaaldelijk tot botsingen met de politie en de militaire macht.

Na de val van de republiek in januari 1874 brak een tijd van reactie aan. De Spaanse sectie van de i.a.a. werd nog hetzelfde jaar verboden. De reactie duurde zeven jaar. Gedurende deze tijd konden de arbeidersorganisaties slechts in het geheim bestaan. Pas in 1881, na het optreden van een liberale regering, konden zij weer legaal werken. In ditzelfde jaar vond te Sevilla een congres plaats, waarop 50.000 arbeiders waren vertegenwoordigd. Op dit congres werd de “Regionale Arbeidersfederatie van Spanje” gesticht, die haar voornaamste aanhangers telde in Andalusië en Catalonië en die door dezelfde geest was bezield als de vroegere sectie van de i.a.a. Het congres verklaarde: “Onze organisatie is zuiver economisch. Zij stelt zich tegenover alle burgerlijke of arbeiderspartijen, die de politieke macht willen veroveren. Wij organiseren ons om de bestaande politieke staat tot economische functies te beperken. Wij streven naar een vrije federatie van vrije productieverenigingen. Daaruit volgt, dat wij tegenstanders zijn van de parlementaire politiek en aanhangers van de strijd op economisch gebied en dat wij alle bevoorrechting en alle monopolies van de tegenwoordige onrechtvaardige maatschappelijke orde willen vernietigen”.

Reeds vóór het verbod van de Spaanse sectie van de i.a.a. waren er in Spanje bewegingen met een revolutionair karakter. In Alcoy aan de Middellandse Zee eisten de arbeiders van de papierfabrieken in 1873 de invoering van de achturige arbeidsdag. Zij organiseerden een algemene werkstaking om deze eis door te voeren. De autoriteiten stelden zich aan de kant van de ondernemers en traden met politie en militairen tegen de stakers op. De arbeiders joegen hen op de vlucht. Een aantal fabrieken ging in vlammen op. Ten slotte werden de arbeiders door een grotere politiemacht verslagen. Maar sedertdien stond het vraagstuk van de achturendag op het programma. Deze en soortgelijke acties gaven de Spaanse arbeidersbeweging haar bijzondere karakter. De strijd van de arbeiders kwam meermalen in het parlement ter sprake en gaf aanleiding tot bijzondere maatregelen van de zijde van de regering. Meer dan eens gaf een staking aanleiding tot een regeringscrisis.

Na het verbod van de Spaanse sectie van de i.a.a. ontstond onder de landarbeiders van Andalusië een geheime organisatie, die onder de naam “De Zwarte Hand” de heersende klassen schrik inboezemde. Tot zelfs in het buitenland werden over de daden van “De Zwarte Hand” gruwelberichten gepubliceerd. Het ware karakter van “De Zwarte Hand” is tot op heden niet duidelijk. De politieberichten over deze organisatie zijn overdreven en vervalst. Een anarchistisch congres verklaarde zich niet met “De Zwarte Hand” te identificeren. Volgens de politie zou “De Zwarte Hand” zich ten doel hebben gesteld alle grootgrondbezitters af te maken. Volgens mededelingen van de politie zou “De Zwarte Hand” 340 plaatselijke organisaties met 40.000 leden hebben gehad.

Na het neerslaan van een door de politie geprovoceerde opstand in februari 1892 werden de vakorganisaties van de landarbeiders in Andalusië verboden. Vier opstandelingen werden ter dood gebracht, honderden tot lange gevangenisstraffen veroordeeld.

Gedurende de laatste tien jaar van de vorige eeuw werd de arbeidersbeweging onder minister-president Cánovas del Castillo op de meest gewelddadige wijze onderdrukt. Dagelijks werden strijders voor de vrijheid gruwelijk mishandeld. De Italiaanse journalist Michael Angiolillo wreekte hen door in 1897 Cánovas del Castillo neer te schieten. Hij werd ter dood gebracht. De Spaanse regering gaf grote sommen uit voor militaire avonturen in de koloniën en voor bureaucratische leeglopers, maar voor het onderwijs had zij geen geld. De arbeiders moesten zichzelf helpen, wanneer zij hun kinderen naar school wilden sturen. Het onderwijs heeft in Spanje gedurende eeuwen in handen van de kerk gelegen. Kloosterscholen met een middeleeuwse onderwijsmethode karakteriseerden de Spaanse pedagogiek. De propaganda voor vrije scholen werd krachtig ter hand genomen door de Catalaanse vrijdenker Francisco Ferrer. Met behulp van de vakorganisatie stichtte hij moderne scholen, waarvan de gehele bevolking voor haar kinderen gretig gebruik maakte.

De nieuwe schoolbeweging viel samen met een opleving van de syndicalistische arbeidersbeweging. Evenals in Frankrijk geloofden omstreeks de wisseling van de eeuw ook de syndicalistische arbeiders in Spanje, dat na een halve eeuw socialistische propaganda de tijd rijp was om het socialisme door te voeren. Dit moest echter niet door de staat, maar door de arbeiders zelf gebeuren. De Commune van Parijs was het voorbeeld. De algemene werkstaking zou het begin van de sociale revolutie zijn. De arbeiders wilden een vrije maatschappelijke orde van de producten invoeren zonder onderdrukkingsorganen, zonder staat en kapitalisme. De vakorganisaties moesten organen voor de gecollectiviseerde productie worden en de vrije gemeenten zouden de politieke organen van de nieuwe orde zijn. Dit waren de grondslagen van het Spaanse syndicalisme sedert het begin van de twintigste eeuw.

Behalve de klassentegenstellingen speelden in Spanje ook de nationale tegenstellingen een grote rol. In Barcelona hadden de Catalaanse nationalisten onder de naam “Catalaanse Solidariteit” een organisatie gesticht, die de nationale zelfstandigheid van Catalonië nastreefde. De arbeiders stelden er de “Arbeiderssolidariteit” tegenover. Het “Catalanisme” was een burgerlijke beweging voor een eigen regionale staat. De syndicalisten waren voorstanders van een consequent federalisme. Zij streefden naar de zelfstandigheid van de gemeenten, die zich over het gehele Iberische schiereiland in een vrije bond van gemeenten zouden moeten verenigen. Zij waren zowel tegenstander van een Catalaans als van een Castiliaans centralisme.

In 1909 brak in Barcelona ernstig verzet uit tegen het oproepen van militairen voor de oorlog in Marokko. De arbeiders waren niet bereid voor de imperialistische politiek en de materiële belangen van een kleine groep offers te brengen. Het oproer in de hoofdstad van Catalonië duurde een gehele week en werd door de regering bloedig onderdrukt. In de straten van Barcelona werden 175 arbeiders neergeschoten. Vervolgens werden talrijke doodvonnissen voltrokken.

Ook Francisco Ferrer, beschuldigd van het “geestelijke vaderschap” van de opstand, werd door een katholieke en reactionaire rechtbank ter dood veroordeeld. De kerk haatte de vrije schoolbeweging, die het godsdienstonderwijs had afgeschaft. Ferrer viel als onschuldig slachtoffer van de klerikale reactie.

De beweging in Barcelona had een spontaan karakter. De bekende anarchist Anselmo Lorenzo schreef hieromtrent vanuit Barcelona aan Tarrida del Mármol in Londen:

“De gebeurtenissen waren een volkomen verrassing. In Barcelona brak een sociale revolutie uit, die uit het volk zelf voortkwam. Niemand stond erachter. Niemand had de leiding. Noch de liberalen, noch de Catalaanse nationalisten, noch de republikeinen, de socialisten of de anarchisten.”

De terechtstelling van Ferrer verwekte in de gehele beschaafde wereld grote verontwaardiging. Ondanks alle terreurmaatregelen gelukte het de regering niet de revolutionaire beweging te onderdrukken. De opstand leidde ten slotte tot een regeringscrisis. De minister-president was genoodzaakt af te treden.

Als gevolg van deze sociale strijd had het anarcho-syndicalisme groot vertrouwen bij de arbeidersmassa’s gewonnen. Een jaar na de terechtstelling van Ferrer kwam in Sevilla, in oktober 1911 een congres bijeen van alle vrijheidslievende groepen en vakorganisaties. Op dit congres werd de Confederación Nacional del Trabajo (c.n.t.), de nationale confederatie van de arbeid gesticht.

 

De nieuwe organisatie was anarcho-syndicalistisch en stond op de grondslag van de vrijheid. “De materiële bevrijding van de arbeiders” - zo verklaarde het congres - “kan slechts het gevolg van hun geestelijke bevrijding zijn. Wanneer de arbeiders zich niet langer slaven voelen, zullen zij zich kunnen bevrijden. Maar de arbeiders kunnen zich niet vrij voelen, zolang zij zich niet hebben bevrijd van hun ‘bevrijders’ of leiders, die zich ten doel stellen na de vernietiging van de bestaande orde een nieuwe maatschappij te stichten, waarin zij de bevoorrechten zullen zijn.” Het stichtingscongres van de c.n.t. nam aldus in 1911 stelling tegen een gang van zaken, zoals die zich na 1917 in Rusland zou ontwikkelen. In de daarop volgende jaren ontwikkelde de nieuwe organisatie zich snel. In talrijke steden braken stakingen uit, die dikwijls een gewelddadig karakter aannamen. De minister-president Canalejas trad met grote energie tegen de arbeiders op. In Barcelona en in vele andere steden werd de c.n.t. verboden en haar lokalen1 werden gesloten. Deze vervolgingen brachten onder de arbeiders grote verbittering te weeg. Canalejas moest zijn reactionaire politiek met de dood bekopen. In 1913 werd hij in Madrid door de anarchist Pardifias op straat neergeschoten, waarna deze zichzelf het leven benam. De strijd tussen de reactionaire staatsmacht en de syndicalisten werd van nu af aan voortdurend scherper.

Het marxisme is in Spanje jonger dan het anarchisme en het syndicalisme. In de tachtiger jaren had Pablo Iglesias de Spaanse Socialistische Arbeiderspartij gesticht, die op de grondslag van het marxisme stond. In het stichtingsprogramma werd gezegd:

“De partij streeft naar: 1. het grijpen van de politieke macht door de arbeidersklasse. 2. de omzetting van het privaateigendom in collectief eigendom; het gebruiken van de productiemiddelen door de arbeidersorganisaties, aan wier leden de volle opbrengst van hun arbeid moet worden gegeven; verzekerde algemene vakopleiding en wetenschappelijke vorming voor beide geslachten. 3. de maatschappij heeft tot taak voor al diegenen te zorgen, die door ouderdom of invaliditeit niet in staat zijn hun levensonderhoud te verdienen.”

Bij de verkiezingen voor de Cortes in 1890 verwierf deze partij 20.000 stemmen, in het jaar 1899 telde zij 3355 leden. In ditzelfde jaar nam zij het initiatief tot het stichten van de Unión General de Trabajadores (u.g.t.), de algemene arbeidersunie. De u.g.t. telde na enkele jaren 40.000 leden, met name in Madrid en Noord-Spanje. Toen de anarchistische vakorganisaties in Andalusië en Catalonië waren verboden, gelukte het de sociaal-democratische unie ook in deze delen van het land eigen organisaties te stichten.

Het onderscheid in doelstelling en strijdmethodes tussen de sociaal-democratische en de anarchistische vakorganisaties bestond niet slechts in de theorie, maar bleek ook uit de praktische acties. Op 1 mei 1890 wendde de sociaal-democratische organisatie van bouwvakarbeiders in Madrid zich tot de Cortes met een verzoekschrift, waarin werd gezegd: In de overtuiging uitdrukking te geven aan het streven van alle Spaanse bouwvakarbeiders verzoeken wij u een wet in te voeren, die de dagelijkse arbeidstijd op acht uur bepaalt en die de arbeid van vrouwen en kinderen in de fabrieken beperkt, overeenkomstig de verleden jaar op het internationaal arbeiderscongres in Parijs genomen besluiten. Overdreven en utopische eisen zijn ons volkomen vreemd. Wij verlangen slechts wat recht en billijk is. De door ons vertegenwoordigde arbeiders vertrouwen, dat de Cortes hun bescheiden eisen zal inwilligen, waarmee een tijdperk van sociale vrede zou kunnen aanbreken en aan de arbeidersklasse een verheven voorbeeld van de liefde voor de gerechtigheid zou worden gegeven.

Intussen zagen de sociaal-democraten zich spoedig gedwongen van hun tamme methodes af te zien. In 1909 namen zij deel aan de Julistaking. Hun leider Pablo Iglesias publiceerde een oproep op een toon, die men tot dusverre alleen van de anarchisten had gehoord. Deze buitengewoon scherpe taal bezorgde de sociaal-democraten een zekere populariteit. Bij de enkele maanden later plaatshebbende verkiezingen werden in 14 gemeenten sociaal-democraten gekozen en Pablo Iglesias werd als eerste en enige sociaal-democraat in de Cortes gekozen.

Uit dit voorbeeld trok de partij haar lessen. Tien jaar later sloeg zij dezelfde weg in. Toen in 1917 een beweging voor hervorming van het parlementaire stelsel optrad, nam de sociaal-democratie haar denkbeelden over en onderstreepte ze met een massale politieke staking. De regering trad scherp op. Evenals dit reeds herhaaldelijk met de anarchisten was geschied, werden de sociaal-democraten als staatsvijanden behandeld. Talrijke sociaal-democratische leiders werden gearresteerd. Voor de spoedig daarop plaatshebbende verkiezingen voor de Cortes werden zij kandidaat gesteld. Het feit van hun gevangenschap bezorgde hun de sympathie van de arbeiders. Zelfs anarcho-syndicalisten brachten op hen hun stem uit. Zes sociaal-democraten werden tot lid van de Cortes verkozen. Dit was de eerste belangrijke verkiezingsoverwinning van de Spaanse sociaal-democratie.

Tussen de sociaal-democratische en de syndicalistische vakorganisaties bestaat een principieel verschil. De laatste willen hun doel door middel van directe actie bereiken. De eerste staan tot de sociaal-democratie in dezelfde verhouding als voor de oorlog het n.v.v. tot de s.d.a.p. en vestigen hun hoop op de verkiezingen. Zij wijzen de syndicalistische algemene werkstaking af, maar accepteren de politieke massastaking om de eisen van de politieke partij kracht bij te zetten.

Mettertijd heeft zich een zekere geografische begrenzing tussen de syndicalisten en de sociaal-democraten gevormd. In Noord-Spanje en Madrid waren de sociaal-democraten en de u.g.t. in de meerderheid. In Catalonië, Andalusië en Aragon waren de syndicalisten en anarchisten talrijker. In de Levant, Valencia inbegrepen, waren de sociaal-democraten bijna even sterk als de anarchisten. De anarcho-syndicalisten hadden meer ervaring in de klassenstrijd dan de sociaal-democraten. In de gehele economische strijd gaven zij de toon aan. Maar zij stonden ook meer bloot aan vervolgingen. Wanneer hun organisaties werden verboden en hun lokalen gesloten, profiteerde de sociaal-democratische u.g.t. ervan.

De dictator Primo de Rivera had grote sympathie voor de sociaal-democratie. Hun gematigd optreden en hun wettig karakter stonden hem aan. Hij begunstigde de sociaal-democratische beweging in de hoop daardoor aan de staatsvijandelijke anarcho-syndicalisten afbreuk te doen. Bij zijn optreden als dictator benoemde hij, om de syndicalisten in Catalonië te onderdrukken, Largo Caballero, de voorzitter van de u.g.t., tot staatsraad. Hij stelde scheidsgerechten in om de conflicten tussen werkgevers en werknemers op te lossen onder voorzitterschap van door de staat aangewezen scheidsrechters. Largo Caballero achtte het als minister van arbeid zijn voornaamste taak de revolutionaire arbeidersbeweging te onderdrukken. De scheidsgerechten stonden onder hem. Stakingen werden verboden. Alleen vakorganisaties, die de scheidsgerechten erkenden, waren wettelijk geoorloofd. Alle andere arbeidersorganisaties werden ontbonden. Deze politiek heeft het Caballero mogelijk gemaakt de sociaal-democratische vakorganisatie ten koste van die van de syndicalisten te versterken. Deze laatste wezen de scheidsgerechten van de hand. In deze periode lukte het de u.g.t. diegenen te organiseren, die tot dan bij geen enkele vakorganisatie waren aangesloten, de handels- en kantoorbedienden en de bankbeambten. Behalve de geografische deling tussen de syndicalisten en de sociaal-democraten kwam er nu ook een deling in klassen. Bij de sociaal-democraten sloten de witte boorden-proletariërs zich aan, de syndicalisten vertegenwoordigden de grote massa van de hand- en van de landarbeiders.

In Catalonië en in enkele andere delen van het land was echter het syndicalisme zo diep geworteld, dat het de u.g.t. niet gelukte grote invloed te verkrijgen. De onderdrukkingspolitiek van Primo de Rivera riep het verzet op van steeds grotere kringen tegen zijn dictatuur. De republikeinse beweging werd sterker. Ten slotte was Primo de Rivera genoodzaakt af te treden. Zelfs de ondersteuning van de sociaal-democraten kon hem niet redden. Behalve de reactionairen en de conservatieven waren de sociaal-democraten en de u.g.t. de enige kracht, waarop Primo de Rivera had gesteund. Na de val van de dictator stonden de sociaal-democraten bij het volk slecht aangeschreven. Voor Spanje zou spoedig een belangrijke ommekeer in zijn geschiedenis plaatshebben. De monarchie liep op haar einde.

1 De lokalen van de Spaanse c.n.t. zijn niet de bureaus van de vakverenigingbestuurders, maar de gebouwen, waar de actieve arbeiders, de “militanten” elkander na afloop van de dagelijkse arbeid treffen, om er de toestand van de dag met elkander te bespreken, het initiatief te nemen tot maatregelen, de kranten te lezen of, voor zover zij analfabeet zijn, zich die te laten voorlezen en er kennis te nemen van de revolutionaire en wetenschappelijke lectuur, die zij in hun bibliotheken verzameld hebben. Deze lokalen, die steeds het brandpunt waren van de activiteit, werden herhaaldelijk door de politie gesloten. De arbeiders konden elkander dan slechts treffen in verschillende cafés waarvan de eigenaars meermalen een zo grote sympathie voor de c.n.t. en voor het anarchisme hadden, dat zij de arbeiders ontvingen zonder dat deze verplicht werden verteringen te maken. (Noot van de vertaler)

 

2

 

Van de syndicalistische klassenstrijd tot de val van de monarchie

 

De wereldoorlog van 1914-1918 betekende voor Spanje een periode van economische bloei. De oorlogvoerende landen betrokken uit Spanje grondstoffen en ertsen, landbouw- en sommige fabrieksproducten. Zowel op het land als in de industrie werd gewerkt onder hoge druk. Handel en industrie maakten grote winsten en ook de lonen van de arbeiders gingen omhoog. De goudvoorraad van de Bank van Spanje steeg van 23 tot 89 miljoen pond sterling. De politieke toestand bleef intussen verward en corrupt. De tegenstellingen tussen de democratische krachten van de vooruitgang en de reactionaire krachten van de monarchie werden groter. De landarbeiders in Andalusië deelden niet in de economische vooruitgang. De kloven tussen arm en rijk werden dieper.

In zijn boek het spaanse labyrint geeft Gerald Brenan een uitstekend overzicht van de toestand in Spanje aan het einde van de Eerste Wereldoorlog. Het volgende stuk is daarop gebaseerd.

Opnieuw braken tussen de arbeiders en de ondernemers in Barcelona conflicten uit. Deze hadden, evenals in de jaren 1906 tot 1909 een gecompliceerde oorzaak. De Duitse regering had in het laatste oorlogsjaar grote sommen uitgegeven voor de Duitse propaganda. Barcelona werd een toevlucht voor spionnen. Agents provocateurs, gangsters en “pistoleros” stelden zich beschikbaar voor iedereen, die hen betaalde. In de staking hebben zij veel bijgedragen tot de bloedige strijd, die zich in de straten van Barcelona heeft afgespeeld.

De Russische revolutie oefende een grote invloed op de anarchisten uit. De proclamaties van de bolsjewiki over het zelfbeschikkingsrecht van de nationale minderheden misten op de Catalaanse autonomisten hun uitwerking niet. De ondernemers hadden gedurende de oorlog grote winsten gemaakt. De lonen van de arbeiders waren gestegen. Aan beide zijden voelde men zich sterk genoeg om te menen, dat men de tegenstander zijn wil kon opleggen.

Na de nederlaag van de sociale massale staking van 1918 hadden de anarcho-syndicalisten zich gereorganiseerd. In de plaats van de vakverenigingen traden de moderne bedrijfsorganisaties, de zogenaamde industriële eenheidsorganisaties. Deze laatste waren voor de klassenstrijd beter geschikt. Zij waren elastischer en maakten het mogelijk een conflict of een staking onmiddellijk tot de gehele industrie uit te breiden. Onder de anarcho-syndicalisten bestonden twee richtingen; een syndicalistische met Salvador Segui en Angel Pestaña aan het hoofd en een anarchistische.

Ook de werkgevers waren georganiseerd. Met uitzondering van de buitenlandse firma’s waren de industriële bedrijven in Barcelona nog zeer achterlijk. Er waren weinig grote bedrijven, maar daarentegen een groot aantal kleine ondernemingen. De werkgevers stonden onverzoenlijk tegenover de arbeiders. Tot de Eerste Wereldoorlog hadden zij de eisen en de stakingen van de c.n.t. bestreden door uit de zuidelijke provincies goedkope arbeidskrachten te halen en de vorming van katholieke vakorganisaties te begunstigen. Gedurende de oorlog ontwierpen zij een strijdplan, dat zij bij verzwakking van de arbeidsmarkt hoopten door te voeren. Zij bereidden een grote uitsluiting voor met het doel de lastige en gevreesde c.n.t. te vernietigen. Overeenkomstig de Spaanse methode maakten zij gebruik van agents provocateurs.

Bij de nu volgende ingewikkelde gebeurtenissen leidde het meningsverschil tussen de burgerlijke en de militaire autoriteiten tot verscherping van de politieke toestand en van het conflict. De burgerlijke gouverneur Montanez wees, in overeenstemming met de regering in Madrid, de methode van de werkgevers af en nam tegenover de arbeiders een verzoenend standpunt in. De militaire bevelhebber echter, generaal Miláns del Bosch, stond aan de kant van de werkgevers en zette hen aan om scherp op te treden. Deze overeenstemming bewees, dat voor de Catalaanse werkgevers het sociale vraagstuk van grotere betekenis was dan hun nationale belangen. De generaals was het er om begonnen de Catalaanse bourgeoisie aan hun zijde te krijgen en indien dit niet gelukte haar in de ogen van het Catalaanse volk zulk een slechte naam te bezorgen, dat zij geen schade meer kon doen. Om dit doel te bereiken deinsden zij voor geen middel terug. Terwijl tijdens de gebeurtenissen van 1908 de provocerende bommen door de burgerlijke gouverneur waren gelegd, organiseerde ditmaal de militaire gouverneur zijn pistoleros voor hetzelfde doel.

De verhoudingen in Barcelona waren in 1918 bijzonder gunstig voor het vormen van provocerende terreurgroepen van de politie. Duitse spionnen probeerden in de fabrieken stakingen te organiseren. Er hadden zelfs aanslagen tegen ondernemers plaats, die geweigerd hadden hun producten niet langer aan de geallieerden te leveren. Aan het hoofd van een dergelijke terreurgroep stond een zekere Bravo Portillo, die later werd veroordeeld wegens spionage ten gunste van Duitsland. Na afloop van zijn straftijd namen generaal Miláns del Bosch en de werkgeversorganisatie hem in hun dienst. Als slachtoffer van een van zijn aanslagen viel de bekende syndicalist Pablo Sabater. Maar deze aanslag kostte ook Portillo het leven. Syndicalistische afweertroepen veroordeelden hem ter dood en schoten hem neer.

In de plaats van Portillo kwam een Duitse avonturier, die zich Baron von König noemde, maar wiens werkelijk naam Colmann moet zijn geweest. Colmann stond in dienst van generaal Arlegui, de hoofdcommissaris van politie van Barcelona, en van de markies Forondo, een intiem vriend van koning Alfons XIII. Colmann kreeg niet slechts de opdracht alle bekende anarcho-syndicalisten uit de weg te ruimen en valse bewijzen voor hun veroordeling te verschaffen, maar hij moest ook de arbeiders tot revolutionaire acties provoceren, teneinde de regering gelegenheid te geven de staat van beleg af te kondigen.

Colmann had over zijn taak zijn eigen opvatting. Om zijn inkomsten te vermeerderen deelde hij aan tal van werkgevers mee, dat hun leven in gevaar was en dat zij dit slechts konden redden door zijn diensten te accepteren, waarvoor hij zich natuurlijk goed liet betalen. Werkgevers die hadden geweigerd Colmann voor zijn veiligheidsdiensten te betalen, werden werkelijk het slachtoffer van een aanslag. Zijn verhouding tot de militaire gouverneur gaf Colmann een jarenlange vrijbrief voor zijn gangsterpraktijken. Ten slotte werden zijn wandaden echter zo bekend, dat zijn bende werd ontbonden en hij moest vluchten. Gedurende de oorlog was deze zelfde Colmann-Von König als Duitse spion in Barcelona werkzaam geweest.

Gedurende de twee laatste oorlogsjaren was het aantal leden van de c.n.t. geweldig gestegen. Om zich te verdedigen tegen de door de militaire gouverneur georganiseerde gangsterbenden hadden de syndicalisten afweergroepen georganiseerd. De leden van deze groepen hadden in de syndicalistische organisatie geen invloedrijke positie. Zij traden op eigen verantwoording op. Hun vergeldingsmaatregelen werden echter door de vakorganisatie erkend en door de arbeiders in het algemeen goedgekeurd. Op iedere daad van de terreurgroepen in dienst van de werkgevers antwoordden de anarchisten met een daad van hun kant.

Barcelona was een sociaal slagveld geworden. Gedurende de oorlog hadden nog slechts de eerste schermutselingen plaatsgevonden. De eigenlijke slag zou spoedig volgen.

In februari 1919 gingen de arbeiders van het elektriciteitsbedrijf in Barcelona in staking. Zij eisten het weer in dienst nemen van zeven arbeiders, die om politieke redenen waren ontslagen. Voorts eisten zij loonsverhoging voor de slechtst betaalde arbeiders. De staking was door de arbeiders uitstekend voorbereid. De leiding was in handen van Salvador Segui en van Angel Pestaña. In het gehele land werd een uitgebreide propaganda gevoerd. De staking was een vuurproef voor de nieuwe vorm van industriële eenheidsorganisatie. De Engelse directeur van het elektriciteitsbedrijf was bereid onderhandelingen te voeren. De lonen in het bedrijf waren werkelijk beneden het gemiddelde. De militaire gouverneur verlangde echter van de directeur, dat hij zou weigeren met de vakorganisaties te onderhandelen en deze volgde ten slotte het advies van de gouverneur.

De staking van de arbeiders breidde zich spoedig uit. De gehele stad zat zonder licht. Aanvankelijk had de staking een vreedzaam karakter, maar toen gaf de militaire gouverneur bevel alle leiders van de staking en de bekende syndicalisten en anarchisten te arresteren. De staat van beleg werd afgekondigd en de stakers kregen het militaire bevel de arbeid te hervatten.

Met dit scherpe optreden van de militaire gouverneur ging de regering te Madrid niet akkoord. Minister-president Romanones stuurde een regeringscommissie naar Barcelona om het conflict bij te leggen. Met de arbeidersorganisaties werd overeenstemming bereikt en de staking werd beëindigd. Na de getroffen overeenkomst zouden de gearresteerde syndicalisten worden vrijgelaten. Maar de militaire gouverneur weigerde daartoe het bevel te geven, Dit was in strijd met hetgeen men was overeengekomen en de syndicalisten beantwoordden deze uitdaging met het uitroepen van een algemene werkstaking voor geheel Barcelona.

Deze staking duurde veertien dagen en werd met een voorbeeldige discipline doorgevoerd. De arbeiders lieten zich niet provoceren tot daden van geweld en gedurende de gehele staking hadden geen botsingen plaats en kwam het nergens tot bloedvergieten. De staking omvatte enige honderdduizenden arbeiders. De militaire gouverneur liet duizenden hunner arresteren, van wie er meer dan 700 tot gevangenisstraffen werden veroordeeld. Door het ingrijpen van de regering in Madrid werd het conflict bijgelegd. Er zouden overwinnaars noch overwonnenen zijn. Nadat de arbeid was hervat zette de militaire gouverneur de regeringscommissaris in de trein en stuurde haar naar Madrid terug. Hij wilde zich door de regering geen voorschriften laten geven. Deze belediging wilde de minister-president niet aanvaarden. Maar de koning stond aan de kant van de generaal. Romanones was gedwongen af te treden en met hem zijn gehele kabinet.

 

Alfons XIII belastte Maura met de vorming van een nieuwe regering. Het nieuwe kabinet kondigde voor Barcelona opnieuw de staat van beleg af. Er hadden wederom arrestaties plaats en de pistoleros werden op de arbeiders losgelaten.

Aan het geduld van de arbeiders kwam nu een einde. De gewapende afweerorganisaties van de syndicalisten en anarchisten traden op. In Andalusië organiseerden de syndicalisten een solidariteitsstaking voor hun kameraden in Barcelona. Ook voor Andalusië werd de staat van beleg afgekondigd. Troepen werden naar het land gestuurd om de stakingen op de grote landgoederen neer te slaan.

Deze scherpslijperspolitiek tegen de arbeiders veroorzaakte in het land grote onrust. De regering Maura was gedwongen af te treden. De koning droeg aan de conservatieve politicus Sanchez Guerra op een nieuwe regering te vormen. De nieuwe minister-president slaagde erin het conflict in Barcelona op tactvolle wijze bij te leggen. De gearresteerde leiders van de staking en anarchisten werden in vrijheid gesteld. Er werd een nieuwe commissie benoemd om de arbeidsvrede te herstellen. De rust keerde terug. Aan de schietpartijen in de straten van Barcelona kwam een einde. Maar toen de werkgevers weigerden de leiders van de staking weer in dienst te nemen, brak de staking opnieuw uit. De nieuwe regering was in de ogen van de reactionairen te slap en de militaire camarilla eiste, dat het kabinet zou aftreden. In september, toen ook de koning geen vertrouwen meer in haar stelde, trad de regering af.

De nu optredende regering stond geheel onder de invloed van de militaire kliek. Het reactionaire verbond van werkgevers in Barcelona wilde nu de arbeiders tonen wie de baas was en ging tot een uitsluiting over. De militaire gouverneur stelde zich opnieuw aan de zijde van de werkgevers en steunde hun optreden door de staat van beleg af te kondigen. Opnieuw werden honderden syndicalisten gearresteerd. Een golf van aanslagen had plaats van de zijde van de terreurgroepen van de politie, die de arbeiders niet onbeantwoord lieten. Deze toestand duurde de gehele winter. In maart 1920 trad een nieuwe conservatieve regering op met Dato als minister-president.

Dato benoemde Carlos Bas tot burgerlijk gouverneur van Barcelona, een verzoeningsgezind man. Het verbond van werkgevers eiste de ontbinding van de c.n.t. en het fusilleren van al haar leiders. Maar 80 procent van de arbeiders van Barcelona was lid van de c.n.t. “Ontbinding van de c.n.t. is daarom een slag in de lucht”, zo verklaarde de nieuwe gouverneur. Men had de c.n.t. reeds zes maanden tevoren ontbonden, maar desondanks bestond zij verder en betaalden de arbeiders hun contributie even goed als tevoren. De gouverneur verklaarde ook nog, dat het doodschieten van de leiders geen goede maatregel zou zijn, omdat het juist aan hun omzichtige leiding te danken was geweest, dat de toestand kalmer was geworden. Bovendien verklaarde hij, dat de staking van de transportarbeiders gerechtvaardigd was, omdat de werkgevers zich niet aan de wettige overeenkomst hadden gehouden. De provocateurs van Baron von König, alias Colmann, zetten hun wandaden voort. In juli 1920 wierpen zij een bom in een vergadering van arbeiders.

Intussen was Martinez Anido tot militair gouverneur benoemd die vanwege zijn gruwelijk optreden de bijnaam “bloedhond” kreeg. Tussen hem en de burgerlijke gouverneur Bas kwam het spoedig tot conflicten, die op vijandelijkheden uitliepen. Martinez Anido kreeg van de koning zelf de opdracht de rust in Barcelona tot iedere prijs te herstellen. Hij bekommerde zich om geen enkele wet en voerde een schrikbewind in, dat alle tot dusver gepleegde gewelddaden in de schaduw stelde. Met zijn hulp en onder bescherming van de bajonetten hadden de ondernemers een onderkruiperorganisatie onder de naam “Vrije Vakvereniging” gesticht. Het vermoorden van bekende syndicalisten en anarchisten in de straten van Barcelona was aan de orde van de dag. Martinez Anido had een lijst van syndicalistische leiders opgesteld, die doodgeschoten moesten worden. Gedurende de eerste 36 uur na het publiceren van deze lijst zijn in de straten van Barcelona 21 syndicalisten en anarchisten doodgeschoten. De politie arresteerde de anarchisten en schoot hen op weg naar het politiebureau dood, omdat “zij probeerden te ontvluchten”. Of zij werden vrijgelaten en nadat zij de gevangenis verlaten hadden in de rug neergeschoten.

Tegen deze methode hadden de syndicalisten en anarchisten géén ander middel dan terugschieten. In 16 maanden zijn in de straten van Barcelona op deze wijze 230 personen om het leven gekomen. In de straten van een oude cultuurstad van Europa werd op deze wijze in de ware zin van het woord een guerrilla gevoerd. Ten slotte viel Dato als slachtoffer van een anarchistische aanslag. “Het was er mij niet zozeer om te doen Dato neer te schieten”, verklaarde de dader voor het gerecht, “ik wilde de regering treffen, die verantwoordelijk is voor de terreur in Barcelona.”

Dato was in nauwelijks een kwart eeuw de derde minister-president van Spanje, die op deze wijze om het leven kwam, omdat hij verantwoordelijk was voor de politieke vervolgingen en voor de door de politie gepleegde gruwelijkheden.

Martinez Anido bleef aan de macht. De terreur duurde nog enige tijd voort, maar de militaire nederlagen in Marokko brachten mee, dat de militaire kaste een groot deel van haar prestige verloor. Martinez Anido kwam ten val in verband met een aanslag op de bekende syndicalistische leider Angel Pestaña. Deze werd door de pistoleros van Martinez Anido ernstig gewond. Toen hij na zijn genezing het ziekenhuis verliet, werd hij door de pistoleros opgewacht, die opnieuw op hem schoten. Slechts aan de omstandigheid, dat de kameraden die hem afhaalden eveneens gewapend waren, was het te danken, dat zijn leven werd gered. De aanvallers werden op de vlucht gedreven.

Dit incident wekte grote verontwaardiging in het gehele land, omdat Pestaña zelfs bij zijn tegenstanders zeer gunstig bekend stond. Tegelijkertijd kwam aan het licht, dat Martinez Anido een aanslag tegen zichzelf had gefingeerd, die hij als een daad van de anarchisten had willen voorstellen. Hij werd hierdoor zodanig gecompromitteerd, dat de regering hem los moest laten. Gedurende twee jaar had hij in Barcelona als in een vijandelijk land geregeerd. Na zijn aftreden was de toestand in Barcelona erger dan tevoren. Van januari 1919 tot december 1923 waren in Catalonië 700 personen gevallen als slachtoffers van politieke aanslagen.

Ook na het ontslag van Anido nam de terreur nog geen einde. De tot dusverre betaalde moordenaars werkten nu op eigen gelegenheid. In maart 1923 werd de populairste syndicalist van Barcelona, Salvador Segui, op straat doodgeschoten. Uit vergelding pleegden daarop de anarchisten Ascaso en Durruti een aanslag op de aartsbisschop van Zaragossa, die als een van de ergste scherpslijpers bekend stond. Nadat Primo de Rivero aan het bewind was gekomen, kwam er aan de periode van aanslagen eindelijk een einde.

Deze gebeurtenissen gingen vooraf aan de val van de monarchie en het uitbreken van de burgeroorlog. De kennis ervan is van belang voor het begrijpen van hetgeen er op volgt. De binnenlandse politiek van Spanje is door de zo-even beschreven klassenstrijd sterk beïnvloed. De werkgevers waren ontoegankelijk voor overleg met de werknemers. De generaals behandelden hun eigen volk als vijanden en het land als oorlogstoneel. De koning hield eraan vast, dat hij regeerde bij de gratie Gods en dat het volk in de openbare aangelegenheden niets te vertellen had. De monarchie wilde geen rekening houden met de nieuwe tijd. Aan de andere kant leefde onder de arbeiders de overtuiging, dat het tijdperk van het vrije socialisme was aangebroken.

De tegenstellingen botsten met geweld tegen elkander. Twee werelden stonden tegenover elkaar. Een verzoening daartussen was niet mogelijk. De ene steunde op de tradities van het verleden, de andere putte haar kracht uit het geloof in de toekomst.

Alfons XIII was een achterlijke, despotische en cynische monarch. Door zijn onbuigzaam optreden maakte hij de toestand erger dan nodig was. Hij meende zijn troon met geweld te kunnen redden. In werkelijkheid werkte hij aan zijn eigen ondergang.

Het militaire avontuur in Marokko is van beslissende invloed geweest op de politieke ontwikkeling. Het leidde, evenals de vroegere koloniale oorlogen, tot verzwakking van het land en van het prestige van de monarchie en van de militaire kaste. Toen de veldtocht tegen Marokko begon, was er onder het Spaanse volk geen geestdrift voor de oorlog. Onder het toepassen van democratische regeringsmethoden en in een geest van verzoening was een vruchtbare samenwerking met de Marokkanen mogelijk geweest. De laatsten waren bereid industriële hulp te aanvaarden en in ruil daarvoor de schatten van hun bodem beschikbaar te stellen.

Maar de opgeblazen prestigepolitiek van Alfons XIII was het om militaire overheersing begonnen. Men had slechts interesse voor het roven van de rijke Marokkaanse ertsen. Naar het oordeel van de geopoliticus Gonzalo de Reparaz, die met een opdracht van de Spaanse regering jarenlang in Marokko heeft vertoefd, was het Spanje mogelijk geweest in Marokko veel goeds te stichten en met de Marokkanen op vreedzame wijze samen te werken. De regering deed het tegenovergestelde. En de oorlog in Marokko heeft Spanje 300 miljoen peseta’s en het leven van duizenden Spanjaarden gekost. Met behulp van Frankrijk is het Primo de Rivera gelukt Marokko voor Spanje, dat eerst ernstige nederlagen had geleden, te behouden.

De financiële gevolgen van de Marokkaanse oorlog waren voor Spanje catastrofaal. De uitgaven voor militaire doeleinden in de protectoraten stegen tot acht miljoen peseta’s. Aan de vooravond van de burgeroorlog bedroeg de Spaanse staatsschuld 24 biljoen, het jaarlijkse tekort op de begroting 700 tot 1000 miljoen peseta’s.

Kort nadat hij aan de macht was gekomen, verbood Primo de Rivera het uitgeven van kranten, tijdschriften en boeken in de Catalaanse taal. De Catalaanse vlag, het onderwijs in de Catalaanse taal en zelfs de Catalaanse nationale dans, de “Sardana” werden verboden. De autonomie van de gemeenten werd afgeschaft, het briefgeheim opgeheven. De dictatuur bemoeide zich met alle onderdelen van het openbare leven.

De enige partij, die met Primo de Rivera samenwerkte en zijn gunst genoot, was de sociaal-democratische. De dictator hoopte met behulp van de erkende sociaal-democratische vakorganisaties de arbeiders schadeloos te stellen voor het verlies van de c.n.t. en hen daardoor tot rust te brengen. De sociaal-democraten en in het bijzonder hun leider Largo Caballero, hoopten hun organisaties ten koste van die van de anarcho-syndicalisten te kunnen versterken.

De sociaal-democraten waren echter op den duur een te zwakke basis voor de dictatuur, die mede werd gesteund door troon en altaar. De algemene kritiek op Primo de Rivera en de aandrang van liberalen en republikeinen noopte ten slotte de koning de dictator in 1930 af te zetten.

Hij werd opgevolgd door generaal Berenguer, die geen dictatoriale volmachten kreeg. Hem viel de taak toe de monarchie te redden. Maar haar ondergang was reeds te ver voortgeschreden. Geen enkel groot probleem was opgelost, ofschoon alleen daardoor rust in het land verkregen had kunnen worden. In tegenstelling tot vele agrarische landen in Europa werden na de Eerste Wereldoorlog in Spanje de onrechtvaardige eigendomsverhoudingen op het land gehandhaafd. Nog steeds waren er grote onbebouwde streken zonder mensen en te veel mensen zonder land. De Catalanen waren ontevredener dan ooit. De intellectuelen werden achteruitgezet bij de adel. De vooruitstrevende kringen van de bevolking gingen niet akkoord met de klerikale koers van de regering. De leeglopende generaals en officieren verdreven de tijd met domino spelen en kritiek op de regering. De anarcho-syndicalisten, d.w.z. de meerderheid van het Spaanse proletariaat, waren in de illegaliteit gedreven. Hun dynamische energie echter was ongebroken. Zij vormden een voortdurend gevaar voor de monarchie.

Sedert meer dan tien jaar hadden geen normale verkiezingen plaatsgevonden. Eindelijk gaf Berenguer gehoor aan de aandrang van het volk en schreef hij verkiezingen voor de gemeenteraden uit. Daarop zouden verkiezingen voor de Cortes volgen. De gemeenteraadsverkiezingen hadden plaats op 14 april 1931. In 46 van de 60 provincies koos het volk republikeinse afgevaardigden. De enige verkiezingsleuze was: de republiek. De uitslag van de verkiezingen bewees overduidelijk, dat het Spaanse volk de monarchie niet meer wenste. Alfons XIII verliet het land. De monarchie was ten val gebracht. De tweede republiek werd uitgeroepen.

3

 

Van de republiek tot de burgeroorlog

 

Het republikeinse succes bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1931 was van beslissende betekenis. Er was een geweldige geestdrift. Vol verwachting werden de nieuwe verkiezingen voor de Cortes voorbereid. Een grote historische verandering had zich voltrokken. De val van de monarchie had geen druppel bloed gekost. Een vreedzame omwenteling van zo grote betekenis komt in de geschiedenis slechts zelden voor. Het Spaanse volk had een voorbeeld van grote politieke rijpheid gegeven. Het wilde zijn openbare aangelegenheden zonder het ingrijpen van een monarch regelen.

Bij de verkiezingen voor de Cortes, die twee maanden later plaatsvonden, was de republikeinse overwinning nog groter dan bij de gemeenteraadsverkiezingen. De monarchistische partijen werden vernietigd. De republikeinen bestonden uit verschillende groepen. Aan de rechtervleugel stond de partij van de radicalen. Haar leider was de oude beproefde Lerroux. Zijn partij had 90 zetels verworven. De sterkste partij was die van de linkse republikeinen, die was gefuseerd met de republikeinse unie en 150 zetels had gekregen. Daarna kwamen de sociaal-democraten met 115 zetels. Vele sociaal-democratische afgevaardigden waren eerst kort geleden lid van de partij geworden. Het waren grotendeels intellectuelen of halfintellectuelen, die via de partij op gemakkelijke wijze politieke carrière hoopten te maken. Onder hen bevonden zich dr. Negrin, minister-president gedurende de burgeroorlog. De monarchisten waren tot een hulpeloze minderheid verschrompeld. De tweede republiek scheen op een sterke republikeinse meerderheid te kunnen steunen.

In de eerste maanden van de republiek was het niet gemakkelijk de valse republikeinen van de ware te onderscheiden. De tegenstellingen kwamen pas later aan de dag. Zonder twijfel waren er vele republikeinen uit overtuiging, anderen waren het om opportunistische redenen, uit materialistische of politieke overwegingen. Voor velen was de republiek als zodanig het doel, voor anderen was het slechts een politiek regime, dat de mogelijkheid opende om tot sociale gerechtigheid te komen. Toen de geestdrift over de overwinning van de republiek voorbij was, trad een periode van ontnuchtering in. Ieder ging zijn eigen weg. Aan de republikeinse solidariteit, die eerst alle tegenstanders van de monarchie had verenigd, kwam een einde. De belangentegenstellingen tussen de klassen waren niet opgeheven en leidden aldra tot nieuwe klassenstrijd.

De jonge republiek werd al spoedig voor de keuze geplaatst tussen kapitalisme en socialisme. De monarchie had een moeilijk te beheren erfenis achtergelaten. Aan de ene kant stonden de reactionaire grootgrondbezitters, de militaire kaste, de kerk en de kapitalisten. Aan de andere kant de bezitloze bevolking, die voor de helft uit analfabeten bestond. Daartussen stond een opgeblazen bureaucratie.

Ook in de arbeidersbeweging heerste geen eenheid van opvatting omtrent het wezen van de republiek en haar taak in de toekomst. De sociaal-democraten waren bereid tot een compromis tussen kapitalisme en socialisme. Zij stelden zich tevreden met een politieke democratie. Zij geloofden door middel van sociale wetgeving geleidelijk tot een socialistische orde te kunnen komen. De anarcho-syndicalisten daarentegen zagen in de republiek een stap op de weg naar de sociale revolutie. Met de vervanging van de koning door een president stelden zij zich niet tevreden. Toen de republiek de belangen van de kapitalistische ondernemers en met name die van de grootgrondbezitters even krachtig in bescherming nam als de monarchie dit had gedaan, gingen de anarcho-syndicalisten opnieuw tot directe actie over. Wederom braken stakingen, algemene werkstakingen en opstanden uit. Het geestelijk leven van Spanje had zich reeds sedert het begin van de eerste republiek van 1873 krachtig ontwikkeld. Spaanse schrijvers, geleerden en kunstenaars hadden belangrijk werk geleverd, dat op dezelfde hoogte stond als dat van andere culturele landen. De tweede republiek van 1931 ondernam de moeilijke taak de gapende tegenstellingen tussen het conservatieve verleden en de vooruitstrevende toekomst tot een synthese te verenigen. Het was intussen een ondankbare taak de eisen van de radicale arbeidersbeweging in overeenstemming te brengen met de burgerlijk-democratische instellingen en vooral met de particuliere eigendom van de productiemiddelen. De jonge republiek werd zowel van uiterst links als van uiterst rechts voortdurend aangevallen. Zij verdedigde zich zo goed zij kon. Misschien had zij zich kunnen handhaven en zich in de goede richting kunnen ontwikkelen, maar het internationale fascisme heeft deze ontwikkeling verhinderd. De politieke tegenstellingen tussen de rechtse en de linkse partijen deden zich spoedig ten volle gelden. De Cortes had de taak een nieuwe grondwet te ontwerpen. Belangrijke problemen kwamen daarbij aan de orde. Eenvoudige instellingen moesten worden opgeheven en er moesten wettelijke waarborgen voor de nieuwe staatsorganisatie worden geschapen. De macht van de kerk moest voor goed worden gebroken. Het vraagstuk van de verhouding tussen kerk en staat werd de eerste toetssteun voor de republiek. De kerk werd door de conservatieve partijen en ook door een deel van de gematigde republikeinen verdedigd. Een hardnekkige strijd voor of tegen de kerk begon in het parlement en werd op straat voortgezet.

De socialisten en linkse republikeinen eisten scheiding van kerk en staat, ontbinding van bepaalde kerkelijke orden en inbeslagneming van het vermogen van de kerk. De rechtse partijen en die van het midden waren tegen een dergelijk vergaand program. Zij beperkten zich er niet toe in het parlement de kerkelijke voorrechten te verdedigen, maar probeerden ook van buitenaf invloed uit te oefenen om hun opvattingen gehoor te verschaffen. Monseigneur Segura, aartsbisschop van Toledo en primaat van de Spaanse kerk, publiceerde een opruiend manifest tegen de vernieuwers.

Hij ontving een antwoord, dat hij niet had verwacht. Het volk zelf reageerde op de arrogantie van de aartsbisschop op zijn eigen directe en gewelddadige wijze. In de nacht volgende op de publicatie van de aartsbisschoppelijke oproep werden in Madrid kerken en kloosters in brand gestoken. De beweging tegen de kerken verspreidde zich als een lopend vuurtje over het gehele land. Op één enkele dag gingen honderden kerken en kloosters in geheel Spanje in vlammen op. Een mene-tekel voor de kardinaal. De vox populi bleek machtiger te zijn dan de stemmen van de geestelijken. De uitspraak van José Castillejos, dat de anarchisten vele kerken hebben vernietigd, maar dat eerst de geestelijkheid de Kerk had vernietigd, werd ook ditmaal bewaarheid.

De haat van het Spaanse volk tegen de kerk was niet nieuw. Deze haat valt niet steeds samen met het vrije denken. De kerk was naast de militairen het sterkste steunpunt van de monarchie. De inquisitie werd in Spanje pas in 1812 officieel afgeschaft. De jezuïeten hadden kans gezien ook na de ontbinding van hun orde vele miljoenen in ondernemingen te beleggen. Het grootste deel van de aandelen van talrijke banken en grote ondernemingen was in handen van de kerk of van haar stromannen. De kerk had van de staat jaarlijks 67,4 miljoen peseta’s ontvangen. De aartsbisschop van Toledo had een salaris van 600.000 peseta’s per jaar. Hij verdedigde de kerk als een wereldlijke instelling, zoals een zakenman zijn winstgevende onderneming verdedigt.

Bijzonder groot was de invloed van de kerk op het onderwijs, dat door de monarchie ernstig werd verwaarloosd. Bij het uitroepen van de republiek bezochten in Madrid 37.000 kinderen de staatsschool. Er waren in Spanje 44.000 particuliere scholen, die hoofdzakelijk onder leiding van religieuze orden stonden, en 45.000 kinderen kregen in het geheel geen onderwijs, omdat er voor hen geen scholen waren. De leider van de socialisten, de latere minister-president Largo Caballero, had pas op 23-jarige leeftijd lezen en schrijven geleerd. De anarchisten hadden een eigen schoolbeweging in het leven geroepen, die door de syndicalistische vakorganisaties werd gefinancierd.

Het reactionaire karakter van het Spaanse katholicisme was de wezenlijke oorzaak van de haat van het Spaanse volk tegen de kerk. Van de kerk profiteerden alleen de rijken, in de eerste plaats door de ondernemingen die zij met de kerk tezamen hadden en in de tweede plaats doordat de kerk het volk systematisch dom hield.

Onder de indruk van het verbranden van de kerken namen de Cortes een bemiddelingsvoorstel aan. De president van de republiek, Alcalá Zamora, die reeds onder de monarchie minister was geweest, ging het voorstel te ver en hij trad af. Met hem trok zich ook de conservatieve minister van binnenlandse zaken Maura terug. De vertegenwoordigers van de katholieke Baskenpartij verlieten de Cortes. Maar de linkse partijen en die van het centrum voelden zich sterk. Zij wisten, dat de grote massa van het volk nog veel linkser stond dan zijzelf.

Manuel Azaná, vertegenwoordiger van de republikeinse Unie, vormde een nieuwe regering. De republiek had onder de invloed van het volk en door het optreden van de staat een schrede naar links gedaan. Azaná werd minister-president.

Catalonië, aan de oostkust van het Pyreneese schiereiland gelegen, heeft zijn eigen tradities, zijn eigen geschiedenis en zijn eigen taal. Eeuwenlang was het land zelfstandig of vormde het met het koninkrijk Aragon een politieke eenheid. De Catalaanse kooplieden van de Middeleeuwen hadden macht en invloed in het westelijk deel van de Middellandse Zee. Het Catalaanse handwerk nam lange tijd in Spanje de eerste plaats in. Pas na de verovering van de nieuwe wereld door de Castilianen daalde de invloed van Catalonië. De katholieke koningen van Castilië lijfden Catalonië in bij het Spaanse rijk. Catalonië verloor het recht zelf munt te slaan en ook zijn eigen rechtspraak. Op de scholen in Catalonië mocht het onderwijs slechts in het Castiliaans worden gegeven. Deze toestand duurde enige eeuwen.

Het ontwakende nationalisme in de tweede helft van de vorige eeuw bracht het streven naar autonomie in Catalonië tot nieuw leven. Pi y Margall, president van de eerste republiek (1873), zelf Catalaan en grondlegger van het Spaanse federalisme, vertegenwoordigde de idee van een liberaal kosmopolitisme. Hij streefde de plaatselijke en regionale zelfstandigheid van alle delen van Spanje na en het stichten van een federatie van zelfstandige regio’s.

Aan het einde van de vorige en het begin van deze eeuw ontstond de Catalaanse beweging. De eerste Catalaanse organisatie was de regionalistische Liga. Zij werd gevormd in de kringen van het gezeten burgerdom en de beter gesitueerde middenstand. Haar doel was een zelfstandig Catalonië binnen het raam van de Spaanse monarchie. Op sociaal terrein verdedigde zij de burgerlijke orde. Van socialisme wilde zij niets weten.

In het begin van deze eeuw werd de linkse Catalaanse partij gevormd. Zij wortelde in de klasse van de pachters, de “Rabassaires”, en van de kleine burgers in de steden. Een van haar leiders was de overste Maciá. Behalve voor de zelfstandigheid van Catalonië kwam deze partij ook voor sociale hervormingen op. Het was een typische middenstandspartij met een programma voor sociale hervormingen. Om haar doel te bereiken schrok zij niet terug voor het gebruik van gewelddadige methodes. Zij verbond zich tijdelijk met de anarchisten om gemeenschappelijk verdedigingsmaatregelen te treffen tegen de onderdrukkingsmethoden van Madrid.

De anarcho-syndicalistische beweging van Catalonië stond niet op het standpunt van het Catalaanse nationalisme. Zij was socialistisch en internationalistisch ingesteld en streed op dezelfde wijze tegen de Catalaanse kapitalisten en onderdrukkers als tegen de Castiliaanse. De syndicalisten waren met hun geestverwanten in alle overige delen van Spanje in de c.n.t. georganiseerd en streefden op politiek gebied naar een Iberische federatie van vrije gemeenten. Toen de nationalisten de Catalaanse solidariteit organiseerden stelden de anarcho-syndicalisten van Catalonië er de arbeiderssolidariteit tegenover. Zowel de Catalaanse nationalisten als de anarcho-syndicalisten pasten de methode van de directe actie toe.

Gedurende de in het vorige hoofdstuk beschreven tragische week van Barcelona ontploften duizenden bommen, die grotendeels door de politie werden geworpen. De provocaties werden handig in elkaar gezet. De aanslagen werden meestal tegen eigenaren van fabrieken, zakenlieden e.d. gepleegd, waardoor men de indruk wilde wekken, dat zij van anarchisten uitgingen. Dat het om schandelijke provocaties ging, kwam ten slotte aan het licht.

De leider van de radicale partij was de Catalaan Lerroux. Hij was iemand die van optreden wist. Tegenover de pistoleros van de regering organiseerde hij zijn eigen pistoleros. Ten slotte groeiden de leden van zijn terreurorganisatie hem boven het hoofd. Zij noemden zich “jonge Barbaren” en traden vooral krachtig tegen de kerk op. In de bekende terreurweek van 1909 werden in Catalonië in vijf dagen 22 kerken en 43 kloosters in de as gelegd, waarbij de “jonge Barbaren” en niet de anarchisten de daders waren.

 

Na de scheuring in de beweging voor Catalaanse autonomie verloor de rechtervleugel aan invloed. De Catalaanse liga had ingestemd met de dictatuur van Primo de Rivera, omdat zij in hem een bondgenoot tegen de eisen van de arbeiders zag. Bij het proclameren van de republiek was de meerderheid van de Catalaanse autonomisten bij de linkse Catalaanse partij aangesloten.

Op 14 april 1931 had overste Maciá als leider van deze partij de republiek uitgeroepen. In Madrid aarzelde men op dit ogenblik nog daartoe over te gaan. De Catalanen waren geestdriftige Spaanse republikeinen, maar zij eisten de zelfstandigheid van Catalonië in het kader van de Spaanse republiek. In de Cortes hadden ernstige discussies plaats tussen de Castilianen en de Catalanen. Het slot was, dat de Cortes in september 1932 het “Catalaans Statuut” aannam, waarbij aan Catalonië zelfstandigheid binnen het raam van de Spaanse republiek werd verleend. Volgens dit Statuut had Catalonië recht op een eigen parlement, op zijn eigen taal, eigen rechtspraak, een president en onafhankelijke politie. De Catalaanse republiek constitueerde zich onder de historische naam “Generalidad”.

In september 1934 ontstond een ernstig conflict tussen Barcelona en Madrid. De aanleiding daartoe was een door het Catalaanse parlement aangenomen pachtwet, volgens welke alle twistpunten tussen landeigenaars en pachters in Catalonië uitsluitend door Catalaanse rechtbanken konden worden berecht, terwijl de beslissingen door de Catalaanse autoriteiten zouden worden uitgevoerd. De rechtbank tot bescherming van de republiek in Madrid verklaarde de wet ongeldig, omdat zij naar het oordeel van de Madrileense juristen het Spaanse gezag miskende.

Na het proclameren van de republiek was onder de naam “Estat Catalá” een nieuwe Catalaanse partij gevormd, die zich de volledige onafhankelijkheid van Catalonië ten doel stelde. De eerste president van Catalonië, overste Maciá was overleden. De nieuwe president was de advocaat Luis Companys, de leider van de linkse Catalaanse partij. Hij liet zich er door de “Estat Catalá” toe bewegen Catalonië volledig onafhankelijk te verklaren. Op 5 oktober kwam het tussen Madrid en Barcelona tot een volledige breuk. De Catalaanse militairen en manschappen

van de politie plaatsten zich in de straten van Barcelona tegenover de Spaanse militairen. Bij deze strijd in de straten van Barcelona werden de Catalanen overwonnen. De syndicalistische vakorganisaties en de anarchistische groepen hadden aan deze nationalistische strijd niet deelgenomen. Zonder medewerking van de anarcho-syndicalisten was echter iedere revolutionaire beweging in Catalonië tot mislukking gedoemd, daar alleen de anarcho-syndicalisten over de vereiste massa’s en over de revolutionaire ervaring beschikten, die in de strijd tegen Madrid noodzakelijk waren. Na de mislukte nationalistische opstand in Catalonië werden Companys en verscheidene van zijn geestverwanten gearresteerd.

Joaquin Costa kenmerkt in zijn werk over het collectivisme in Spanje het standpunt van de Spaanse landman over het agrarische probleem met de volgende woorden: “Het land is uitsluitend het werk van de natuur; daarom mag het geen particulier eigendom zijn.” Daarmee motiveert Costa zijn eis tot het collectieve bezit van de bodem.

De eigendomsverhoudingen op het land in Spanje hebben allerlei verschillende vormen. In het noorden van Spanje en in Catalonië zijn in hoofdzaak kleine boeren en pachters. In het centrum van Spanje bestaat naast vele kleine boerenhofsteden een groot aantal grootgrondbezitters. Maar hét land van de latifundiën, van de grootgrondbezitters is Andalusië. Dit oude cultuurgebied van Europa is vaak aangeduid als “het land zonder volk en het volk zonder land”. Dit woord wordt bevestigd door de eigenaardige in dit deel van Spanje heersende eigendomsverhoudingen. Het land is eigendom van een klein aantal Spaanse Grandes. De eigenaren kennen vaak hun eigen grondbezit niet. De Andalusische proletariër op het land heeft echter geen land. Hij leeft sedert eeuwen in armoede, ellende en onwetendheid.

De grondwet van Cadiz uit het jaar 1812 poogde het agrarische probleem in overeenstemming met de liberale geest van de tijd in individualistische geest op te lossen. Braakliggend land zou volgens de wet verkocht kunnen worden. “Geen vierkante meter grond”, zo stond het in de grondwet, “mag zonder eigenaar zijn”. Maar deze liberale wet werd na het herstel van het koningschap te niet gedaan en het agrarische vraagstuk bleef onopgelost.

In de tweede helft van de vorige eeuw werden de landproletariërs van Andalusië zich van hun menselijke waardigheid en daarmee van hun ellendige toestand bewust. Zij eisten grond en betere levensvoorwaarden. De honger dreef hen vaak tot vertwijfelde daden. Maar geen regering schonk hun gehoor.

In de meeste agrarische landen van Europa zijn na de Eerste Wereldoorlog meer of minder ingrijpende hervormingen doorgevoerd. Grootgrondbezit werd in percelen verdeeld en aan de bewoners zonder grond ter bewerking gegeven. Maar in Spanje veranderde niets. In Andalusië werden de sedert eeuwen bestaande eigendomsverhoudingen ongewijzigd gehandhaafd. De Spaanse Grandes behandelden de landarbeiders nog steeds als hun slaven. Het inkomen van de kleine boeren in Andalusië was niet hoger dan 160 peseta’s per jaar. De meeste adellijke grootgrondbezitters bezaten land in verschillende provincies en vaak stond het op verschillende namen ingeschreven. Daardoor was het niet gemakkelijk nauwkeurige statistieken over de verdeling van het land in Spanje op te stellen.

De adellijke grootgrondbezitters leefden in hun luxueuze paleizen in Madrid. Velen van hen hadden hun eigen bezittingen nooit gezien. Hun goederen werden door inspecteurs beheerd. Eens per jaar gingen de eigenaren in hun domein op jacht. Zij behoorden tot de groep uitverkorenen, waaruit de monarch zijn ministers, diplomaten en hoogwaardigheidsbekleders benoemde. Er waren landgoederen van 35.000, 50.000 en 80.000ha, waarvan slechts een gering gedeelte werd bebouwd. Het overige lag braak, terwijl de landarbeiders geen vierkante meter grond bezaten. Zij hadden in Andalusië zelfs geen moestuin achter het huis, geen varken en geen kippen. Dikwijls woonden zij als proletariër in een kleine stad, om met vrouw en kinderen naar het landgoed te gaan gedurende de tijd dat het land bewerkt moest worden. In grote ruimten sliepen dan honderden mannen en vrouwen op primitieve britsen. Het eten bestond uit watersoep met wat olie en brood en soms aardappelen. Na de oogst ging men naar de stad terug, waar men verscheidene maanden werkloos was. De werkloosheid was de periode van ellende en hongeropstanden.

De Spaanse landarbeiders koesterden de verwachting, dat de republiek hun toestand zou verbeteren. En nieuwe verdeling van het land was een van de meest dringende plichten van het nieuwe politieke regime. De Cortes en de republikeinse meerderheid behoefde met de monarchistische hovelingen geen rekening meer te houden. Een parlementaire commissie maakte een wetsontwerp, dat op 15 september 1932 door de Cortes werd aangenomen.

In Madrid kwam een instituut voor agrarische hervorming tot stand, dat in alle provincies een onderafdeling had. Het instituut had te beslissen in de vraag, welke landerijen onteigend en verdeeld zouden worden. In beginsel kon ieder braakliggend grootgrondbezit van meer dan 23 ha onteigend worden. De wet bevatte ook een paragraaf over de onteigening van adellijk grootgrondbezit zonder schadevergoeding. Het instituut beschikte over een jaarlijks budget van 50 miljoen peseta’s.

Met dit geld zouden kleine boerderijen worden gesticht, maar moesten ook de uitgaven van het instituut bestreden worden. Men rekende er op, dat jaarlijks 5000 boerderijen zouden kunnen worden gesticht. Op deze wijze zou het een eeuw hebben geduurd om een half miljoen boeren aan een bedrijf te helpen.

Een dergelijke agrarische hervorming was voor de landarbeiders een grote teleurstelling. De anarchisten en de onder hun invloed staande landarbeiderorganisaties voelden zich door deze wet geschokt. Zelfs Largo Caballero, de gematigde leider van de socialisten, vergeleek de wet met een aspirientje tegen een blindedarmontsteking. De ontevredenheid over deze wet was onder alle landarbeiders zeer groot.

De rechtse elementen daarentegen vonden de hervorming te radicaal. Zij spraken van het spook van bolsjewisme en anarchisme. Toen een jaar later in de nieuw gekozen Cortes de rechtse partij de meerderheid had, was haar eerste werk de bepaling over onteigening van het adellijke grootgrondbezit zonder schadevergoeding in te trekken.

De publicatie van de agrarische wet schokte in brede kringen van de boerenbevolking het vertrouwen in de republiek. Opnieuw braken stakingen en gewapende opstanden uit, evenals in de tijd van de monarchie. Daar de republiek hun geen land gaf, probeerden de landarbeiders het land langs de weg van de directe actie in handen te krijgen. De anarcho-syndicalisten riepen de landarbeiders op het land in bezit te nemen en collectieven in de geest van het vrijheidslievend communisme te stichten. De onrust op het land nam toe. In verschillende delen van Spanje werden pogingen ondernomen om een vrijheidslievend boerencommunisme door te voeren.

Van de grootste betekenis voor het lot van de republikeinse regering was de opstand in Casas Viejas, in de nabijheid van Jerez in Andalusië. In het begin van januari 1933 bereidden de anarchistische groepen in Barcelona een opstand voor. In samenhang daarmee zouden de anarchistische organisaties in Andalusië een solidariteitsstaking uitroepen. Deze staking vond niet plaats en ook de beweging in Catalonië stortte ineen.

In Casas Viejas daarentegen namen de landarbeiders de zaak ernstig op. Zij waren onvoldoende van de toestand op de hoogte. Overtuigd dat nu eindelijk het uur van de bevrijdende sociale revolutie was aangebroken, riepen zij in hun plaats het vrijheidslievende communisme uit. Het land, dat zij bewerkten was eigendom van de rijkste Spaanse grootgrondbezitter, de hertog van Medinacoeli. Het ging er de arbeiders zeer slecht. Door de agrarische hervorming hadden zij gehoopt een stukje land te krijgen, waarop zij een collectief bedrijf wilden vestigen. Maar zij kregen niets en hun ellendig leven werd in geen enkel opzicht verbeterd. De republiek had hun leven niet gemakkelijker gemaakt. Hun opstand was bedoeld om zichzelf de gerechtigheid te verschaffen, die de staat hun onthield. Seisdedos was een 70-jarige boer. Sedert jaren hing hij het anarchisme aan, dat voor hem een heilsboodschap was, zoals het evangelie voor de eerste christenen. Reeds lang geleden had hij in zijn dorp Casas Viejas een afdeling van de c.n.t. gesticht en hij las regelmatig de anarcho-syndicalistische pers. Hij achtte de dag voor de sociale revolutie gekomen. Op 9januari 1933 begaf hij zich met zijn zoons, zijn schoondochters en enige kameraden naar het gebouw van de Civiele garde (de Spaanse marechaussee). De boeren waren gewapend met enige jachtgeweren en deelden de Civiele garde mee, dat de sociale revolutie was uitgebroken. Hoog en laag bestond niet langer. Aan het tijdperk van slavernij en uitbuiting was een einde gekomen. Zij riepen de Civiele garde op zich met hen te verbroederen en aan de goede zaak deel te nemen.

De garde toonde geen begrip te hebben voor de wensen van de landarbeiders. Op bevel van hogerhand zou zij iedere opstand met geweld neerslaan. Zij wees de arbeiders af en dreigde een aantal hunner dood te schieten. De landarbeiders trokken zich in hun huizen terug. Spoedig kwamen versterkingen van de Civiele garde aan. De troepen trokken de woningen van de landarbeiders binnen, haalden ze leeg en staken ze in brand. Vijfentwintig huizen werden vernietigd, dertig landarbeiders werden in hun eigen huis levend verbrand. Ook de 70-jarige Seisdedos vond met zijn kinderen en kleinkinderen de dood in de vlammen.

Dit gruwelijke optreden van de Civiele garde verwekte een storm van verontwaardiging door het gehele land en de Cortes stelde een parlementaire commissie van onderzoek in. Het onderzoek wees uit, dat het bevel om de ontevreden boeren “te vuur en te zwaard” te onderdrukken, afkomstig was van de minister van Binnenlandse Zaken, Casares Quiroga en van de minister-president Manuel Azaña. De regering was gedwongen af te treden. Dit gebeurde in september 1932. In augustus 1932 vond in Sevilla een militaire putsch plaats. De in dienst van de republiek staande generaal Sanjurjo stelde zich aan het hoofd van een opstand van monarchistische officieren tegen de republikeinse regering. De opstand bleef tot Sevilla beperkt. De anarcho-syndicalistische vakorganisaties hadden met de algemene werkstaking gereageerd en zo de regering geholpen de monarchistische opstand neer te slaan.

In tegenstelling tot de gruwelijke strengheid, waarmee de op grond van gerechtvaardigde ontevredenheid in opstand gekomen landarbeiders door de regering waren gestraft, werden de reactionaire officieren van Sevilla met opvallende mildheid behandeld. Dit eigenaardige optreden van de republikeinse regering moedigde de monarchistische officieren aan zich op een grotere opstand voor te bereiden.

Het agrarische probleem kon niet worden opgelost door de opstand van de landarbeiders te onderdrukken. De Aguilar-uitgeverij in Madrid publiceerde kort na de gebeurtenissen in Casas Viejas een verzamelwerk over de oplossing van het landarbeidervraagstuk waarin politici van uiterst rechts tot uiterst links hun voorstellen bekend maakten. Diego Hidalgo, lid van de Cortes, keerde zich tegen het bebouwen van braakliggend land door boeren zonder grond. Hij verweet de regering niet de moed te hebben om de landarbeiders te verhinderen braakliggend land te bebouwen, zoals dit na het uitroepen van de republiek op vele plaatsen was voorgekomen. Diego Hidalgo eiste van de regering, dat zij de eigendomsrechten krachtig zou verdedigen.

Dr. Vallina, een van de beste kenners van het Andalusische agrarische probleem, kwam in hetzelfde boek tot geheel andere conclusies: “Wij anarchisten” - zo schreef hij - “stellen de onmiddellijke onteigening van het grootgrondbezit voor. Het is niet nodig de eigenaren schadeloos te stellen, omdat de meerderheid van de grootgrondbezitters in Andalusië het land op onrechtmatige wijze in hun bezit heeft gekregen. De landeigenaren behoren daarentegen de dagloners tot de eerste oogst het loon uit te betalen. Het land moet door de vakorganisaties van de landarbeiders blijvend onder de landarbeiders worden verdeeld. De vakorganisaties moeten de nieuwe boeren machines, gereedschappen, mest enz. verstrekken. Dit is de enig mogelijke oplossing voor het zo brandende probleem van het land in Andalusië.”

De regering volgde noch de raad op van de reactionaire Diego Hidalgo, noch die van de anarchist dr. Vallina. Zij hoopte een oplossing te vinden door een middenweg te bewandelen. Maar ook dat is niet gelukt. Het agrarische probleem bleef onopgelost.

Niet slechts de landarbeiders waren ontevreden. De industriearbeiders werden evenzeer door het verlangen bezield het socialisme te verwezenlijken. De socialistische u.g.t. was bescheiden in haar eisen. Zij stond onder invloed van haar parlementaire leiders, die de economische eisen van de arbeiders ondergeschikt maakten aan de parlementaire partijpolitiek. De anarcho-syndicalistische c.n.t. daarentegen had geen politieke bindingen. Haar leden stelden hun eisen, zoals zij die vroeger aan de monarchie hadden gesteld en gingen, indien de ondernemers weigerden, over tot staking, sabotage en zelfs tot de algemene werkstaking.

In januari 1932 was aan de bovenloop van de Llobregat in Catalonië een politiek-economische opstand uitgebroken. De anarcho-syndicalisten riepen in verschillende kleine plaatsen de algemene werkstaking uit als begin van de invoering van het vrije communisme. De revolutionaire beweging strekte zich uit tot de beide kleine steden Manresa en Berga. De syndicalistische organisaties van landarbeiders belasten zich met het beheer van de landgoederen, waarvan zij collectieve ondernemingen maakten. In de beide steden werd het gemeentebestuur afgezet. Een raad uit de vakorganisaties nam het gemeentelijk beheer op zich. De beweging breidde zich niet uit en de regering zond troepen naar het gebied van de opstand. Er ontstond een strijd tussen de arbeiders en de militairen. In korte tijd werden de arbeiders overwonnen en de bezitters in hun oude rechten hersteld.

De regering vond in deze opstand aanleiding om met alle machtsmiddelen van de staat tegen de anarcho-syndicalistische beweging op te treden. Een 120-tal deelnemers aan de opstand werd gearresteerd en naar Villa Cisnero, in Spaans Afrika, verbannen. Onder de gearresteerden bevonden zich talrijke bekende anarchisten uit Barcelona. Gedurende de gebeurtenissen in Casas Viejas in januari 1933 brak in Barcelona, Lerida en Valencia een algemene werkstaking uit. Het ging daarbij niet om loonsverhoging. Het doel van de actie was de sociale revolutie in te zetten, die sedert de tijd van de Eerste Internationale was gepropageerd. De regering trad energiek op. De staking werd onderdrukt. Duizenden anarcho-syndicalisten werden wegens deelname aan de opstanden gearresteerd en de c.n.t. werd verboden. Dit verbod kon echter niet worden doorgevoerd. De verboden organisaties zetten hun werkzaamheden voort. Enige maanden later organiseerde de verboden vakorganisatie van bouwvakarbeiders in Barcelona een algemene werkstaking in het bouwbedrijf, die vier maanden duurde en door de syndicalistische bouwvakorganisaties in Sevilla, Coruña, Zaragossa en Oviedo met solidariteitsstakingen werd ondersteund.

In januari 1933 deden de gevolgen van de economische wereldcrisis zich ook in Spanje gelden. De werkloosheid nam toe. De materiële positie van de arbeiders werd slechter. In de zomer en de herfst van hetzelfde jaar spitsten zich de politieke verhoudingen toe. De monarchisten en de klerikalen verzuimden niet de moeilijke economische toestand in de propaganda voor hun doeleinden uit te buiten. De kleine middenstand werd door de klerikalen, de betere middenstand door de monarchisten beïnvloed. De republikeinen en socialisten verloren in deze lagen van de bevolking een deel van hun aanhang.

De arbeidersbeweging ontwikkelde zich naar links. Talrijke socialistische vakorganisaties, met name in Madrid, werden door de communisten “veroverd”. Met de anarcho-syndicalistische vakorganisaties gelukte hun dit niet. Een syndicalistisch congres had besloten de communisten uit te sluiten. De syndicalisten waren de communisten niet alleen in aantal, maar ook in revolutionair élan en organisatorische discipline verre de baas. De leiding van de syndicalistische vakorganisaties was in handen van de Iberische Anarchistische Federatie (de f.a.i.). De anarchisten waren verbitterde tegenstanders van het staatscommunisme en maakten het binnendringen van de communisten in de syndicalistische organisaties onmogelijk.

Voor de Cortes werden nieuwe verkiezingen uitgeschreven. De anarchisten en syndicalisten propageerden, in overeenstemming met hun antiparlementaire tradities, niet aan de verkiezingen deel te nemen. De arbeiders waren ontevreden over de linkse partijen. De linkse regering van republikeinen en sociaal-democraten had tienduizenden opstandige arbeiders in de gevangenis gestopt. Nadat de republikeinen 2 1/2 jaar aan de regering waren geweest, hadden zij alle vertrouwen bij het volk verspeeld. De helft van het proletariaat was door de antiparlementaire propaganda van de anarcho-syndicalisten beïnvloed en nam aan de verkiezingen geen deel. Dit betekende een gevoelig verlies voor de socialisten en republikeinen. Aldus was de politieke situatie bij de verkiezingen in november 1933. De overwinning van Hitler in Duitsland had op de politieke gang van zaken in Spanje een zekere invloed uitgeoefend. Talrijke Spaanse politici wezen na de Rijksdagbrand in de Spaanse pers op de verhoudingen in Duitsland en op het gevaar van het fascisme. De vroegere Spaanse ambassadeur in Berlijn trok in een voordracht in Madrid over “De Duitse en de Spaanse republiek” een parallel tussen de beide landen. De linkse republikeinen waren door de tragedie in Casas Viejas zodanig gecompromitteerd, dat de sociaal-democraten het niet aandurfden met hen voor de verkiezingen een verbintenis aan te gaan. Dit kwam de rechtse partijen ten goede. Bij de eerste republikeinse verkiezingen voor de Cortes hadden de linkse republikeinen 120 zetels veroverd. Bij de verkiezingen in november 1933 kregen zij er slechts 6! De sociaal-democraten verloren de helft van hun zetels: zij vielen van 116 tot 58 terug. De radicaalsocialisten kregen geen enkele zetel. Zelfs de Catalaanse linkse partij verloor 28 zetels. Haar tegenstandster de rechtse Catalaanse Liga, versterkte haar positie.

Het verkiezingssucces van de rechtse partijen was voor een deel te danken aan de omstandigheid, dat zij een gemeenschappelijk verkiezingsblok hadden gevormd, terwijl de linkse partijen gescheiden aan de verkiezing deelnamen. Het verkiezingsstelsel van de republiek was zeer ten gunste van partijen, die zich tot een blok hadden verenigd. De rechtse partijen kregen in de nieuwe Cortes 207 zetels. Daarmee werden zij tot de doorslaggevende factor in het politieke leven. Aan het hoofd van de rechtse partijen stond de katholieke c.e.d.a. onder leiding van Gil Robles, een leerling van de jezuïeten. Kort voor de verkiezingen, in september 1933, had Robles zijn huwelijksreis naar Duitsland gemaakt, waar hij Hitler een bezoek bracht. Als een geestdriftig aanhanger van Hitler keerde hij naar Spanje terug. Zijn doel was het systeem van Hitler, toegepast op de Spaanse toestanden, in zijn vaderland door te voeren. Toen Hitler later de rooms-katholieke kerk bestreed, nam Robles Dollfuss tot voorbeeld. Hij wilde in Spanje een katholiek corporatisme naar het voorbeeld van het fascistische Italië invoeren.

De linkse regering werd dus opgevolgd door een rechtse. De nieuwe koers was echter niet monarchistisch. De monarchisten hadden bij de verkiezingen in november slechts 15 zetels veroverd. Toen de nieuwe Cortes bijeenkwam, beschouwde de rechtse meerderheid het als haar taak de in haar ogen radicaal lijkende wetten van haar voorgangster af te schaffen. De landarbeiders werden met geweld van het land verdreven, dat zij in de eerste jaren van de republiek waren gaan bebouwen zonder zich om eigendomsrechten te bekommeren. Het betrof uitsluitend braakliggende grond, die door de meestal in de steden woonachtige eigenaren niet in cultuur was gebracht. Alleen in Estremadura werden 19.000 mensen van de door hen in bezit genomen en door hen bewerkte grond verdreven. De grootgrondbezitters werden in hun rechten hersteld. Het budget voor het onderwijs werd verlaagd, de sociale wetgeving voor een deel ongedaan gemaakt, de wettelijke minimumlonen werden afgeschaft.

De reactie deed zich gelden op elk gebied. Ook op politiek gebied werd een rechtse koers gevolgd. Generaal Sanjurjo, die twee jaar tevoren wegens een monarchistische poging tot oproer in Sevilla veroordeeld was, kreeg zijn verdere straf kwijtgescholden. Daarmee gaf de republiek de monarchistische samenzweerders en oproerige generaals een vrijbrief voor het voorbereiden van nieuwe pronunciamientos1. In de hoop de sympathie van de arbeiders te winnen verleende de regering van Gil Robles ook amnestie aan tienduizenden anarcho-syndicalisten.

De anarchisten waren echter niet zo gemakkelijk te vangen. De linkse radicale vleugel van de arbeidersbeweging was niet bereid de reactionaire koers van de regering zonder verzet te aanvaarden. De anarcho-syndicalisten hadden aan de partijpolitiek niet deelgenomen. Bij de acties van de laatste jaren waren in vele delen van het land de anarcho-syndicalistische strijdgroepen ontwapend. Alleen in Aragon hadden zij het klaargespeeld zich wapens te verschaffen. Daarom begon hun nieuwe actie in Aragon.

Enige maanden na de reactionaire Novemberverkiezingen organiseerden de confederale organisaties in Aragon een opstand. In Zaragossa, de hoofdstad, werden barricades opgeworpen. De confederalen - zo noemden zich de anarcho-syndicalisten in Centraal- en Noord-Spanje - poogden de openbare gebouwen te bestormen. In de steden Huesca, Barbastro, evenals in kleine plaatsen in de aangrenzende provincie Rioja, is hun overrompeling ten dele gelukt. De opstandelingen maakten zich meester van openbare gebouwen, ontwapenden de plaatselijke politie, veroverden de slechts zwak bezette kazernes van de Guardia Civil en proclameerden het vrijheidslievende communisme.

De actie werd in vele delen van het land met algemene werkstakingen ondersteund. Alleen in Catalonië, waar de organisaties door vroegere acties verzwakt en geheel ontwapend waren, hadden geen solidariteitsacties plaats.

De regering kondigde voor het gehele land de staat van beleg af en stuurde naar het gebied van de opstand betrouwbare troepen met monarchistische generaals. In vier dagen werd de beweging in geheel Spanje neergeslagen.

Bij deze opstand dachten de anarchisten niet aan hogere lonen, maar stelden zij zich ten doel het kapitalisme af te schaffen en het socialisme in te voeren. In de loop van deze actie werden de fabrieken en andere ondernemingen door de arbeiders tot collectief eigendom verklaard. De ondernemers werden voor de keuze gesteld onder de nieuwe verhoudingen in hun bedrijven te blijven werken, met dezelfde rechten als de anderen, of het bedrijf geheel te verlaten. Een derde weg bleef er voor hen niet open. Velen verkozen medewerking. In ieder bedrijf werd door de arbeiders en de beambten een leiding gekozen. Aan het hoofd van de gecollectiviseerde bedrijven werden de confederale industrieorganisaties geplaatst.

De leiders van deze beweging waren er niet geheel zeker van, dat hun optreden blijvend succes zou hebben. Zij hielden zelfs rekening met de mogelijkheid van een nederlaag. Het was er hun hoofdzakelijk om begonnen zich de nodige ervaring te verschaffen door steeds nieuwe pogingen te doen, zodat het bij een volgende en definitieve opstand mogelijk zou zijn het gestelde doel te verwezenlijken.

Na de nederlaag van de beweging begonnen de vervolgingen. Niet minder dan 67 anarchisten hebben met de dood voor hun poging tot revolutie moeten boeten. In de strijd vielen 87 zwaar gewonden en werden 6000arbeiders gearresteerd. Deze getallen bewijzen hoe groot de betekenis van de opstand was geweest.

De actie had een merkwaardig naspel. Tegen de gearresteerden werd een groot proces georganiseerd. Maar dit kon niet plaatshebben doordat de gearresteerden vanuit de gevangenis met hun kameraden daarbuiten een actie voorbereidden om de processtukken te vernietigen. Deze kameraden slaagden er in bij verrassing en met volledig succes de processtukken te vernietigen. Het proces vond niet plaats.

Intussen kreeg de regering moeilijkheden van een zijde, waarvan zij die niet verwacht had. Er ontstond een conflict met de Basken. De partij van de Basken had 14 afgevaardigden in de Cortes. Bij de verkiezingen stonden de Basken, in overeenstemming met hun rooms-katholieke opvattingen, aan de kant van het rechtse blok. Gil Robles echter en zijn ‘Katholieke Actie’ waren verwoede centralisten, die geen begrip konden opbrengen voor het streven van de Basken naar autonomie. De Basken eisten bepaalde rechten en in de eerste plaats gemeentelijk zelfbestuur. In september1934 organiseerden zij gemeenteraadsverkiezingen, die door de regering in Madrid niet werden erkend. Dit gaf de afgevaardigden van de Basken in de Cortes aanleiding tot het voeren van obstructie. De rooms-katholieke c.e.d.a.-partij van Gil Robles maakte van de moeilijkheden van de regering gebruik om haar eigen partijdoeleinden te bevorderen. Haar doel was een fascistische dictatuur. In geheel Europa rukten de fascisten op. De Spaanse sociaal-democraten waren bevreesd, dat ook in Spanje de geestverwanten van Mussolini en Hitler door politieke manoeuvres en het gebruik van geweld de macht in handen zouden nemen. Toen de sociaal-democraten aan de regering waren, hadden zij de gelegenheid aangegrepen om hun partijorganisatie en hun vakorganisatie te versterken. De u.g.t. telde bijna evenveel leden als de anarcho

syndicalistische confederatie. Niettemin voelden zich noch de partij noch de u.g.t. sterk genoeg om alleen tegen de fascisten op te treden. Bij een ernstige gewapende strijd was het noodzakelijk op de anarcho-syndicalisten te kunnen rekenen, die in deze strijd de grootste ervaring hadden.

Met dit doel wendde de leider van de u.g.t., Largo Caballero, zich tot de c.n.t. om haar een Arbeiders-Alliantie tegen het fascisme voor te stellen. De syndicalisten wezen het voorstel af. Zij zagen er slechts een politieke manoeuvre in, die Largo Caballero gelegenheid zou geven de positie van zijn partij te redden. Daartoe wilden de syndicalisten zich niet lenen. Zij konden niet vergeten, dat het juist Largo Caballero was geweest, die als enige politicus van links aan de regering van Primo de Rivera had deelgenomen, waarbij het in de eerste plaats zijn oogmerk was de u.g.t. ten koste van de syndicalisten te versterken. Hij had het verbod van de syndicalistische organisaties goedgekeurd, teneinde de mogelijkheid te hebben de sociaal-democratische vakorganisaties te versterken. De syndicalisten wilden de strijd tegen het fascisme niet tot alleen een politiek spiegelgevecht verlagen. Daarom verklaarden zij, dat zij evenals in het verleden ook in de toekomst de reactie in iedere vorm en met alle wapenen zouden bestrijden, maar dat zij niet bereid waren politieke avonturiers in de stijgbeugel te helpen.

Toen de Cortes op 1 oktober 1934 bijeenkwam, zegden de rechtse partijen de regering het vertrouwen op. Het ministerie trad af. In opdracht van president Alcalá Zamora werd een nieuwe coalitieregering gevormd, waarvan ook de aspirant-dictator Gil Robles deel uitmaakte. Het was bekend, dat Gil Robles het voornemen had zich aan het hoofd van het ministerie van Oorlog te stellen om nieuwe verkiezingen voor te bereiden op dezelfde wijze als de nazi’s het een jaar eerder in Duitsland hadden gedaan. De sociaal-democraten wilden dit voorkomen. Zij hadden zich met de Catalaanse linkse partij verbonden. Op hetzelfde ogenblik zou in Madrid en in Barcelona een protestactie worden ingezet.

De beweging in Catalonië leidde, gelijk reeds in ander verband is vermeld, tot een volledige nederlaag. De Catalaanse president Señor Companys, tegelijkertijd leider van de Linkse Partij, organiseerde een opstand tegen Madrid en verbood tegelijkertijd de syndicalistische organisaties. Terwijl een deel van zijn Catalaanse veiligheidspolitie Madrid de opstand verklaarde, bezette een ander deel de gebouwen van de syndicalistische vakorganisaties. Op deze wijze kon er natuurlijk geen sprake zijn van succes in de strijd tegen Madrid. De Catalaanse arbeidersklasse had van de Catalaanse president een dolkstoot in de rug gekregen. Daarom dacht zij er niet aan, zich aan de zijde van de Catalaanse nationalisten te stellen. De Catalaanse opstand begon in de nacht van 6 oktober 1934. De volgende ochtend was de opstand reeds door de Spaanse troepen onderdrukt. Ten tweede male had Companys de bittere ervaring opgedaan, dat men in Catalonië zonder de anarcho-syndicalisten niets tegen Madrid kon beginnen.

Tezelfdertijd brak ook in Madrid een algemene opstand uit. Voor de eerste maal in de geschiedenis van het land ging de sociaal-democratie tot de opstand over. Daar de partij toen zij aan de regering was, de vele opstanden en revolutiepogingen van de syndicalisten steeds had veroordeeld, waagde zij het niet in naam van de partij tot algemene werkstaking en opstand op te roepen. Zij schoof de sociaal-democratische jeugd naar voren, alleen deze jeugd riep openlijk op tot opstand tegen de reactionaire regering. Daarmee wierp zij haar eigen beweging een remblok voor de voeten.

Bovendien bestonden er ook tegenstellingen in de partij. Onder de leiders had zich een verandering voltrokken. In de tijd van Primo de Rivera was de partijleider Indalecio Prieto tegen deelname van de sociaal-democratie aan de dictatoriale regering. Het lid van het partijbestuur Largo Caballero daarentegen trad in de regering en nam als staatsraad plaats aan de zijde van de dictatuur. Thans waren de rollen omgekeerd. Caballero was radicaler, Prieto gematigder geworden. De laatste was tegen de algemene werkstaking, de eerste was er voor. Caballero steunde op de sociaal-democratische u.g.t. waarvan hij voorzitter was. Ofschoon hij voor de opstand was, waagde hij het toch niet zelf op te treden. Gedurende de gehele staking en opstandige beweging bleef hij in huis, hetgeen hem in het later volgende proces een alibi verschafte. Niettemin had de sociaal-democratie bij het lukken van de opstand het grootste belang. Bij een succesvolle afloop zouden de leiders zich niet slechts als helden hebben laten huldigen, maar zouden zij ook weer tot de hoogste regeringsposten zijn opgestegen. Largo Caballero werd in deze tijd de Spaanse Lenin genoemd.

De syndicalisten in Madrid hadden zich bereid verklaard aan de opstand deel te nemen. Zij vormden onmiddellijk een revolutiecomité, dat zich met de gedelegeerden van het uitvoerend comité van de sociaal-democratische partij in verbinding stelde. De sociaal-democraten beklaagden zich er over dat de syndicalisten slechts in geringe mate aan de actie deelnamen. De syndicalisten verklaarden, dat zij tengevolge van de laatste revolutionaire acties geen wapens hadden. Zij verzochten de sociaal-democraten hun wapens te verschaffen. De sociaal-democraten wezen dit verzoek af, maar verklaarden tegelijkertijd dat hun eigen leden geen strijdgeest hadden en dat zij meermalen midden in de strijd de wapens in de steek lieten en er vandoor gingen. De syndicalisten poogden door hun kameraden in de kazernes in het bezit van wapens te komen. Maar tot een opstand in de kazernes kwam het niet.

De sociaal-democratische opstand werd slechts aarzelend ondernomen en kon daardoor geen succes hebben. Ondanks de grote hoeveelheid wapens, waarover de sociaal-democraten beschikten, stortte de actie ineen. De bekende sociaal-democraat Benavidez kenmerkte de toestand op treffende wijze met de woorden: “Op het land in Castilië, in Estremadura en Andalusië vrezen de leiders, dat de beweging te ver zou kunnen gaan. Wie zou in staat zijn de mensen tegen te houden, als de strijd ontketend is? Hoe zullen de door de honger gekwelde massa’s geremd kunnen worden, als zij eenmaal in beweging zijn?” De sociaal-democratische leiders wilden de fascisten verhinderen aan de macht te komen. Maar zij wilden geen sociale revolutie.

Zij wilden een middenweg volgen. Zij waagden het niet het geheel te aanvaarden. De opstand van Madrid van oktober 1934 was een halfslachtige onderneming. Daarom moest hij ineenstorten, nog voor hij volledig tot ontplooiing was gekomen.

Tegelijkertijd brak er een grotere opstand uit in Asturië. In de mijnstreken van Asturië was reeds eerder een overeenkomst tussen de anarcho-syndicalisten en de sociaal-democraten tot stand gekomen. Men vormde een strijdbroederschap, de zogenaamde u.h.p. (Unión de Hermanos Proletarios). De sociaal-democratische vakorganisaties hadden in Asturië 40.000, de syndicalistische 30.000 leden. De sociaal-democratisch georganiseerde mijnwerkers van Asturië waren radicaler dan hun kameraden in Madrid.

Het jaar 1934 was een jaar van sociale strijd. In februari waren in Wenen de sociaal-democratische arbeiders tegen Dollfuss in verzet gekomen. Er had een bloedige strijd plaats, die de arbeiders verloren. In dezelfde maand hadden de Vuurkruisers in Parijs een poging tot opstand ondernomen, die eveneens mislukte. In aansluiting aan deze gebeurtenissen ontstond in Frankrijk de volksfrontbeweging. In maart van hetzelfde jaar sloten in Asturië de sociaal-democratische en syndicalistische vakorganisaties hun revolutionaire alliantie. De tekst van hun overeenkomst was in de geest van het syndicalisme opgesteld. De voornaamste punten luidden:

“De u.g.t. en de c.n.t. zijn van oordeel, dat een gemeenschappelijke actie van alle arbeidersorganisaties in Spanje noodzakelijk is om tegenover hetgeen door de bourgeoisie op economisch en politiek terrein wordt nagestreefd, de doeleinden van de sociale revolutie te stellen. De beide organisaties verplichten zich tot de overwinning van de sociale revolutie in Spanje gemeenschappelijk te strijden. Zij streven naar een gemeenschappelijke orde, gebaseerd op economische, politieke en sociale gelijkheid en op de grondslag van het federalistische socialisme. Zij stellen een uitvoerend comité in, dat tot taak heeft een plan van actie voor de doorvoering van de sociale revolutie op te stellen. De overeenkomst blijft van kracht tot het gestelde doel, het stichten van een socialistische maatschappij, is bereikt. De sociaal-democratische unie van vakbonden verplicht zich de verkiezingsovereenkomst met de burgerlijke partijen te verbreken, teneinde zich uitsluitend, te kunnen wijden aan de verwezenlijking van het bovengenoemde doel.”

De vorming van een rechtse regering met Gil Robles aan het hoofd was voor de proletarische strijdbroederschap het signaal overeenkomstig de gesloten overeenkomst op te treden. Sociaal-democraten en syndicalis-ten gingen tegelijkertijd tot de opstand over, zonder op aanwijzingen van hun centrale organen te wachten. Onder de kreet “u.h.p.” gingen de arbeiders van Asturië tot een sociaalrevolutionaire actie over. De autoriteiten werden door de opstand verrast. Het gelukte de arbeiders de politie en de militairen van de provincie te ontwapenen. In alle plaatsen werden revolutiecomités ingesteld, die de plaats van de burgerlijke overheid innamen. In de wapenfabriek La Vega in Trubia namen de arbeiders 30.000geweren, talrijke mitrailleurs en grote hoeveelheden munitie in beslag. Er werd dag en nacht gewerkt om pantserauto’s te vervaardigen. Er werd een arbeidersmilitie gevormd. Vliegtuigen waren in de provincie niet aanwezig.

Ondanks het gemeenschappelijk programma van de proletarische strijdbroederschap bleek spoedig het verschil in optreden tussen de sociaal-democraten, de anarcho-syndicalisten en de enkele communisten, die er in Asturië waren. In plaatsen waar de anarcho-syndicalisten de meerderheid vormden, zoals in Felguera en Trubia, proclameerden zij onverwijld het vrijheidslievende communisme. De sociaal-democraten volstonden met een eigen plaatselijke overheid in te stellen en verder af te wachten wat het partijbestuur in Madrid zou voorschrijven. De communisten hadden in enige door de sociaal-democraten beheerste plaatsen vertegenwoordigers in het gemeentebestuur en waren er op uit de leuzen van de dictatuur van het proletariaat en van een rood leger populair te maken.

 

De radicaalste sociale veranderingen werden in de plaatsen met een syndicalistische meerderheid doorgevoerd. Felguera, een middelgrote stad met een wapenfabriek, was een centrum van de syndicalisten. De aard van de daar doorgevoerde veranderingen was een voorbeeld voor het optreden van de anarcho-syndicalisten in vele andere plaatsen van de provincie. In de steden werd een levensmiddelencomité ingesteld met gedelegeerden uit de verschillende stadsdelen. Dit comité stelde allereerst de broodbehoefte vast. Dagelijks werd per hoofd van de bevolking een halve kilogram brood uitgereikt en het comité liet een groot aantal broden meer bakken, opdat er aan dit belangrijkste levensmiddel geen gebrek was. Merkwaardig was de verachting voor goud. In Infiesta gaven de beambten van de banken het revolutiecomité vrijwillig de sleutels van de geldkasten en van de safes. Het comité opende echter geen enkele geldkast en raakte de safes niet aan. “Wij zijn niet gekomen om te roven”, verklaarden zij openlijk. “Wij willen een nieuwe, de socialistische maatschappij zonder geld invoeren, waarin geen armoede en dientengevolge ook geen op onrechtmatige wijze verzamelde rijkdom bestaat.”

In de industriële ondernemingen, fabrieken, elektriciteitscentrales, hoogovens enz. werd onder hoge druk doorgewerkt. Het ging om het maken van wapens voor de revolutie! De bezitters van de ondernemingen werden onteigend, maar konden als gelijkberechtigden in de bedrijven blijven werken. Men was in alle ernst een nieuw leven begonnen, dat in zijn consequenties de Russische revolutie verre overtrof. De staatsbureaucratie in de leiding van de fabrieken en in de gemeentebesturen werd afgeschaft. Het was een socialisme van onderop, gedecentraliseerd en federalistisch.

De beweging bleef tot Asturië beperkt. Zoals reeds meegedeeld waren de opstanden die kort tevoren in Catalonië en Madrid uitgebroken waren op de eerste dag ineengestort. Daarom was te voorzien, dat ook de opstand in Asturië zou worden neergeslagen. De arbeiders waren zich bewust van de vertwijfelde toestand waarin zij zich bevonden. Maar zij wisten ook wat hun na een overwinning van de reactie te wachten stond en waren vast besloten zich tegen iedere aanval te verdedigen. Spoedig stelde de regering haar machtsapparaat tegen Asturië in beweging. Zij riep generaal Franco van Marokko naar Madrid. Bij deze gelegenheid werd de naam van generaal Franco voor de eerste maal in het openbaar genoemd. De regering besloot het Spaanse vreemdelingenlegioen uit Marokko tegen de opstandige arbeiders in te zetten. Voor de eerste maal sedert eeuwen zouden de Moren op Spaanse bodem tegen Spanjaarden vechten! Een slagschip met Afrikaanse troepen koerste naar Gijón, de hoofdstad van Asturië. Uit het noordoosten, het westen en het zuiden trokken tegelijkertijd drie legercorpsen onder bevel van generaal López Ochoa Asturië binnen. De Afrikaanse troepen gingen op 7 oktober in de nabijheid van Gijón aan wal en verenigden zich met het westelijk legercorps.

De militaire expeditie beschikte over kanonnen en vliegtuigen. Daartegen konden de arbeiders zich niet verdedigen. Gijón moest zich op 10oktober overgeven. Op de 12de verenigden de legercorpsen uit het zuiden, westen en oosten zich. Op de 13de viel Oviedo in handen van de regeringstroepen. Felguera werd door de syndicalisten taai verdedigd en hield tot 18 oktober stand. In deze strijd viel José Maria Martinez, een in het gehele land bekende anarcho-syndicalist, die in Asturië zeer populair was.

In de strijd sneuvelden 3.000 arbeiders, er waren 7.000 gewonden. Na het neerslaan van de opstand woedde de reactie.

Het oude woord “wee de overwonnenen” werd opnieuw bewaarheid. Tienduizenden arbeiders werden naar gevangenissen of concentratiekampen overgebracht. Duizenden werden tot vele jaren gevangenisstraf veroordeeld. Toen de gebeurtenissen in Asturië in de Cortes ter sprake kwamen, eiste Gil Robles voor zijn partij de alleenheerschappij op. Hij wilde regeren naar Italiaans en Duits voorbeeld. Toen het parlement weigerde hem de machtiging te verlenen, organiseerde hij in het gehele land vergaderingen, waarin hij de Asturische arbeiders als barbaren afschilderde en het fascisme als de redding van het land voorstelde. De reactionaire pers in Madrid publiceerde berichten over de gruweldaden van de arbeiders gedurende de opstand. Men beschuldigde hen o.a. ervan de nonnen van een klooster in Oviedo te hebben verkracht. Verontwaardigd verklaarde de abdis van het klooster, dat haar nonnen niets was overkomen en dat zij gedurende de revolutiedagen de gewonden hadden verpleegd. Voorts verzekerde zij, dat de revolutionairen de nonnen met respect en volkomen behoorlijk hadden behandeld. Aan de andere kant echter waren de Moren en de soldaten van het vreemdelingenlegioen op vreselijke wijze tegen de bevolking opgetreden nadat zij het land hadden veroverd. Deze verklaringen van een waarheidlievende christin verzweeg de reactionaire pers. De linkse pers werd aan banden gelegd.

Het tijdvak van oktober 1934 tot de verkiezingen in februari 1936 werd in de linkse pers de tweede helft van het zwarte dubbeljaar genoemd. In april 1935, een half jaar na de opstand in Asturië, ontstond een nieuwe regeringscrisis.

Ook de nieuwe regering droeg een reactionair karakter, de rooms-katholieke c.e.d.a.-partij met fascistische doeleinden bezette vijf ministerzetels. Onder hen de leider van de partij, Gil Robles, die nu eindelijk deel van de regering uitmaakte.

De Agrarische Partij had twee en de gematigde Partij van de Radicalen drie ministers. Gil Robles eiste een wijziging van de grondwet, maar kon niet de daarvoor vereiste tweederde meerderheid verkrijgen. Toch werden voorstellen ingediend ten gunste van de kerk en voor het wederom invoeren van godsdienstonderwijs op de scholen. Ook werd een wijziging van de agrarische wet voorgesteld, die het wezenlijke van de agrarische hervorming weer ongedaan moest maken. Deze wetsvoorstellen waren zelfs in de ogen van de gematigde Partij van de Radicalen zo reactionair dat zij het niet aandurfden er voor te stemmen. Er ontstond onenigheid in de regering en Gil Robles stuurde nu met alle kracht aan op ontbinding van de Cortes. Hij hoopte de verkiezingen zodanig te beïnvloeden, dat hij in staat zou worden gesteld alleen uit zijn partij een nieuwe regering te vormen.

De economische toestand van het land werd slechter. Het aantal werklozen steeg tot een miljoen. De verarmde landarbeiders leden honger als nooit tevoren. Werklozenondersteuning was onbekend. De grootgrondbezitters lieten het land onbebouwd. Tienduizenden bezitters van werkvee, de zogenaamde Yunteros1 moesten hun dieren verkopen of slachten. De hoeveelheid bebouwd land en de veestapel gingen op catastrofale wijze achteruit. De financiën bevonden zich in een ellendige toestand. De corruptie in het openbare leven breidde zich uit. Aan de ontslagen officieren werd het volledige salaris uitbetaald. Iedere vroegere minister van de republiek had een pensioen van 10.000 peseta’s. Alleen de Radicale Partij telde 37 gepensioneerde ministers! De politiek was een winstgevende zaak. Geen wonder dat zoveel demagogen naar een plaats aan de staatsruif streefden. De minister van Financiën stelde een verlaging van de toelagen voor. De Cortes nam het desbetreffende wetsvoorstel aan, maar de wet werd nooit uitgevoerd.

In september 1935 was er een groot corruptieschandaal. Verschillende ministers hadden zich door een Nederlandse avonturier laten omkopen en het oprichten van speelclubs toegestaan. De aangenomen zoon van de minister-president Lerroux was bij dit schandaal betrokken. De katholieke ministers van de c.e.d.a. stonden er echter buiten. Nu meende Gil Robles, dat zijn tijd was gekomen. In de Cortes hadden stormachtige debatten plaats, die in december tot de val van de regering leidden. De president van de republiek waagde het nochtans niet de macht aan de leider van de fascisten over te geven. Hij droeg de onafhankelijke Portela Valladares op een nieuwe regering te vormen. Valladares kreeg in de Cortes slechts een zeer geringe meerderheid. Er was geen andere oplossing dan ontbinding van de Cortes en het houden van nieuwe verkiezingen. Deze laatste zouden op 16 februari 1936 worden gehouden.

De nieuwe verkiezingen werden onder politieke en psychologische hoogspanning voorbereid. Gil Robles speelde de rol van een Spaanse Hitler. Hij bralde, haalde zijn tegenstanders naar beneden en deinsde voor geen laster terug. Een positief program voor de oplossing van de grote sociale en economische problemen stelde zijn partij niet op. De punten van haar program waren herstel van de voorrechten van de grootgrondbezitters, begunstiging van de kerk en van de monarchisten. Achter het rechtse blok stonden de monarchisten, de Katholieke Actie, de grootgrondbezitters en een gedeelte van de middenstand.

Het linkse blok bestond uit de Links-Republikeinse Partij, de Republikeinse Unie, de socialisten en de communisten. Deze groepen vormden de volksfrontpartijen en hadden tot program de verdediging van de republikeinse instellingen en uitbreiding van de republikeinse grondwet. Daar kwam bij het belangrijke probleem van de amnestie voor de politieke gevangenen, waarvan het aantal tot 30.000 was gestegen. Tweederde daarvan waren anarcho-syndicalisten. De partijen van het Volksfront hadden de amnestie als een van de belangrijkste punten op hun program gezet. Dit had tengevolge, dat de anarcho-syndicalistische c.n.t. op een landelijke conferentie besloot ditmaal geen propaganda tegen de verkiezingen te maken. Weliswaar wilden de syndicalisten zelf geen kandidaten stellen maar zij lieten de beslissing om al dan niet op een van de linkse partijen te stemmen aan de leden van de c.n.t. zelf over. Het resultaat was, dat er 1.250.000 stemmen meer werden uitgebracht dan voorheen. Bij de vorige verkiezingen waren 11,25 miljoen stemmen uitgebracht, bij deze verkiezingen waren het er 12,5 miljoen. Het verschil werd grotendeels veroorzaakt door de stemmen van de syndicalisten.

De rechtse partijen verwierven ondanks hun demagogische verkiezingspropaganda slechts vier miljoen stemmen. De linkse partijen en die van het centrum kregen er 8,25 miljoen. De sociaal-democraten kregen als sterkste partij 89 zetels. Op hen volgden de links-republikeinen met 84zetels. De Republikeinse Unie, die eveneens van het linkse blok deel uitmaakte, kreeg 34 zetels. De deelneming aan het linkse blok maakte het de communisten mogelijk in de nieuwe Cortes met 14 afgevaardigden zitting te nemen. De gezamenlijke linkse partijen hadden een overweldigende meerderheid tegenover de rechtse partijen.

Geen van de linkse partijen was sterk genoeg om alleen de regering te vormen. Eenvormige richtlijnen konden de partijen van het Volksfront evenmin opstellen. Iedere partij hield vast aan haar eigen programma. Zelfs in de boezem van de afzonderlijke partijen bestond verschil van mening over de te volgen regeringspolitiek. Het grootst waren de tegenstellingen in de sociaal-democratische partij. Zij bestond uit een rechter en een linkervleugel en uit nog een speciale richting in het centrum. Rechts stond professor Besteiro. Hij was een tegenstander van elke poging tot revolutie.

In het centrum stond Indalecio Prieto, een gewiekste parlementariër uit Bilbao, die samenwerking met de linkse burgerlijke partijen verdedigde. Hij stelde voor de economische crisis op te heffen door een gematigde verdeling van het land en grote irrigatiewerken. Door zo’n politiek kon naar zijn mening aan de ellende van de landarbeiders een einde komen. De linkervleugel van de partij werd gevormd door Largo Caballero met zijn sociaal-democratische vakorganisaties. Hij hield vast aan de eis: Alle macht aan de sociaal-democratie! Hij was bijna 70 jaar en had het stoere karakter van de autodidact. Zijn vrienden noemden hem de Spaanse Le-nin; zijn tegenstanders gaven hem de spotnaam “Kerenski”.

Largo Caballero had niet de macht zijn standpunt door te voeren. De linkse partijen vormden een coalitieregering onder Casares Quiroga, een van de leiders van de links-republikeinen. Door het aftreden van Alcalá Zamora als president van de republiek brak een regeringscrisis uit. Zamora was een oude monarchist. Bij het aftreden van de koning in 1931 had hij als gevolmachtigde van de monarchie de staatsmacht in handen genomen. Bij de nu volgende linkse koers genoot hij niet meer het vertrouwen van de meerderheidspartijen. Ook de rechtse partijen waren ontevreden over hem, omdat hij enige maanden tevoren had geweigerd de vorming van een nieuwe regering aan Gil Robles op te dragen. Met Alcalá Zamora verdween een van de grootste symbolen van het oude regime. De republiek had een schrede naar links gedaan.

Voor de rechtsen was iedere kans verloren spoedig en langs wettige weg aan de macht te komen. Zij gaven echter de hoop op een spoedige verandering niet op. Spanje is niet voor niets het land van de pronunciamientos. Politieke samenzweringen tegen de bestaande staatsmacht vormen aan de andere zijde van de Pyreneeën een traditie.

Bij de verkiezingen in februari trad voor de eerste maal een nieuwe partij op. Het was de in 1932 door de zoon van de vroegere dictator Primo de Rivera gestichte Falange Española. Zij had bij de verkiezingen niet veel succes. Alleen haar leider, de jeugdige Rivera, werd naar de Cortes afgevaardigd.

De falanxpartij beperkte zich niet tot verkiezingspropaganda. Zij gebruikte geweld als politiek strijdmiddel. Achter haar stonden de geldmagnaten. De partij had personen en vrachtauto’s, machinegeweren en andere wapenen. Zij begon in Andalusië, maar vestigde spoedig haar zetel in Madrid. Haar vrachtauto’s doorkruisten de straten van de hoofdstad en terroriseerden de politieke tegenstanders. Daarbij werd gebruik gemaakt van revolvers, bommen en zelfs van machinegeweren. De falangisten beroemden zich er op de anarchisten in gewelddaden te overtreffen. Daar was wel iets van waar. Voor de anarchisten was het geweld een middel, voor de falangisten was het doel. Zij hadden een voorbeeld in het Italiaanse fascisme en het Duitse nationaal-socialisme. Aanvankelijk waren er verscheidene zelfstandige groepen, die zich in 1934 verenigden in het comité van het nationaalsyndicalistisch offensief (j.o.n.s.). Deze naam was uit berekening gekozen. De Spaanse syndicalisten vormden sedert tientallen jaren het strijdende element in het sociale leven van het land. De naam “nationaalsyndicalisten” werd gekozen om aanhang onder de syndicalisten te vinden, zoals Hitler had geprobeerd met de naam “Nationaal-Socialistische Arbeiderspartij” onder de Duitse arbeidersklasse aanhang te krijgen.

Dat de communisten bij de verkiezingen 14 zetels konden veroveren was te danken aan hun samenwerking met de linkse partijen. Het was een verrassing, dat de communistische partij toentertijd 3.000 leden telde. Pas een paar maanden na de verkiezingen, toen een deel van de sociaal-democratische jeugdorganisaties met de communistische jeugd fuseerden, kreeg de communistische partij onder de arbeidersjeugd een grotere invloed.

In het Spaanse leger waren talrijke aanhangers van de monarchie en vele bewonderaars van Mussolini en Hitler. De monarchistische en fascistische elementen in het leger vormden een Militaire Unie, waarbij zich ook de carlisten en de traditionalisten aansloten. Deze officiersverenigingen bereidden zich in alle ernst op een militaire staatsgreep voor. Hun leider was Francisco Franco, die zich bij het neerslaan van de opstand in Asturië had onderscheiden.

De Militaire Unie van de officieren en de falangisten besloot tot een samenzwering. Ook de monarchisten en bepaalde elementen van de katholieke c.e.d.a.-partij namen hieraan deel. De politieke leider van deze groep was

Calvo Sotelo, die onder de dictatuur van Primo de Rivera minister van Financiën was geweest en die door de monarchisten naar de Cortes was afgevaardigd.

In de zomer van 1936 kwam de politieke toestand in Spanje overeen met die in Duitsland aan het einde van 1932. De werkloosheid was zeer groot en de ellende nam steeds toe. De syndicalisten organiseerden onafgebroken kleine en grote stakingen. Op 1 mei 1936 kwam in Zaragossa een syndicalistencongres bijeen. Na het vrijlaten van tienduizenden van haar gevangenen had de syndicalistische beweging een hoge vlucht genomen. Uit alle delen van Spanje begaven de gedelegeerden zich met vrachtauto’s naar het congres. Een miljoen arbeiders waren er vertegenwoordigd. De syndicalisten waren bereid de beslissende slag tegen kapitalisme en reactie te leveren. Zij wilden de sociale revolutie en het vrijheidslievende socialisme. De meningsverschillen uit het verleden werden ter zijde gesteld. De radicale en de gematigde elementen verenigden zich. Het congres versterkte de sociaalrevolutionaire doeleinden van de anarcho-syndicalistische organisatie. Door de talloze revolutionaire opstanden hadden de anarcho-syndicalisten een rijke ervaring opgedaan, die hun in de spoedig komende strijd van grote dienst zou zijn. Het congres verzuimde niet zich zeer beslist te stellen tegenover het Russische communisme. Het sprak zich uitdrukkelijk uit tegen de dictatuur van het proletariaat.

De linkervleugel van de sociaal-democratie had de methodes van de anarcho-syndicalisten overgenomen. De gebeurtenissen in Asturië hadden op de sociaal-democratische vakbeweging een diepe indruk gemaakt. Grote delen van de u.g.t. waren bereid op de barricade aan de zijde van de anarcho-syndicalisten te strijden.

Largo Caballero belegde tijdens het syndicalistencongres een vergadering in Zaragossa. De syndicalisten waren in hun wantrouwen tegenover Largo Caballero niet veranderd. Zij waren bereid voor het socialisme te strijden, maar niet om zich voor de wagen van parlementaire afleidingsmanoeuvres te laten spannen. De socialistische jeugd had verklaard, dat zij bij een staatsgreep van rechts aan de zijde van de syndicalisten de wapenen zou opnemen.

De arbeidersbeweging organiseerde intussen geen aanvallen. De linksen hadden bij de verkiezingen gezegevierd. Het ging er thans om deze overwinning te verdedigen en de aanvallen van rechtse samenzweerders af te slaan. De syndicalisten hadden op hun congres in Zaragossa een verdedigingsorganisatie ingesteld, die haar zetel had in Madrid. Zij wilden zich niet door een staatsgreep laten verrassen.

De rechtse partijen verklaarden min of meer openlijk, dat zij hun nederlaag bij de verkiezingen niet zonder meer zouden aanvaarden. Naar hun mening kon het niet blijven zoals het was. De vertegenwoordigers van de Militaire Unie en van de falangisten, evenals de aanhangers van Gil Robles en Calvo Sotelo hadden contact gelegd met de Italiaanse fascisten en de Duitse nationaal-socialisten. Mussolini en Hitler beloofden Franco militaire hulp. De generaal beschikte over grote delen van het Spaanse leger. De katholieke partij werd geïntimideerd. Een groot deel van de middenstand was voor de “Vernieuwingspartij”.

De draad van de samenzwering lag in handen van de vroegere minister van Financiën Calvo Sotelo. De in zijn dienst staande falangisten hadden in het begin van juli in Madrid een lid van de sociaal-democratische jeugdorganisatie doodgeschoten. De partijgenoten van het slachtoffer organiseerden een daad van vergelding. Zij hadden het op Calvo Sotelo, het hoofd van de fascistische samenzweerders gemunt. De aanslag was goed voorbereid. Sotelo viel op de 13de juli als slachtoffer van een aanslag. Dat was het signaal voor de fascisten om te beginnen. Op 15juli verliet generaal Franco de Canarische eilanden, waar hij als generaal van de republikeinse troepen was gestationeerd. De volgende dag brak onder zijn leiding de opstand in Marokko uit. Twee dagen later brak de strijd uit in geheel Spanje.

Was het slechts een militaire pronunciamiento, waaraan de geschiedenis van Spanje zo rijk is? Neen, het was het begin van een burgeroorlog, die drie jaar zou duren. Het was het voorspel van de Tweede Wereldoorlog.

4

 

De 19de juli 1936

 

De 19de juli 1936 is een dag van grote historische betekenis voor het Spaanse volk. De juligebeurtenissen aan de andere zijde van de Pyreneeën plaatsten de Europese politiek voor nieuwe problemen. Sedert het begin van de twintiger jaren was de reactie in de opmars. In Italië, Roemenië, Duitsland en Oostenrijk heerste dictatuur. De socialistische en communistische arbeidersbeweging was in geen van deze landen in staat gebleken het oprukken van het fascisme tegen te houden. Zonder strijd hadden zij de politieke vrijheden en de sociale veroveringen prijsgegeven, die in een halve eeuw van zware strijd waren verkregen. De Spaanse arbeidersbeweging werd op grond van haar sterk anarchistische grondslag als achterlijk beschouwd. Zouden ook de Spaanse anarchisten zich zonder verzet in hun lot schikken, zoals de Duitse communisten en sociaal-democraten dit hadden gedaan? Op deze beslissende vraag gaf de 19de juli het antwoord.

Begin juli reisde ik van Parijs naar Barcelona. Op uitnodiging van de syndicalistische vakorganisaties zou ik op een vredesmeeting spreken. Tegelijkertijd zou in Barcelona de internationale volksolympiade plaatsvinden. Het kwam noch tot een meeting, noch tot een olympiade. Het tragische schouwspel van bloed en heldhaftige strijd trad in de plaats van vreedzame olympische spelen.

De aanslag op Calvo Sotelo had in geheel Spanje een koortsachtige stemming veroorzaakt. De rechtse partijen beschuldigden de republikeinse veiligheidsgarde bij de aanslag betrokken te zijn geweest. De linkse partijen wezen er op dat de neergeschoten leider van de fascisten een lijst met namen van talrijke linkse politici en arbeidersleiders in de zak had, die vermoord zouden worden. De fascisten hadden op zich genomen deze politieke moorden te plegen. Op de lijst stond voor de namen van degenen, die reeds waren vermoord een rood kruis. Er werd een staatsgreep van rechts verwacht. De arbeiders stond het lot van de Duitse en de Oostenrijkse arbeidersbeweging als afschrikwekkend voorbeeld voor ogen. De syndicalistische vakorganisaties in Barcelona stonden met het geweer aan de voet.

De aanslag tegen Calvo Sotelo vond plaats op 13 juli. Van 14 tot 18 juli zagen de lokalen van de vakorganisaties in Barcelona er uit als rekruteringsbureaus. Strijdeenheden werden georganiseerd, verdedigingscomités in alle wijken gevormd, wapens verdeeld en parolen uitgegeven. De anarchistische federatie had met de republikeinse officieren en manschappen van het leger en van de verschillende politie- en veiligheidscorpsen contact gelegd. De arbeiders slaagden er in honderden legergeweren te bemachtigen. Er werden colonnes gevormd voor het opwerpen van barricades. Een comité voor een algemene werkstaking trof voorbereidingen voor het volledig neerleggen van de arbeid. In de straten en wijken van Barcelona stonden tienduizenden gereed op de eerste oproep hun plaats op de barricades in te nemen.

Nog wandelt het publiek zorgeloos en schertsend op de Ramblas. Het is zaterdagavond. In de dicht bevolkte straten van de benedenstad wemelt het van de mensen.

De nacht valt in. De burgers leggen zich ter ruste. Maar de arbeiders denken in deze nacht niet aan slapen. Zij komen bijeen in de lokalen van hun vakverenigingen en wachten de parolen af. Hun geestverwanten in de kazernes hebben hun meegedeeld, dat de tekenen er op wijzen dat de generaals voor deze nacht iets in de zin hebben. Om 5uur des ochtends weerklinken de eerste schoten. De strijd ontbrandt en ditmaal is het ernst. De fascisten zijn hun staatsgreep begonnen. De generaals staan op tegen de republiek. Zij willen de door het volk gekozen regering ten val brengen, de grondwet buiten werking stellen en een autoritaire regering aan het bewind brengen.

Maar het volk is waakzaam. Aan de zijde van het volk staat het grootste deel van de “Guardia de Asalto” (stormgarde), een onderdeel van de politie van de republiek, voor het grootste deel gevormd uit jonge arbeiders, ter verdediging van de grondwet. Op de oude “Guardia Civil” (burgerlijke garde, een soort marechaussee) kan het volk niet vertrouwen. Zij hangt de huik naar de wind. Zij zal een afwachtende houding aannemen om zich vervolgens aan de zijde van de overwinnaars te scharen. De Catalaanse veiligheidspolitie staat aan de kant van het volk, maar is geen strijdbare eenheid. De manschappen van het leger daarentegen zijn voor een deel beïnvloed door de antimilitaristische propaganda van de anarchisten.

’s Ochtends om 6uur bezetten de troepen onder generaal Garcia Burriel verschillende strategisch belangrijke punten van de stad. Op de Avenida de las Cortes, op het Universiteitsplein, op de Marqués del Duerostraat stonden regimenten cavalerie, op de Plaza de Cataluña, in het centrum van de stad, in het militaire Casino en in het telefoongebouw was infanterie gelegerd. Van daaruit zouden de troepen langs de brede Ramblas naar de haven oprukken. Een regiment artillerie beweegt zich langs de Icariaweg in de richting van het regeringsgebouw. Lichte artillerie trekt door de Clarisstraat naar het hoofdbureau van politie. Behalve de officiële gebouwen zijn de lokalen van de vakbeweging het onmiddellijke doel van de militaire operatie. De gehele militaire bezetting van Barcelona staat aan de kant van de opstandelingen.

Maar de arbeiders wachtten niet tot ze door de militairen uit hun lokalen worden gehaald. Zij stelden zich op de straten tegen hen op. De aan de republiek trouw gebleven politietroepen verbroederden zich met de arbeiders. Ieder betrok zijn post. Op alle kruispunten werden barricades opgericht. Spoedig begon de tegenaanval van de anarchistische strijdgroep. Onder de kreet “Leve de f.a.i.!”1 komt uit een zijstraat een met revolvers gewapende stoottroep tegenover een artilleriecolonne te staan. In een strijd van man tegen man kan van de kanonnen geen gebruik worden gemaakt. Na een korte strijd vallen drie kanonnen in handen van de anarchisten. Met pistolen tegen kanonnen!

Het voorbeeld herhaalt zich in alle andere delen van de stad. Op de Plaza de Cataluña gingen de arbeiders met blote handen de troepen tegemoet. Kanonnen en machinegeweren vallen in hun handen. Na enkele uren beschikken de strijdgroepen van de f.a.i. over kanonnen, machinegeweren en Mauser-geweren. Het begin van de strijd was weinig bemoedigend voor de opstandige generaals. De Guardia Civil voorziet een noodlottige afloop van de militaire staatsgreep en kiest de zijde van het volk. Het moreel van de troepen zakt, de aanvalsgeest van de verdedigers wordt sterker. Het lokaal van het syndicaat van de houtbewerkers werd bij verrassing door het leger bezet. Talrijke syndicalisten werden gevangen genomen. De leden van de organisatie bestormden hun lokaal, bevrijdden de gevangenen en arresteerden de troepen. Drie machinegeweren vielen in handen van de arbeiders.

Voor het universiteitsgebouw is de toestand kritieker. De troepen hadden machinegeweren opgesteld en beheersten het grote plein voor het gebouw. Het plein oversteken betekende zich blootstellen aan het vuur van de machinegeweren. Maar er is geen andere mogelijkheid. De arbeiders vallen aan. Velen hunner sneuvelen. Maar het plein wordt veroverd. Guardia Civil en Guardia de Asalto nemen aan de aanval deel. De universiteit valt in handen van het volk. Talrijke wapens worden buit gemaakt.

Vanuit het Karmelietenklooster in de Diagonale en vanuit een klooster in de Clarisstraat wordt met machinegeweren op de arbeiders geschoten. De clerus vecht tegen het volk. Veel arbeiders worden dodelijk getroffen. Dat is dus de opvatting van de priesters over het vijfde gebod. “Gij zult niet doden”, zeggen de arbeiders. Na de overwinning beantwoorden zij het optreden van de priesters met het in brand steken van talrijke kerken en kloosters.

Op de Plaza de Cataluña wordt zwaar gevochten. Ook hier gaan de arbeiders tot de aanval over. De anarchisten zoeken dekking achter lantaarnpalen, bomen en op de hoeken van de straten. Sprongsgewijze rukken zij op van boom tot boom tot dicht bij het telefoongebouw. Eindelijk verschijnt een groep van de f.a.i. met de aan de Icariaweg veroverde kanonnen. Na de eerste voltreffers geven de troepen de strijd op. De telefooncentrale is in handen van het volk. Onmiddellijk daarna worden de fascistische rebellen door de strijdende arbeiders verjaagd uit de militaire academie, de Jachtclub en uit de hotels Colón en Ritz.

In de loop van de dag hadden de opstandige generaals bijna alle in de ochtend bij verrassing bezette posities verloren. De aanvallers hadden zich het initiatief laten ontnemen. De anarchisten waren tot de tegenaanval overgegaan. Het volk zegevierde over de militairen, het enthousiasme over de routine, de zaak van de vrijheid over de duistere plannen van de fascisten.

Maar de strijd gaat voort. Generaal Goded, bevelhebber van de IVde divisie, begaf zich per vliegtuig van de Balearen naar Barcelona om de opstand te leiden. Hij sloeg zijn hoofdkwartier op in de militaire commandatuur. De arbeiders richten hun kanonnen tegen het machtige gebouw, het bolwerk van de fascisten, het centrum van de militaire opstand. Een schot door een balkondeur doet verscheidene officieren vallen. Op de straat bedienen arbeiders en leden van de stormgarde de kanonnen. Generaal Goded ziet in dat het nutteloos is de strijd voort te zetten en geeft zich met de generale staf over. Wanneer hij als gevangene de treden van het hoofdbureau van politie oploopt, heft hij zijn vuist bij wijze van groet. Maar ook dat kan hem niet redden. Door de radio spreekt hij zijn ondergeschikten toe en verlangt dat zij de wapens zullen neerleggen. Later werd hij door een militaire rechtbank ter dood veroordeeld.

In de kazerne Maestranza, in de havenbuurt Atarazanas, verdedigen zich de laatste militaire opstandelingen. Tegenover de kazerne is de zetel van de syndicalistische metaalbewerkers. Van daaruit gaat een stormcolonne tot de aanval over. Aan de linkerkant, in de nabijheid van de haven, staat het gedenkteken voor Columbus met

een uitkijktoren. Bovenin hebben de fascisten mitrailleurs opgesteld, die de aanvallers beschieten. Maar in de militaire vlieghaven heeft de commandant Diaz-Sandino zich met zijn manschappen aan de zijde van het volk geschaard. Vliegtuigen nemen deel aan de strijd. Verschillende bommen vallen vanuit de vliegtuigen op de belegerde kazerne. Ten slotte bestormen de arbeiders de kazerne. Een Catalaans gemeenteraadslid sneuvelt aan de zijde van zijn zoon, kort daarna sneuvelt ook de zoon. Francisco Ascaso, de beroemde anarchist, die enige jaren tevoren de aartsbisschop van Zaragossa had doodgeschoten, sneuvelt eveneens. De overwinning wordt duur gekocht, maar de kazerne wordt veroverd. Daarmee is het laatste steunpunt van de fascisten in handen van het volk gevallen.

In drie dagen was de militaire opstand in geheel Barcelona neergeslagen. De anarcho-syndicalisten hadden over de fascisten, de revolutionaire arbeiders over de reactionaire generaals gezegevierd. Boven de oude havenstad aan de Middellandse Zee wapperde de zwartrode vlag van de Spaanse anarchisten.

Enkele dagen later waren de fascisten in geheel Catalonië verslagen.

Maar niet in alle provincies van Spanje had de strijd een zo gelukkig verloop als in Catalonië.

In Sevilla had de reactionaire generaal Queipo de Llano overwonnen. Franco had zich in Marokko verschanst. Het Spaanse vreemdelingenlegioen, het zogenaamde Tercio, stond aan zijn zijde. Onder de Moren wierf hij nieuwe soldaten aan, die per schip Sevilla konden bereiken.

Door tussenkomst van het hoofd van de Duitse spionagedienst, admiraal Canaris, die met generaal Franco bevriend was, zond Göring meer dan 20transportvliegtuigen naar Afrika waarmee de troepen van het Spaanse vreemdelingenlegioen naar Spanje werden overgebracht.

Ook in Burgos, Salamanca en Estremadura werd de militaire opstand met succes bekroond. In Zaragossa, de hoofdstad van Aragon, had het garnizoen met generaal Cabanella aan het hoofd, de stad overmeesterd. De anarchisten boden krachtig verzet, maar doordat zij niet gewapend waren, moesten zij het tegen de troepen afleggen.

Na hun overwinning op de militaire rebellen in Catalonië bereidden de anarcho-syndicalisten van Barcelona een expeditie voor tegen de fascisten in Aragon. De syndicalistische vakorganisaties van de hoofdstad van Catalonië stelden 13.000 vrijwilligers beschikbaar. De p.o.u.m.1 leverde 3.000, de sociaal-democraten 2.000 strijders. De communisten schitterden door afwezigheid. Hierbij kwamen 4.000 man van de Guardia Civil en van de Guardia de Asalto.

Het vertrek van deze expeditie met geïmproviseerde tanks en veroverde kanonnen uit Barcelona was het begin van de burgeroorlog. In de vroege ochtend van donderdag 23 juli trok de colonne onder leiding van de bekende anarchist Buenaventura Durruti naar Aragon.

Op dezelfde dag besloot de c.n.t. de algemene werkstaking in Catalonië op te heffen. De fascisten waren overwonnen en overal werd de arbeid hervat.

Na de overwinning van het volk in Barcelona gaven de garnizoenen in alle overige plaatsen van Catalonië de strijd op. De colonne van Durruti stuit in de Catalaanse provincies nergens op verzet. Zij dringt door tot in Aragon. Voor Huesca moet zij halt houden.

De dagen van de eerste geestdrift zijn voorbij. Er volgen weken, maanden en jaren van harde arbeid, taaie volharding, ernstige ontberingen. Een oude wereld van knechtschap stort ineen. Aan de horizon gloeit het morgenrood van vrijheid en sociale rechtvaardigheid.

De strijd in Madrid werd op 20 juli beslist. Tot op het laatste ogenblik had de regering geaarzeld het volk wapens te geven. Uit vrees voor de revolutie van het volk begunstigde zij de opstand van de reactie.

Alarmerende berichten komen uit de naburige provincies binnen. In Toledo, Alcalá de Henares, Guadalajara en in andere plaatsen waren de troepen tegen de republiek in opstand gekomen.

Op de ochtend van de 19de juli verzamelden zich op de Puerto del Sol in Madrid grote volksmassa’s. Zij bestaan grotendeels uit anarcho-syndicalisten of “geconfedereerden” zoals ze in Madrid gewoonlijk genoemd worden. De bouwvakarbeiders van de c.n.t. zijn al vele weken in staking. De regering had de staking onwettig verklaard. De lokalen van de syndicalistische vakorganisaties waren door de politie gesloten. Tegenover het dreigende fascistische gevaar hadden de syndicalisten een betoging georganiseerd. Zij eisten de heropening van hun lokalen. De regering volhardde in haar weigering, de lokalen bleven onder bewaking van de politie. De demonstranten doorbreken het voor de lokalen opgestelde politiekordon, zij openen hun lokalen zonder toestemming van de regering. Tegenover het veel groter dreigende gevaar van een militaire opstand van de fascisten waagt de regering het niet de Confederatie uit te dagen.

Het revolutionaire verdedigingscomité van de Confederatie verlangde van de minister van Binnenlandse Zaken, Juan Moles, de bewapening van het volk. De geconfedereerden waren bereid hun leven in te zetten voor de verdediging van de republiek. De minister verklaarde, dat de regering het volk niet kon bewapenen, omdat zij daarmee de revolutie zou inluiden. Door het volk niet te bewapenen luidt zij het fascisme in. Juan Moles durfde noch de zijde van het leger, noch de zijde van het volk te kiezen. Hij onttrok zich aan zijn verantwoordelijkheid door naar het buitenland te vluchten.

De berichten uit het gehele land volgen snel op elkander. Sevilla, Cádiz, Córdoba, Las Palmas en Marokko zijn in handen van de militaire rebellen. Er moet snel worden gehandeld! De syndicalistische taxichauffeurs stellen hun wagens ter beschikking van hun vakorganisatie. In de arbeiderswijken organiseren de “Ateneos”, de culturele clubs van de Confederatie, het verzet. De communisten en sociaal-democraten volgen aarzelend hun voorbeeld. De kazernes worden door de leden van de arbeidersweer omsingeld. De sociaal-democratische u.g.t. en de anarcho-syndicalistische c.n.t. maken tezamen de georganiseerde arbeidersklasse van Madrid uit. Zij hebben zich verenigd om de militaire opstand gewapenderhand af te slaan. Vertegenwoordigers van beide organisaties wenden zich door de radio tot de bevolking van Madrid om haar op te roepen tot verdediging. Op het eerste teken van de militaire opstand is in Madrid de arbeid neergelegd. In de straten vormen zich spontane demonstraties. Onder de kreet “Wapens, wapens!” trekken tienduizenden door de straten van de hoofdstad.

Een nieuwe delegatie van de Confederatie wendt zich tot de minister-president Casares Quiroga. Ook hij weigert de anarcho-syndicalisten wapens te geven. “Dat zou revolutie betekenen”, roept hij verschrikt uit. Ook hij schijnt aan een militaire opstand de voorkeur te geven boven een opstand van het volk. Het volk was bereid de republiek tegen de fascistische generaals de verdedigen. Maar de regering was bevreesd, dat de gewapende anarchisten zouden pogen hun sociale revolutie door te voeren en dat het hun zou gelukken de volksmassa’s mee te slepen. Dit moest tot elke prijs worden voorkomen. De minister-president vond een militaire dictatuur dan ook maar beter. De eis om wapens werd door hem categorisch afgewezen.

De gematigde partijen, de republikeinen, sociaal-democraten en zelfs de communisten werden door de regering minder gevreesd. De socialistische ministers zijn reeds begonnen met onder de leden van hun partij en vakorganisaties wapen uit te delen. Een vrachtauto met wapens passeert het Glorietaplein van de wijk Cuatro Caminos. Met revolvers gewapende anarchisten houden de auto aan. De verschrikte bezetting van de auto kan tegen de dreigende massa geen stand houden. Na enkele minuten zijn de legergeweren in handen van de f.a.i.

’s Ochtends om 4 uur treedt de regering af. Er wordt een voorlopige regering gevormd onder leiding van Martinez Barrio, een liberaal politicus uit Andalusië. De nieuwe regering wil met de opstandige generaals onderhandelen.

Dit kon het verontruste volk onmogelijk aanvaarden. Drie uur later trad de nieuwe regering weer af. Zij werd opgevolgd door een regering onder prof. Giral. Giral verklaarde zich bereid de strijd tegen de militaire opstandelingen te aanvaarden.

Madrid was de volgende dag in oorlogstoestand. Vrachtauto’s doorkruisten de stad. De kazernes werden door het volk bewaakt. De troepen waagden het niet in gesloten colonnes uit te rukken. De officieren konden zich niet op de manschappen verlaten. De Guardia Civil nam een afwachtende houding aan. Zij zou zich aan de zijde van de overwinnaars scharen. Ten gevolge van de antifascistische houding van de arbeidersbevolking konden de generaals geen gevolg geven aan hun voornemen om de regeringsgebouwen te bezetten. Aan de rust voor de storm kwam echter spoedig een einde. Vanuit de kazerne Montana werd op het volk geschoten. In deze kazerne bevond zich de elite van het Spaanse leger. Buiten de kazerne staan de anarcho-syndicalisten. Hun zwartrode spandoeken met de initialen “c.n.t.” fladderen in de wind.

Spoedig voegen de sociaal-democraten, communisten en republikeinen zich bij hen. Het aantal aanvallers is tot 4.000 gestegen. Doch slechts een deel hunner is met een geweer gewapend. Zij beschikken over een kanon van groot kaliber, alsmede over enige pantserwagens en machinegeweren. In de kazerne bevinden zich een generaal met zeven oversten, 40officieren en hun troepen. Bij de eerste aanval worden de aanvallers met mitrailleurs teruggeslagen. Talrijke arbeiders vallen. Enkele uren later wordt de aanval herhaald. De voorste rijen vallen. Over hun lichamen komen de anderen. Zij dringen door tot dicht bij de poorten van de kazernes. De poorten worden met handgranaten opgeblazen. De kazerne valt in handen van de arbeiders. Generaal Fanjul en zijn staf worden gevangen genomen. De syndicalisten maken 800geweren, zeven machinegeweren en talrijke kleinere wapens buit.

De manschappen van de artilleriekazerne Vicalvero waren beïnvloed door anarchistische propaganda. Enkele anarchistische honderdschappen ontwapenen de troepen en de bevelhebbers. De opperbevelhebber weigert aanvankelijk de kazerne over te geven. Hij verklaarde op bevelen van de minister van Oorlog te wachten. “Er is geen minister van Oorlog meer”, wordt hem geantwoord. “Het volk is gewapend.” Geplaatst tegenover de verbroedering van de troepen met het volk geeft de opperbevelhebber zijn verzet op. Ook de kazerne Campamento valt na een korte strijd in handen van het volk.

De falangisten hadden zich in talrijke huizen verschanst. Zij hopen op de spoedige intocht van generaal Mola en verdedigen zich hardnekkig. Ook uit de kloosters wordt op het volk geschoten. Kleinere gevechten hebben plaats op het Capitol, op de Plaza del Callao en in de Avenida Pi y Margall, evenals in de Eduardo Datostraat. Op de avond van de 20ste juli is Madrid van de fascisten bevrijd. De overwinning van het volk was het werk van het volk zelf geweest.

In Toledo, Alcalá de Henares en Guadalajara hebben de militaire rebellen gezegevierd. De regering bleef nog steeds passief. Het initiatief werd door het volk genomen. Slechts de arbeidersorganisaties met de anarcho-syndicalisten vooraan traden tegen de fascisten op.

De f.a.i. rustte een expeditie van 600 man uit, die over 40 vrachtauto’s en diverse gewone auto’s beschikte. Zij was in het bezit van veroverde geweren, pantserwagens en machinepistolen. De colonne begaf zich naar Toledo, waar de fascisten zich genesteld hadden.

Toledo ligt op een hoogte aan de oever van de Taag. Om in de stad te komen moet men verschillende bruggen passeren. De kathedraal en het Alcázar zijn in vestingen veranderd en de gouverneur heeft met de Guardia Civil de zijde van de fascisten gekozen. De stad wordt verdedigd door 2.000 fascisten en soldaten. Zeshonderd anarchisten nemen de strijd tegen haar op. Al zijn zij minder in aantal, in geestdrift zijn ze de meerdere. De aangevallenen verdedigen zich hardnekkig, maar als de avond aanbreekt zegeviert het volk.

De falangisten hebben zich in het Alcázar teruggetrokken. Daar voelen zij zich veilig. De hooggelegen met reusachtige muren omgeven citadel kan slechts met behulp van grote kanonnen en luchtbombardementen worden ingenomen. Na vernietiging van de citadel zouden de fascisten zich hebben moeten overgeven. Maar de belegeraars beschikten niet over de vereiste wapens. De fascisten houden stand tot zij later door een leger van Franco worden bevrijd.

Een tweede expeditie van de geconfedereerden begeeft zich naar de oude stad Alcalá de Henares, die in handen van de fascisten was gevallen. Tegen de stormloop van de gewapende arbeiders zijn de aanhangers van Franco niet opgewassen. Na een korte verdediging geven de rebellen zich over en de stad wordt bevrijd.

Na de inname van Alcalá de Henares trekken de geconfedereerden naar Guadalajara. Voor de poorten van de stad stuitten zij op tegenstand. Een vliegtuig kwam nader en voor men wist of het vriend of vijand was, richtte het zijn machinegeweren op de arbeiderscolonne. Talrijke strijders vielen. De gisteren in de Vicalverokazerne buit gemaakte kanonnen werden op de versterkte punten van de stad gericht. Maar onder de officieren die de kanonnen bedienden, bevonden zich fascisten, die op de arbeiders schoten. Op 20 punten werd de stad bestormd. Zij valt in handen van de anarchisten. Weldra wappert op de gebouwen van Guadalajara de zwartrode vlag van de anarchisten.

In korte tijd vallen de Castiliaanse plaatsen Taracena, Troija Hita, Jadraque, Cogolludo, Brihuega, Cifuentes, Ledanca en Algora in handen van de geconfedereerden.

Vermoeid keren de anarchistische strijders terug naar Madrid. Zij hadden hun plicht gedaan in dienst van de vrijheid en van het volk. Zij hebben de republiek tegen de eerste aanval van de fascisten gered.

De andere partijen waren minder ijverig in de strijd tegen de militairen, maar hadden succes met hun politieke intriges. Terwijl de anarchisten steden en dorpen uit handen van de fascisten bevrijdden, hadden sociaal-democraten, republikeinen en communisten zonder moeite de drukkerijen van de dagbladen in Madrid kunnen bezetten. Dat was minder gevaarlijk en voordeliger voor de eigen partijpolitiek. De anarchisten hadden de kastanjes uit het vuur gehaald, die de politici zich goed lieten smaken.

Het zonnige Valencia is bezorgd. De gouverneur en de militaire commandant verzekeren de regering trouw te zijn. Maar het volk vertrouwt hun verzekeringen niet.

Op de eerste geruchten over de militaire opstand kondigen de syndicalistische vakorganisaties de algemene werkstaking af. De havenarbeiders, transportarbeiders, metaalarbeiders en bouwvakarbeiders leggen het werk neer. Het verkeer ligt stil in de haven en in de stad. Later sluiten de sociaal-democratische vakorganisaties, waaronder die van de handels- en kantoorbedienden, zich bij de staking aan. Tussen de syndicalistische en de sociaal-democratische vakorganisaties wordt een antifascistische werkgemeenschap gevormd. De linkse partijen en de anarchistische federatie, de f.a.i., stichtten een Revolutie-junta. Op grond van de twijfelachtige houding van de overheid neemt deze junta het verzet tegen de militaire rebellen in eigen hand. De militaire commandant, generaal Monje, weigert de wapens bij de Revolutie-junta in te leveren. De tragedie van Madrid herhaalt zich. De burgerlijke republikeinen gaven de voorkeur aan een dictatuur van de militairen boven de revolutie van het volk.

In de straten van Valencia komt het tot botsingen tussen enerzijds de falangisten en de clerus en anderzijds de antifascistische arbeiders. Dat de kerk zich aanmatigt een rol te spelen in het politieke leven prikkelt de arbeiders. Enkele kerken en kloosters gaan in vlammen op. In de haven van Valencia liggen twee slagschepen van de Spaanse marine. De manschappen van de schepen verbroederen zich met de arbeiders en scharen zich met hun schepen aan de zijde van het volk.

De algemene werkstaking heeft een week geduurd, maar de toestand bleef onbeslist. De troepen waren in de kazernes gebleven. Het was bekend, dat de militaire bevelhebbers met Franco sympathiseerden. Maar de dreigende houding van het volk hield hen in bedwang. De regering te Madrid stuurde Martinez Barrio naar Valencia om de arbeiders tot het opheffen van de algemene staking te bewegen. De arbeiders eisten ontwapening van de militairen en bewapening van het volk. Deze voorwaarden wilde de regering niet aanvaarden en het conflict bleef onopgelost. Tussen de anarcho-syndicalisten en de sociaal-democraten werd een nauwe werkgemeenschap gevormd. De socialistische u.g.t. en de syndicalistische c.n.t. besloten gemeenschappelijk een krant uit te geven onder de naam “c.n.t.-u.g.t.”, maar tussen de Revolutie-junta van de arbeiders en de regering werd geen overeenstemming bereikt.

De Revolutie-junta besloot een colonne milicianos naar Teruel te sturen, waar het de fascisten was gelukt, de macht te veroveren. Toen de colonne Valencia had verlaten, bleek ze uit 500 leden van de Guardia Civil en slechts 200 arbeiders te bestaan. Dat was verdacht. Niemand kon een verklaring van deze zonderlinge samenstelling geven. Kort voor Teruel werd halt gehouden. De Guardia Civil steeg uit de transportauto’s en schoot de 200 arbeiders neer. Daarop begaven zij zich naar Teruel, waar zij zich met de fascisten verbroederden. Hot bericht van dit verraad riep bij de arbeiders grote verbittering op. Van onderhandelen kon verder geen sprake meer zijn. De kazernes werden door de arbeiders bezet en de fascistische bevelhebbers ontwapend. Een deel van de troepen verbroederde zich met de arbeiders. Het gezag van de wankelende overheid werd niet meer erkend. De Revolutie-junta besloot de macht in handen te nemen. De anarcho-syndicalistische havenarbeider Domingo Torres werd met instemming van alle antifascisten tot burgemeester van Valencia benoemd.

Eerst nu was aan alle dubbelzinnigheid een einde gekomen. Talrijke arbeiders waren in de strijd gevallen. Er werd een revolutionair uitvoerend comité samengesteld uit twee leden van elk van de beide vakbewegingen en één lid van elke antifascistische politieke partij.

In het Cantabrische kustgebied bevinden zich de kolenmijnen en de ijzerindustrie van Spanje. De industriearbeiders waren er goed georganiseerd. Ongeveer 60% was bij de sociaal-democratische en ongeveer 40% bij de syndicalistische organisaties aangesloten. Na de opstand in Asturië in oktober 1934 hadden de sociaal-democratische organisaties, aangesloten bij de u.g.t., zich tegen samenwerking met de burgerlijke partijen en voor een gemeenschappelijke strijd met de syndicalisten uitgesproken om de sociale revolutie door te voeren.

De beide richtingen in de vakbeweging werkten samen om de fascistische militaire opstand terug te slaan. De militaire bevelhebbers stonden allen aan de kant van Franco. In enkele plaatsen gelukte het hun de burgerlijke overheid af te zetten en een militaire dictatuur in te stellen. In de meeste grote steden echter kwam het tot strijd. De generaals en de officieren probeerden zich door allerlei manoeuvres staande te houden tot zij van Franco hulp zouden krijgen.

Generaal Aranda, de plaatselijke commandant van Oviedo, verklaarde aan de zijde van de republiek te staan. In het begin van de opstand van Franco concentreerde hij echter de gehele Guardia Civil van Asturië in de provincie Oviedo. In onderhandelingen met de burgerlijke overheid verklaarde hij zich bereid de arbeiders van wapens te voorzien. De vakorganisaties zonden hun strijdgroepen naar de kazerne Santa Clara om de wapens in ontvangst te nemen. Maar in de kazerne werden zij gearresteerd. Door dit verraad viel Oviedo, het bolwerk van de sociaal-democraten in Asturië, in handen van de fascisten.

In Felgueras waren de anarcho-syndicalisten in de meerderheid. Zij bezetten de wapenfabriek in deze plaats en verdeelden de wapens onder de leden. Door deze snel doorgevoerde maatregel gelukte het een plaatselijke militaire opstand te voorkomen. Nadat zij in hun eigen plaats meester van de toestand waren, begaven zich 500 arbeiders op vrachtauto’s en met enige provisorisch vervaardigde pantserwagens naar de havenstad Gijón. De colonne beschikte over machinegeweren, legerpistolen en handgranaten. In het gebruik van de laatste hadden zij grote handigheid. Er ontbrandde een strijd met de troepen, die enige dagen duurde. De Guardia Civil in de kazerne Santa Catalina, 150 man sterk, gaf zich over en liet zich ontwapenen. In de kazerne Simancas

verdedigde zich een regiment soldaten onder leiding van overste Pinillas. De geconfedereerden belegerden dagenlang de kazerne. Ten slotte gelukte het hun enige kanonnen te bemachtigen. Na een korte beschieting, waardoor het gebouw ernstig werd beschadigd, bestormden de arbeiders de kazerne. De verdedigers sloegen de eerste aanval af. Bij de tweede aanval ontstond een gevecht van man tegen man met sabels en revolvers. Ten slotte overwonnen de arbeiders. Op 23 juli viel de kazerne in handen van de geconfedereerden.

De eerste overwinningen van het volk over de militaire opstand brachten geen definitieve beslissing. Oud-Castilië viel tot Santander in handen van de fascisten. Spoedig gelukte het Franco van Andalusië naar Estremadura door te breken. Van daaruit rukten de fascisten naar het noorden op. Zij bezetten Asturië en het land van de Basken en ten slotte de gehele Cantabrische kust. Franco verkreeg een aaneengesloten front van de Middellandse Zee tot de Golf van Biskaje. De arbeiders in het noorden waren slecht bewapend en hadden geen directe verbinding met Madrid en het overige republikeinse Spanje. Enkele weken na het uitbreken van de burgeroorlog zette Franco Duitse vliegtuigen en Italiaanse tanks in. Daardoor was het hem mogelijk door middel van systematisch doorgevoerde militaire acties binnen negen maanden geheel Noord-Spanje in handen te krijgen.

De overgeblevenen van de arbeidersmilities vluchtten in maart 1937 over de Franse grens.

 

5

 

De sociale omwenteling

 

Het is overdreven te beweren, dat het socialisme alle problemen van de mensheid oplost. Maar zij zou een geweldige stap verder komen wanneer de maatschappelijke instellingen aan een ieder welvaart, gerechtigheid en vrijheid en aan alle volkeren gelijkheid, gerechtigheid en vrede zouden waarborgen.

In de socialistische arbeidersbeweging, waarvan de invloed sedert het begin van deze eeuw in alle landen steeds sterker is geworden kan men twee hoofdrichtingen onderscheiden: het staatssocialisme en het vrijheidslievend socialisme. Alle richtingen laten zich tot een van deze beide hoofdgroepen terugbrengen.

In het staatssocialisme bestaat enerzijds een revolutionaire en dictatoriale, anderzijds een reformistische en democratische richting. Revolutionair en dictatoriaal is Sovjet-Rusland. Hetzelfde geldt voor de andere landen achter het Ijzeren Gordijn. Reformistisch en democratisch is het socialisme in Scandinavië, Engeland, Frankrijk, Nederland en de overige landen van het Westen.

Bolsjewisme en sociaal-democratie hebben hun gemeenschappelijke ideologische oorsprong in het marxisme. Zowel de communisten als de sociaal-democraten beroepen zich op Karl Marx en zijn leer. Beide richtingen streven er naar belangrijke ondernemingen - als spoorwegen, mijnen, elektriciteitsbedrijven en grote fabrieken, de internationale koopvaardijvloot, de wapenindustrie en het bank- en kredietwezen - in handen van de staat te leggen. Deze nationalisering van bedrijven is in vele landen reeds geheel of gedeeltelijk doorgevoerd. Een uitzondering vormen de Zweedse sociaal-democraten, die na twintig jaar aan de macht te zijn geweest de nationalisatie nog steeds niet hebben doorgevoerd en ook niet van plan schijnen te zijn dit te doen. Zij kunnen daarom nauwelijks nog als marxisten worden beschouwd.1 In Engeland is de Labour Party haar belofte om te nationaliseren nagekomen. Maar deze Britse arbeiderspartij is niet dictatoriaal. De arbeiders behouden er het stakingsrecht. De burgers zijn er niet van hun rechten en vrijheden beroofd. Ook in andere West-Europese landen, waar de socialisten aan de macht zijn gekomen, worden uit democratische en liberale tradities de burgerlijke rechten en vrijheden gehandhaafd. In Rusland bestond een dergelijke traditie niet. Daardoor heeft het Russische communisme een ander karakter. Op het ogenblik kan men spreken van een oosters en van een westers marxisme. Het laatste is democratisch, het eerste dictatoriaal.

Een geheel ander karakter heeft het vrijheidslievende socialisme. Het heeft zich ontwikkeld uit de bakoeninistische vleugel van de Eerste Internationale en bepaalde gedachten van Proudhon in zich opgenomen. In de zestiger en zeventiger jaren van de negentiende eeuw had het vrijheidslievende socialisme tal van aanhangers in Zwitserland, Italië en Frankrijk. In de Germaanse landen heeft het nooit grote betekenis gekregen. In Frankrijk herleefde het in het begin van de twintigste eeuw in de vorm van het syndicalisme.

Het krachtigst heeft het in Spanje wortel geschoten. De invloed van het Spaanse anarchisme doet zich zelfs in de rijen van de Spaanse sociaal-democraten op bepaalde punten gelden. De talrijke sociaalrevolutionaire experimenten van het Spaanse proletariaat hebben de geest van het anarchisme tot grondslag.

De arbeidersbeweging heeft in ieder land haar eigen karakter. De Spaanse vormen van de sociale beweging vindt men in Zuid-Amerika enigszins gewijzigd terug. Men noemt ze het vrijheidslievende socialisme. In tegenstelling tot het marxistische socialisme is het vrijheidslievende meer revolutionair, maar niettemin antidictatoriaal. Het verdedigt de vrijheid en propageert verdraagzaamheid. Het wijst de nationalisatie van de productiemiddelen af en stelt er de socialisatie tegenover. Tussen beide is een groot verschil. Bij nationalisatie wordt de staat de nieuwe eigenaar; leider van het economisch leven wordt de bureaucraat, in dienst van de staat.

Naar de opvattingen van het vrijheidslievende socialisme zijn staat en volk niet hetzelfde. Volgens deze opvatting behoort het economisch leven te worden geleid door de vakorganisaties, de coöperaties en de gemeenten. Zowel bij het vrijheidslievende als bij het staatssocialisme wordt de particuliere eigendom van de productiemiddelen afgeschaft; bij het laatste echter wordt het omgezet in staatseigendom, bij het eerste in collectieve en gemeentelijke eigendom. De politieke organen van het vrijheidslievende socialisme zijn de gemeenten, die zich tot kleinere of grotere groeperingen kunnen aaneensluiten. Deze groeperingen zullen in de plaats van de tegenwoordige staten treden.

Deze weg van het vrijheidslievende socialisme heeft het Spaanse anarcho-syndicalisme ingeslagen. In alle delen van Spanje, waar na de 19ejuli 1936 de fascistische opstand werd neergeslagen, zijn de ideeën van het

vrijheidslievende socialisme min of meer volledig verwezenlijkt. Het was een proefneming van grote historische betekenis voor de toekomst van het socialisme.

Van alle sociale omwentelingen in de twintigste eeuw was de sociale revolutie in Spanje na de 19de juli het meest door de geest van het socialisme geïnspireerd. Zij sloeg niet de weg in van de dictatuur van het proletariaat, zoals in Rusland, maar de weg van de vrijheid. Dit is haar grote verdienste.

In de Sovjet-Unie heersen de bureaucraten over de productiemiddelen en ook over de producenten. Het Russische volk is onderworpen aan de machtige sovjetstaat. De vrijheid wordt in de Sovjet-Unie onderdrukt. Er zal een nieuwe revolutie nodig zijn om er de vrijheid opnieuw te veroveren.

In de Duitse revolutie van 1918 hebben de sociaal-democraten het niet aangedurfd socialistische experimenten te ondernemen. De heersende klassen bleven er in het bezit van hun voorrechten. De jonkers heersten op hun landgoederen even onbeperkt als voorheen. De invloed van de militaire kaste werd niet gebroken, particuliere kapitalistische kartels en concerns beheersten het economische leven.

Deze voorbeelden tonen aan, dat noch het revolutionaire marxisme naar Russisch voorbeeld noch het gematigde marxisme van de Duitse sociaal-democratie tot vrijheid, sociale gerechtigheid en socialisme leidt.

Een geheel ander verloop met geheel nieuwe vooruitzichten heeft de Spaanse revolutie gehad. Het is niet overdreven de collectivisering van het economische leven in Spanje als de belangrijkste sociale proefneming van de twintigste eeuw te beschouwen. Hier was geen sprake van staatsdecreten. Alles werd er door het volk zelf, van onderop, gedaan. Er werd een nieuwe economische orde geschapen, de particuliere eigendom van bodem en productiemiddelen werd opgeheven. In de plaats van de particuliere eigendom trad de collectieve eigendom. Er waren geen particuliere ondernemerswinsten meer. Maar ook de staat werd geen meester over de productiemiddelen, zoals Marx en Engels het in hun geschriften hadden geëist. In Spanje bleek uit praktische voorbeelden het verschil tussen het staatssocialisme en het vrijheidslievende collectivisme.

Het verloop van de Spaanse revolutie is fascinerend. De collectivisering van het land door de boeren, van de fabrieken en werkplaatsen door de arbeiders heeft verrassende resultaten afgeworpen. Het gehele volk nam aan de nieuwe economische opbouw deel. De ervaringen van de Spaanse revolutie zijn voor de toekomst van het socialisme van de allergrootste betekenis.

Deze ervaringen zijn van geheel andere aard dan die met de Russische revolutie. Rusland was het land van het tsarisme. De lijfeigenschap is er eerst in de tweede helft van de vorige eeuw afgeschaft. Een burgerlijke democratie heeft in Rusland nooit bestaan. Het land kwam met één sprong van het tsaristische absolutisme in het bolsjewistische totalitarisme terecht.

Spanje is een westers land. Het Spaanse volk heeft eens aan de spits van Europa gestaan. Eeuwenlang heeft het voor zijn politieke vrijheid en voor sociale gerechtigheid gestreden.

Wellicht kunnen de volkeren van Europa en van Amerika uit de sociale proefnemingen gedurende de Spaanse burgeroorlog iets leren. De Spanjaarden zijn intuïtief, vol initiatief en snel in hun beslissingen en in hun optreden. Juist door deze kwaliteiten zijn zij voorbestemd als scheppers van nieuwe levensvormen. Reeds de kerkvader Augustinus heeft opgemerkt, dat de Iberiërs al datgene uit zichzelf putten wat andere volkeren van buitenaf moet worden bijgebracht.

Voor de arbeidersbewegingen in de westerse landen kunnen de ervaringen van de Spaanse revolutie van groter nut zijn dan de ervaringen in het oosten. Ook Midden-Europa kan er iets van leren. In Rusland heeft een groep energieke mannen, heersende over een grote massa kuddemensen, een staat in de vorm van een groot dwanginstituut gesticht. In Spanje heeft een Latijns volk met een individualistische geest uit eigen kracht volkssocialisme in het leven geroepen.

Na het neerslaan van de militaire opstand kwam er een belangrijke verschuiving in de machtsverhoudingen. Tussen de vertegenwoordigers van de syndicalistische vakorganisaties en van de Anarchistische Iberische Federatie enerzijds en Campanys, de president van Catalonië anderzijds, vond een bespreking over de politieke toestand plaats. President Companys zei tot de anarcho-syndicalistische afgevaardigden:

“Gij zijt meester van de stad Barcelona en van geheel Catalonië. Gij hebt de militaire fascisten overwonnen. Ik hoop dat u in deze situatie niet vergeet, dat wij u de kleine hulp van mijn partij en van de Catalonische Garde niet hebben onthouden. Gij hebt gezegevierd en de macht is geheel in Uw handen. Wanneer gij mij niet meer hebt of mij niet als president van Catalonië wilt handhaven, zegt het mij dan openlijk en ik treed af om mij als een van de velen in de rijen van de strijders tegen het fascisme te scharen. Wanneer gij daarentegen gelooft, dat ik op mijn post, waarvan de fascisten mij niet levend zouden hebben kunnen verdrijven, met mijn partij, mijn naam en mijn aanzien in de strijd tegen het fascisme, waarvan niemand weet wanneer hij zal eindigen, van nut kan zijn, dan kunt u op mij en mijn trouw aan de gemeenschappelijke zaak rekenen. Gij kunt er van overtuigd, zijn, dat vandaag het gehele verleden is begraven en het is mijn oprechte wens, dat Catalonië aan de spits van de sociale vooruitgang zal staan, gemeenschappelijk met de meest vooruitstrevende landen.”

Was het de bedoeling van Companys de anarchisten te vleien om hen te misleiden? Lieten de overwinnaars van de straat zich door mooie woorden in de salon verstrikken? Een feit is, dat zij er vrijwillig van hebben afgezien zelf de regering in handen te nemen en Companys niet hebben afgezet. Companys bleef president van Catalonië, zijn kleine partij bleef aan de macht, de overwinnaars stelden er zich mee tevreden politieke controle uit te oefenen. Om deze houding van de anarcho-syndicalisten te kunnen begrijpen, moet men rekening houden met de politieke situatie, waarin zij zich bevonden en met hun principieel standpunt tegenover het probleem van de macht. Op 23 juli hebben wij het vraagstuk van het overnemen van de macht in een algemene vergadering van de bestuurders van de vakorganisaties en anarchistische gedelegeerden uit Barcelona besproken. Enkele sprekers merkten op, dat wanneer de anarcho-syndicalisten alleen de macht in handen zouden nemen, dit de wereld met schrik zou vervullen. De anarchisten hebben een slechtere naam dan de bolsjewiki. In de strijd tegen het fascisme zal buitenlandse hulp misschien onontbeerlijk zijn. De Catalaanse autonomisten en de Spaanse republikeinen hebben de sympathie van de democratische wereld. Uit dit oogpunt zou het naar hun mening verstandiger zijn zich met politieke controle tevreden te stellen en de president als zodanig te handhaven.

Dit waren de politieke overwegingen, die er voor pleitten er van af te zien, de macht in eigen handen te nemen. Daarbij voegden zich de principiële bezwaren. Indien uitsluitend de anarchisten op de manier van de bolsjewiki de macht in handen hadden genomen, zou dit het aanvaarden van de dictatuur hebben betekend. De anarchisten hebben echter iedere vorm van dictatuur steeds bestreden. Zouden zij nu door hun praktijk hun eigen theorie weerleggen? Vrijheid en verdraagzaamheid zijn twee onveranderlijke beginselen van de anarchistische wereldbeschouwing. Zij moeten onder alle omstandigheden worden gehandhaafd. Het socialisme zal vrij zijn of het zal niet zijn. Wij moeten consequent zijn, er van afzien alleen de macht uitoefenen en alle antifascistische partijen de mogelijkheid geven zich in volledige vrijheid te ontplooien.

In overeenstemming met deze opvatting werd besloten de president de vrije hand te laten en met alle andere partijen en organisaties aan het antifascistische militiecomité deel te nemen.

Deze tolerante houding van de Catalaanse anarcho-syndicalisten tegenover het probleem van de macht was de uitdrukking van een grote politieke rijpheid. Zij is in overeenstemming met de democratische beginselen van het meerpartijenstelsel. De heerschappij van één partij - overeenkomstig het systeem van de nazi’s, dat ook in Rusland en in de landen van de zogenaamde volksdemocratie bestaat - is antidemocratisch. Het berust op de gewelddadige onderdrukking van alle tegenstanders.

De anarchisten hebben nooit in de politieke democratie hun uitsluitend doel gezien. Maar zij hebben steeds het recht van het volk op vrije meningsuiting gerespecteerd. In hun eigen organisatie hebben zij steeds de besluiten van de meerderheid aanvaard. Zij waren bereid hetzelfde beginsel voor het gehele volk te erkennen en te respecteren. Zij gingen zelfs nog verder. In Catalonië hadden zij de meerderheid. Maar zij erkenden de rechten van de minderheid. Zij wezen ook het denkbeeld van de zogenaamde arbeidersdemocratie af. De uitoefening van de democratische rechten is niet het uitsluitende voorrecht van de arbeidersklasse. Het democratische beginsel behoort niet alleen in het politieke, maar ook in het economische leven te worden toegepast. De Catalaanse anarcho-syndicalisten laten de burgers vrij zich met politiek bezig te houden. Maar zij eisten voor de arbeiders en de boeren hetzelfde recht in het economische leven, in de fabrieken, in de werkplaatsen, op het land. De consequente toepassing van dit beginsel voerde tot volledige economische democratie en daarmee tot socialisering van onderop.

De doorvoering van de sociale revolutie door de Spaanse anarcho-syndicalisten voltrok zich in overeenstemming met hun vrijheidslievende beginselen. De invoering van het democratische beginsel in het economische leven betekende de opheffing van het voorrecht van de particuliere eigendom.

Na de overwinning van de arbeiders op de fascisten hadden zich niet alleen de politieke, maar ook de economische machtsverhoudingen gewijzigd. De politieke gelijkgerechtigheid werd door de afschaffing van de economische voorrechten voltooid. Talrijke grote ondernemers, eigenaren van banken, fabrieken, handelshuizen enz. waren naar het buitenland gevlucht. Zij stonden aan de kant van Franco, waren van tevoren van de militaire opstand op de hoogte en wilden buiten Spanje het resultaat daarvan afwachten. Door hun afwezigheid hadden zij het recht verspeeld aan de economische revolutie deel te nemen.

Toen de arbeiders na het beëindigen van de algemene werkstaking naar de bedrijven terugkeerden, organiseerden zij de arbeid onder nieuwe voorwaarden. Zij kozen op vergaderingen van alle deelnemers aan het bedrijf een eigen bedrijfsleiding. De fabriekscomités leidden de bedrijven, waarbij zij de hulp inriepen van alle vereiste technische en economische deskundigen. De bedrijven werden gecollectiviseerd. Ondernemers die bereid waren de nieuwe orde te aanvaarden, werden als gelijkberechtigde leden van het bedrijfspersoneel erkend. Hun werd een plaats toegewezen in overeenstemming met hun bekwaamheden. Niet zelden maakten zij deel uit van de bedrijfsleiding. Wat aanvankelijk aan ervaring ontbrak werd vervangen door nieuwe initiatieven. In korte tijd was het economisch stelsel van het particuliere kapitalisme omgezet in een gecollectiviseerde economie. Een economische revolutie had zich voltrokken.

Anatole France heeft eens gezegd dat utopieën voor de vooruitgang van de mensheid van grote waarde zijn. Dit woord werd hier toegepast. Door de marxisten werden de anarcho-syndicalistische denkbeelden utopisch genoemd. Maar juist deze utopieën bleken bij de verwezenlijking van een nieuwe economische orde de beste wegwijzers te zijn. De Spaanse anarcho-syndicalisten hadden zich reeds van tevoren een tamelijk nauwkeurig beeld van de nieuwe socialistische maatschappelijke orde gevormd. In tegenstelling tot de opvatting van Marx en Engels, dat de “onteigening van de onteigenaars” het werk van de proletarische staat moet zijn, hebben de Spaanse syndicalisten ervan afgezien de staatsmacht te veroveren. Naar hun mening moest de socialisering in de werkplaatsen, op het land, in de fabrieken en ondernemingen beginnen. De staat was daarvoor niet nodig. Het ingrijpen van de staat werd als een last op het economische leven en als gevaarlijk voor de vrijheid beschouwd. De revolutie had de taak om de staat niet te versterken, maar integendeel te verzwakken, zodat hij niet bij machte zou zijn de socialisering te belemmeren en te verhinderen. De mogelijkheid daartoe was na de overwinning op de fascisten geschapen. Het leger was overwonnen, de politie geneutraliseerd en ten dele door arbeiderspatrouilles vervangen. In de antifascistische militie beschikten de arbeiders over een eigen gewapende macht om de revolutie te verdedigen.

De eerste en voornaamste taak bestond in de levensmiddelenvoorziening van Barcelona, dat meer dan een miljoen inwoners telt. Deze taak werd ter hand genomen door de vakorganisatie in de levensmiddelenbedrijven. Veertien dagen lang leefde Barcelona zonder geld. De bevolking kreeg in de gebouwen van de vakorganisaties gratis maaltijden. De vakorganisatie in de levensmiddelenbedrijven kocht de vereiste levensmiddelen in en betaalde met biljetten die later door het antifascistische militiecomité werden ingewisseld. Op grond van een door dit comité genomen besluit werden de stakingsdagen doorbetaald.

Ondanks de wijziging in de eigendomsverhoudingen werkten de bedrijven normaal door. Na korte tijd leverde het verkrijgen van de vereiste grondstoffen moeilijkheden op. De peseta was in waarde gedaald zodat de prijs van de buitenlandse grondstoffen steeg. De prijzen in Spanje werden echter niet verhoogd ondanks een algemene loonsverhoging van 15%. De hoge salarissen van de directeuren en de onproductieve uitgaven voor de tussenhandel werden echter afgeschaft. Deze maatregelen betekenden een eerlijker verdeling van de arbeidsproducten.

De collectivisering van de bedrijven was de eerste stap naar de socialisering van het economische leven. De tweede stap was de economische samenwerking van de gezamenlijke bedrijven binnen het raam van de vakorganisatie voor de gehele bedrijfstak. De vakorganisaties kregen het karakter van gesocialiseerde kartels.

De nieuwe orde leidde tot grotere activiteit in het economisch leven. De kleine ondernemers sloten zich bij de vakorganisaties aan, waardoor zij van vele zorgen werden verlost. Zij kregen daardoor een vast inkomen. Niet rendabele bedrijven werden stilgelegd of met andere samengesmolten. Het economische leven werd gerationaliseerd overeenkomstig de socialistische opvattingen.

De collectivisering omvatte het bouwbedrijf, de metaalindustrie, de bakkerijen en slagerijen, de bioscopen, de kapperszaken enz. Ook de hotels, cafés en restaurants werden gecollectiviseerd. De ondernemers en de eigenaren van de hotels sloten zich half gedwongen bij de vakorganisaties aan en ontvingen van haar hun loon. De lagere lonen werden verhoogd, de hoge salarissen verlaagd. Ondernemerswinst, dividend en tantièmes werden afgeschaft. Batige saldi werden aan de vakorganisaties afgedragen. De vakorganisatie ondersteunde de ondernemingen die tijdelijk in moeilijkheden verkeerden. De staat had geen deel aan deze nieuwe orde. Er voltrok zich een economische, industriële en sociale revolutie. Partijpolitiek werd in de bedrijven en in de gesocialiseerde industrieën niet toegelaten. Het economische leven was van zijn parasieten bevrijd.

De algemene loonsverhoging van 15% geschiedde op de grondslag van de oude lonen. Daardoor bleven de verschillen in de lonen van geschoolden, ongeschoolden en beambten gehandhaafd. Deze verschillen werden niet als een sociale onrechtvaardigheid gevoeld.

Natuurlijk had het nieuwe systeem met moeilijkheden te kampen. Als gevolg van het gebrek aan benzine werden 4000 chauffeurs in Barcelona werkloos. Aanvankelijk betaalde de vakorganisatie het volle loon uit, maar zij kon dit niet volhouden. Het probleem werd in een vergadering van de afgevaardigden van alle vakorganisaties in Barcelona onder het oog gezien. Een uitweg werd gevonden door de chauffeurs in de oorlogsindustrie onder te brengen en bij het transport voor de oorlogsvoering.

Ook in de textielindustrie ontstond na enige maanden gebrek aan grondstoffen. Er kon slechts drie dagen per week worden gewerkt. Echter werd het volle loon doorbetaald. Voor een deel vonden de textielarbeiders later werk in de oorlogsindustrie.

Een merkwaardig verschijnsel was de straathandel. Toen een anarcho-syndicalist tot commissaris van politie van Barcelona was benoemd, meenden de straathandelaren dat voor hen een tijdvak van onbeperkte straathandel was aangebroken. Het aantal straathandelaren in het centrum van de stad werd tien maal zo groot. De winkeliers zagen daarin een gevaarlijke concurrentie en gingen hun waren eveneens op straat uitstallen. Daardoor werd het verkeer belemmerd. Zelfs te voet kon men er niet meer doorkomen. Een vergadering van de afgevaardigden van de vakorganisaties hield zich met de zaak bezig. Er werd besloten dat alleen de vroeger reeds in de vakorganisatie georganiseerde straathandelaren de straathandel mochten uitoefenen. Nieuwe leden werden niet aangenomen. Patrouilles van de vakorganisaties zorgden, dat het besluit werd uitgevoerd. Dit gelukte onmiddellijk. Op de dag na het besluit waren de straten vrij. Een besluit van de vakorganisaties werkte als toverformule. De politie had niet behoeven op te treden.

Het collectivisme is in Spanje een oud verschijnsel. Het is op het land sedert eeuwen bekend. Joaquin Costa heeft in zijn standaardwerk El Colectivismo Agrario de collectieve werkwijze van de boeren, zoals die sedert eeuwen bestaat, beschreven. Wederkerig dienstbetoon op georganiseerde grondslag in de vorm van gemeentelijk grondbezit, arbeidscollectieven en coöperaties heeft in Spanje altijd bestaan. De coöperatieve beweging is er sedert lang bekend. In de oorlog van de Comuneros1 tegen de katholieke koningen aan het einde van de vijftiende en in het begin van de zestiende eeuw bleek de vrijheidsgeest van het volk. Het denkbeeld dat de grond en de productiemiddelen gemeenschappelijke eigendom behoren te zijn, is in Spanje reeds eeuwen oud. In de zestiende en de zeventiende eeuw predikten talrijke ordebroeders de leer van het christelijk communisme. Na de verovering van Amerika werd de communistische staatsvorm van de Inca’s in Spanje bekend. De verdedigers van het collectivisme ontleenden daaraan argumenten voor hun strijd tegen de particuliere eigendom. Spaanse jezuïeten hebben in Paraguay een communistische staat gesticht. De christelijke leer diende als leidraad en de praktijk van de Inca’s als voorbeeld. Ook stichtte bisschop Vasco de Quiroga omstreeks 1550 in Mexico onder de Tarasco-Indianen communistische gemeenten, waarbij hij zich voor een deel liet leiden door de ideeën die Thomas Morus in zijn Utopia had verkondigd.

Aan het einde van de vorige eeuw hebben de anarchisten en syndicalisten de grondbeginselen van het oude Spaanse collectivisme weer opgenomen. De geestelijke voedingsbodem voor hun ideeën was door de geschiedenis voorbereid. Een direct verband tussen het oude collectivisme en dat van de moderne anarcho-syndicalistische beweging is echter niet aan te wijzen.

Het Spaanse anarcho-syndicalisme vermijdt de uitdrukkingen te gebruiken, die in de marxistische beweging opgeld doen. “Onteigening” is een negatief begrip. Dit woord wordt door de Spaanse anarcho-syndicalisten slechts zelden gebruikt. Collectivisering en vrijheidslievend communisme zijn positieve begrippen. Daarbij stelt men zich iets concreets voor. De laatste redactie van het programma van het Spaanse anarcho-syndicalisme werd op het congres van de c.n.t. in 1931 te Madrid, kort na de val van de monarchie, vastgesteld. De collectivisering in 1936 heeft zich in grote trekken overeenkomstig dit programma voltrokken. De voornaamste punten daarvan zijn:

1. Onteigening, zonder schadeloosstelling, van het grootgrondbezit, van de braakliggende velden, de jachtterreinen en alle andere landbezit, dat geschikt is voor het verbouwen van veldvruchten, omzetting van al dit land en van de particuliere eigendom in gemeente-eigendom, afschaffing van het betalen van pacht en het scheppen van een nieuwe organisatie, waarvan de grondslag door de vakorganisaties in overeenstemming met de plaatselijke verhoudingen wordt bepaald.

2. Inbeslagneming van de veestapel, het zaaigoed, de landbouwwerktuigen en machines.

3. Overname van de in beslag genomen landerijen door de vakorganisaties van de landarbeiders, teneinde ze collectief te bewerken. Beheer van de landbouwbedrijven door de vakorganisaties. Afschaffing van alle belastingen op de bodem, renten en hypotheken, die op de kleine boeren drukken, voor zover zij de grond zelf bewerken en geen arbeiders uitbuiten.

4. Afschaffing van het betalen van pacht, die door de kleine pachters in de vorm van landbouwproducten aan de eigenaren of aan tussenpersonen wordt betaald.

Het programma werd aangevuld met besluiten over het gemeenschappelijk werken op het land. De Spaanse landarbeiders waren, evenals de arbeiders in de industrie, in syndicaten of vakorganisaties georganiseerd. Deze vakorganisaties hebben zich na de 19de juli veranderd in productie- en distributiegemeenschappen. Landeigenaren die aan de kant van Franco stonden - en dit was met bijna alle grootgrondbezitters het geval - werden onteigend. De kleine boeren stonden meestal aan de kant van de republiek. Zij sloten zich na de 19de juli vrijwillig bij de vakorganisaties aan en werden meestal lid van de nieuw gevormde collectieven. Dwang om als lid toe te treden werd niet uitgeoefend.

Het land werd na de overwinning van de landarbeiders in alle delen van de republiek collectief bewerkt. De vakorganisatie van de landarbeiders leverde de producten af aan de distributiebureaus in de stad. De collectivisten kregen een wekelijks voorschot in geld en levensmiddelen uit de gemeenschappelijke voorraad. Na de oogst werd het overschot onder allen gelijkmatig verdeeld. Voor het aanschaffen van machines e.d. werden bedragen opzij gelegd. Het loonstelsel was afgeschaft. In de plaats daarvan was een nieuw systeem gekomen: de verdeling van de producten van de gemeenschappelijke arbeid. In de collectieven heerste het beginsel één voor allen, allen voor één.1

Het overnemen van de grote industriële ondernemingen voltrok zich met bewonderenswaardig gemak en zonder dat de productie werd verstoord. Met alle duidelijkheid werd bewezen dat noch de aandeelhouders, noch de zwaar betaalde directeuren of leden van een raad van toezicht voor de goede gang van zaken in een modern bedrijf nodig zijn. Arbeiders en beambten konden het ingewikkelde raderwerk van een moderne industrie zelfstandig in gang houden. Hiervan zijn talrijke voorbeelden.

De eerste maatregel bij het overnemen van het trambedrijf in Barcelona door de arbeiders bestond in het op non-actief stellen van de directeuren en de toekijkers. Daarmee werden grote bedragen uitgespaard, die vroeger volkomen onproductief werden uitgegeven. Terwijl het loon aan de tram 250 a 300 peseta’s per maand bedroeg, ontving de hoofddirecteur er 5000 en de drie overige directeuren 4.441, 2.284 en 2.000 peseta’s per maand. Door deze hoge traktementen af te schaffen werd het mogelijk de arbeiders beter te betalen.

Een tweede verandering was de invoering van de 40-urige werkweek. In beginsel was men voor 36 uur, maar met het oog op de oorlog tegen het fascisme werd daarvan afgezien.

De derde maatregel betrof het beheer van het bedrijf. Vroeger waren de trams, de autobussen en de ondergrondse afzonderlijke particuliere ondernemingen. De vakorganisaties besloten er één onderneming van te maken. Deze concentratie maakte het mogelijk het vervoer belangrijk te verbeteren, hetgeen door het publiek met voldoening werd begroet.

De belangrijkste maatregel was de verlaging van de ritprijs van 15 op 10centimos. Aan schoolkinderen en invaliden werden gratis abonnementen verstrekt. De laagste lonen werden met 40 tot 100%, de hoogste met 10 a 20% verhoogd.

In de werkplaats van het bedrijf werd in ploegen gewerkt om de beschadigde wagens te herstellen. In korte tijd was het verkeerswezen beter dan ooit tevoren. Alle trams en autobussen werden zwartrood geschilderd met daarop de initialen van de c.n.t. De enigen die nadeel van de nieuwe toestand ondervonden, waren de aandeelhouders en degenen die vroeger zeer hoge salarissen hadden genoten. Om hen heeft de bevolking geen traan gelaten. De vakorganisatie van transport- en verkeersarbeiders was in een gecollectiviseerde vervoersmaatschappij omgezet. Het verslag van het comité van inbeslagneming deelt over het optreden van de arbeiders na de 19de juli het volgende mee:

“Op de ochtend van 24 juli, toen het volk van Barcelona nog in de straten van de stad strijd voerde, verlieten enige kameraden van de c.n.t. hun barricaden, waar zij door anderen werden afgelost. Zij waren opgeroepen door de organisatie. In een pantserauto begaven zij zich naar het bureau van de trammaatschappij waar zij in opdracht van de organisatie de inbeslagneming doorvoerden. De kantoren waren door leden van de Guardia Civil

bezet. Na korte onderhandelingen trokken zij zich terug. De c.n.t. nam het verkeerswezen in Barcelona in handen. Geld was er noch in de kas, noch op de bank. De arbeiders moesten zonder kapitaal van voren af aan beginnen.”

In de telefooncentrale was meer dan de helft van de lijnen door granaten gedurende de strijd vernietigd. Zonder van wie ook een opdracht af te wachten gingen de arbeiders aan de slag. Na drie dagen functioneerde de telefoon normaal. Talrijke nieuwe lijnen werden naar de kantoren van de vakorganisaties, van de comités en van de militie gelegd. Daarna besloot een algemene vergadering van het gehele personeel het telefoonbedrijf te collectiviseren. De vergadering koos een comité van deskundigen, waaraan de leiding werd opgedragen. In de centrale van iedere wijk werd een verantwoordelijke leider gekozen. Daar enkele leden van het personeel lid waren van de socialistische vakorganisatie (het merendeel was bij de c.n.t. aangesloten), werd de collectivisering in naam van de c.n.t.-u.g.t. doorgevoerd.

De telefoonabonnees verklaarden dat de telefoon na de collectivisering beter functioneerde dan voorheen. Evenals bij de tram werden ook bij de telefoon de hoge salarissen van de directeuren niet langer betaald, de overige aangestelden kregen echter een belangrijke loonsverhoging.

De spoorwegen waren in Spanje in particuliere handen. Gedurende de militaire opstand lag het spoorwegverkeer stil ten gevolge van de algemene werkstaking. In Barcelona werd in de omgeving van het hoofdstation - Estación de Francia - gestreden. Op de derde dag van de strijd, toen zij zeker van de overwinning waren, vormden de anarcho-syndicalistische vakorganisaties een revolutionair spoorwegcomité. Dit comité nam de stations, de lijnen en het hoofdgebouw in beslag. Alle belangrijke kruispunten werden door een speciale spoorweggarde bewaakt. De directeuren waren naar het buitenland gevlucht. De arbeiders kozen een nieuw comité voor het beheren van de spoorwegen. Ofschoon de syndicalisten de overgrote meerderheid hadden, boden zij de sociaal-democraten aan een comité te vormen waarin beide richtingen door evenveel leden waren vertegenwoordigd. Een dictatuur in bolsjewistische geest wensten de Spaanse anarcho-syndicalisten niet. Alles moest democratisch worden geregeld. Elk van de beide organisaties benoemde drie leden in het comité.

Na enkele dagen waren alle spoorwegen in Catalonië gesocialiseerd. Technische verbeteringen konden niet worden aangebracht omdat daartoe het materiaal ontbrak. Het spoorwegverkeer werd onmiddellijk na het einde van de strijd onder de nieuwe leiding van de vakorganisatie hervat. Het functioneerde even goed als tevoren, storingen deden zich niet voor. De prijzen bleven onveranderd. De laagste lonen werden belangrijk verhoogd. De aandelen werden geannuleerd, schadeloosstelling werd niet betaald.

De verschillende kleine spoorwegmaatschappijen van geheel Catalonië werden tot één gemeenschappelijke collectieve maatschappij verenigd. Door deze reorganisatie gelukte het talrijke moeilijkheden te overwinnen, die vroeger remmend op het verkeer hadden gewerkt.

In de herstelwerkplaatsen van de spoorwegen in Barcelona werd begonnen met het bouwen van pantserwagens en wagons voor het Rode Kruis. Een week na het hervatten van de arbeid verlieten de eerste wagens de werkplaats. Zij waren zo uitstekend ingericht, dat de Catalaanse Gezondheidsraad de regering verzocht zijn dank aan de arbeiders van de herstelwerkplaatsen over te brengen. Het initiatief tot dit werk ging van de syndicalistische arbeiders uit. Geen zwaar betaalde functionaris gaf hun bevelen. Er was geen toezicht van buitenaf. De arbeiders kozen zelf hun technische en organisatorische leiders. Meer was niet nodig. Alles vloeide voort uit de wil tot samenwerking en uit het initiatief van de arbeiders. En een Stachanow- of Henneckebeweging was er niet!

Ook in de haven van Barcelona werd de nieuwe orde ingevoerd. Het afschaffen van de parasitaire agenten werd als een sociale sanering gevoeld. De tussen de kapiteins en havenarbeiders ingeschakelde agenturen hadden door het laden en lossen van de schepen duizend peseta’s ontvangen zonder daarvoor productieve of maatschappelijke arbeid te verrichten. Talrijke stakingen, die vaak met geweld gepaard gingen, waren het onvermijdelijke gevolg van het vroeger bestaande systeem.

Er was naar het oordeel van de vakorganisaties geen reden, waarom zij de contracten met de kapiteins of de scheepvaartmaatschappijen niet zelf zouden kunnen afsluiten. Daarom stichtten zij een collectief van havenarbeiders. De contracten met de buitenlandse scheepvaartmaatschappijen konden niet geannuleerd worden. Maar de vakorganisatie controleerde daarbij alle inkomsten en uitgaven van de Spaanse agenturen.

Het resultaat van de nieuwe regeling was een belangrijke verhoging van het inkomen van de havenarbeiders. Bovendien werd een ongevallen- en een werklozenkas georganiseerd. Voor elke ton lading werd 0,75 peseta aan de ongevallen- en 0,50 peseta aan de werklozenkas afgedragen. De haven van Barcelona was gesocialiseerd.

Bij de levensmiddelenvoorziening werden in de eerste plaats de ziekenhuizen, de bejaardentehuizen en de militie geholpen. Het in beslag nemen van levensmiddelen door afzonderlijke groepen werd niet toegestaan. Een comité uit de vakorganisaties van de levensmiddelenbedrijven en van het hotelpersoneel maakte in samenwerking met het stadsbestuur een inventaris op van de aanwezige levensmiddelen. Niemand kon onjuiste opgaven doen, daar ieder door zijn eigen personeel werd gecontroleerd. Hamsteren was uitgesloten. De controle van de vakorganisaties bleek effectiever te zijn dan die van de politie.

Het was geen geringe taak een stad als Barcelona van voldoende brood, melk en vlees te voorzien. Maar iedere arbeider voelde zich medeverantwoordelijk voor het geheel. Daar Catalonië niet voldoende broodgraan en vlees voor eigen behoeften produceert en Estremadura, de graanschuur van Spanje, door de fascisten was bezet, moesten graan en vlees uit het buitenland worden ingevoerd. Daarvoor waren deviezen nodig. In het begin verkreeg men deze van de nationale bank. Later gelukte het door het uitvoeren van textiel en andere industrieproducten de behoefte aan deviezen grotendeels te dekken. De nieuwe economie van de vakorganisaties kreeg een hechte grondslag.

Onder druk van de arbeidersbevolking vaardigde de regering een decreet uit, waarbij de huren met 50% werden verlaagd. Door deze maatregel, door de loonsverhoging en de verlaging van de tramtarieven steeg het levenspeil van de arbeidende bevolking. Later had de door de burgeroorlog ingetreden schaarste aan levensmiddelen een prijsstijging ten gevolge, maar in de eerste tijd na de revolutie was de positie van de arbeiders belangrijk verbeterd.

Grote villa’s en paleizen werden veranderd in ziekenhuizen, kleuterscholen en dergelijke maatschappelijke inrichtingen.

De waterleidingmaatschappijen, gasfabrieken en elektriciteitsbedrijven waren bij het uitbreken van de opstand in bijna alle steden van Spanje in particuliere handen. De Algemene WaterIeidingmaatschappij van Barcelona was tezamen met de Waterleidingmaatschappij Llobregrat eigenaar van waterleidingmaatschappijen en gasfabrieken in talrijke Spaanse steden. Het was een monstermaatschappij met een aandelenkapitaal van 272 miljoen peseta’s. De gemiddelde winst bedroeg meer dan 11 miljoen peseta’s per jaar. De geldmagnaten hadden reeds vóór 19 juli het land verlaten. De syndicalisten besloten de fabrieken te collectiviseren. De arbeiders kozen een bedrijfsleiding. Kort voor de militaire opstand hadden zij looneisen gesteld, die echter waren afgewezen. Nu werd het loon tot tenminste 14 peseta’s per dag verhoogd en de arbeidstijd op 36 uur per week gesteld. Tengevolge van de oorlogstoestand was er echter gebrek aan arbeiders, zodat de arbeidstijd eerst tot 40 en later tot 48 uur moest worden verhoogd. De lonen voor de vrouwen werden gelijkgesteld aan die voor de mannen. Er werd een ziekte- en een ouderdomsverzekering ingevoerd.

De collectivisering kwam ook de bevolking in het algemeen ten goede. De prijs van een kubieke meter water bedroeg van 0,80 tot 1,50 peseta en werd verlaagd tot de eenheidsprijs van 0,40 peseta. Er werden maatregelen getroffen om het nabijgelegen Sabadell vanuit Barcelona van water te voorzien. Dividend werd niet meer betaald. De winst werd voor het grootste deel aan het antifascistische militiecomité afgedragen, in de eerste maanden na 19 juli meer dan 100.000 peseta’s.

Buitenlandse bezoekers hebben er zich vaak over verwonderd, dat de overname van de bedrijven plaats heeft kunnen vinden zonder stoornissen te veroorzaken. Het geheim van het succes van de collectivisering ligt grotendeels in de systematische wijze, waarop de syndicalisten zich op deze sociale revolutie hadden voorbereid.

“In de revolutionaire periode” - zo wordt in het verslag van de collectieve voor water, gas en elektriciteit gezegd - “hadden wij in de vakorganisaties bedrijfscommissies gevormd. Deze commissies stelden zich in iedere afdeling van de zaken op de hoogte en bereidden zich voor op het overnemen van het bedrijf. De bedrijfscommissies regelden de productie, het waterverbruik in de zomer en in de winter en zorgden dat op iedere plaats de geschikte man terechtkwam. Zij wekten de arbeiders op, op tijd op het werk te komen, zorgden er voor, dat de veiligheidsvoorschriften in acht werden genomen en dat in iedere sectie een bedrijfsapotheek aanwezig was, alsmede douches en kantines voor de arbeiders.”

Door deze en dergelijke voorbereidingen waren de arbeiders in staat moeilijke problemen op te lossen zonder dat de bedrijven stagneerden. De nieuwe bedrijfsorde getuigde van een hoog ontwikkeld verantwoordelijkheidsgevoel, waartoe de syndicalistische organisaties de arbeiders hadden opgevoed. De bedrijfsraad, de bedrijfsleiders, de raad van beheer en ten slotte de hoogste leiding werkten volgens de voorschriften, waartoe op de algemene bedrijfsvergadering was besloten. Alle verantwoordelijke leiders werden door speciale controlecommissies van de vakbeweging streng gecontroleerd. Alleen degenen die over voldoende technische en organisatorische bekwaamheden beschikten, werden in de bedrijfsleiding benoemd. Het werd als een eer beschouwd door de vergadering van de vakorganisatie in een hoge leidende positie te worden geplaatst. Maar ook op de particuliere levenswandel van de bedrijfsleiders en vertrouwenslieden werd gelet. Alleen werkelijk ernstige, gewetensvolle en in ieder opzicht behoorlijke kameraden werden in een leidende functie benoemd.

Materiële voordelen waren hieraan niet verbonden. De hoogste beheersraad was verplicht zich op de hoogte te houden van de ontwikkeling van de techniek, de fabriek uit te breiden en voorstellen tot modernisering te doen, contracten te sluiten enz. De grondstoffen en machines werden zoveel mogelijk in het eigen land aangeschaft.

De grote ernst waarmee de vakorganisaties de geweldige taak op zich hebben genomen om de productie zonder de oude ondernemers te leiden, was een waarborg voor hun succes.

De collectivisering omvatte ook de kleine bedrijven. De kleine ondernemers sloten zich met hun hulpen en leerlingen bij de vakorganisaties aan. Daardoor ontstond in ieder bedrijf een organisatie als onderdeel van een grotere collectieve. De collectivisering van de kappersbedrijven is een duidelijk voorbeeld van de wijze, waarop de overgang van het particuliere kapitalisme tot het socialisme zich heeft voltrokken.

De kappers van Barcelona, Madrid, en vele andere Spaanse steden hebben uit eigen beweging hun bedrijven gemeenschappelijk gereorganiseerd. In Madrid heeft de collectivisering zich zelfs reeds op de 19de juli voltrokken. Het doel van de collectivisering was de verschillen op te heffen tussen de eigenaren van de kapperszaken en de bedienden. Grote ondernemingen kent het kappersbedrijf niet. Naar de overtuiging van de Spaanse syndicalisten moet het socialisme en het collectivisme op de grondslag van vrijwilligheid en samenwerking worden verwezenlijkt. Ieder heeft het recht aan deze sociale omvorming deel te nemen.

Vóór 19 juli 1936 waren er in Barcelona 1100 kapperszaken. Het overgrote deel van de eigenaren van de kapperszaken waren arme drommels, die van de hand in de tand leefden. Hun zaken wekten vaak niet veel vertrouwen uit een oogpunt van reinheid en hygiëne. De 5000 kappersbedienden behoorden tot de slechtst betaalde arbeiders. Hun loon bedroeg 40 peseta’s per week, terwijl de fabrieksarbeiders 60 a 80 peseta’s verdienden. Toen op 19 juli de arbeidstijd op 40 uur werd bepaald en de lonen met 15% werden verhoogd, betekende dit voor de meeste kapperszaken de ondergang. Eigenaren en bedienden besloten daarom vrijwillig het gehele bedrijf te socialiseren.

Dit geschiedde op zeer eenvoudige wijze. Allen werden lid van de vakorganisatie. Op een vergadering werd besloten de niet rendabele kapperszaken te sluiten. De eigenaren dezer zaken werden door de organisatie geholpen. Het aantal zaken werd van 1100 verminderd tot 235. Daardoor werd per maand een bedrag van 150.000 peseta’s aan huur, licht en belastingen bespaard. Allen die bij het kappersbedrijf betrokken waren werden in de 235 overgebleven zaken aangesteld. Deze werden uitgebreid en keurig ingericht. Door de besparingen was het mogelijk de lonen met 40% te verhogen. Ieder had recht op arbeid en op hetzelfde loon. De vroegere eigenaren werden voor de inventaris, die door de vakorganisatie werd overgenomen, niet schadeloos gesteld. In ruil voor hun eigendom kregen zij echter een verzekerd bestaan. Er werd geen verschil gemaakt tussen de vroegere eigenaren en de bedienden. Alle inkomsten werden gelijkelijk verdeeld. Ieder had dezelfde rechten en dezelfde plichten. Er waren geen patroons en geen bedienden meer. Allen waren deelnemers in de bedrijven. Het was een vorm van socialisme van onderop.

Het is geen kleinigheid, een productiegemeenschap op collectivistische grondslag op de been te brengen, die talrijke fabrieken in verschillende steden met ongeveer 250.000 arbeiders omvat. De syndicalistische organisatie van textielarbeiders in Barcelona heeft deze taak niettemin in korte tijd volbracht. Het was een geweldige sociale proefneming. Aan de heerschappij van de ondernemers kwam een einde. De lonen, de arbeidsvoorwaarden en de productie werden door de arbeiders en door hun gekozen vertegenwoordigers bepaald. Alle functionarissen waren verantwoordelijk aan de vergadering van het bedrijf en van de vakorganisatie. De collectivisering van de textielindustrie in Catalonië heeft voorgoed een einde gemaakt aan de legende, dat de arbeiders niet in staat zijn grote bedrijven te leiden.

Bij de vorming van het collectief werd een beheersraad van 19 leden gekozen. Na drie maanden bracht deze raad verslag uit over de gang van zaken in het collectief. De onderneming moest met zeer weinig kapitaal beginnen, want de eigenaren van de bedrijven hadden reeds vóór het uitbreken van de militaire opstand de gelden in het buitenland in veiligheid gebracht. De fabriek “Espana Industrial” had vóór de collectivisering een voorraad van 48.213 balen stof. Na drie maanden was deze voorraad tot 50.321 balen gestegen. Ten gevolge van de waardedaling van de peseta stegen de prijzen van de grondstoffen. Door het afschaffen van improductieve uitgaven als dividenden, premies en de salarissen van de directeuren werden echter grote bedragen bespaard. Daardoor kon de duurdere grondstof gedeeltelijk worden betaald.

De beheersraad kocht in het buitenland twee nieuwe machines voor het vervaardigen van kunstzijde. De vereiste deviezen werden door uitvoer naar het buitenland verkregen. In iedere fabriek werd een beheersraad uit de meest bekwame kameraden gevormd, die uit drie tot negen leden bestond, al naar de grootte van het bedrijf. Deze beheersraad zorgde voor de organisatie van het bedrijf, de statistiek, de economische leiding, de financiën, de correspondentie en de vertegenwoordiging naar buiten. Een comité bestaande uit ingenieurs, technici, arbeiders en commerciële deskundigen behandelde alle voorstellen tot verbetering van de textielindustrie en deed zelf voorstellen tot verhoging van de productie, voor de verdeling van de arbeid, tot het scheppen van sanitaire inrichtingen enz. Reeds enkele maanden na de collectivisering stond de textielindustrie van Catalonië op een hoger peil dan tevoren, een overtuigend bewijs, dat socialisme van onderop het initiatief niet vernietigt. De zucht naar rijkdom is niet de enige drijfkracht tot menselijke activiteit.

De materiële toestand van de textielarbeiders werd door de collectivisering aanmerkelijk verbeterd. De arbeidstijd, die voor sommigen 60 uur bedroeg, werd voor allen op 40 uur per week bepaald. De lonen werden eerlijker verdeeld. Stukwerk werd afgeschaft. Technici die tot dusverre 250 tot 350 peseta’s hadden verdiend, kregen voortaan 200 tot 250 peseta’s. De loonregeling werd door de arbeiders zelf op de bedrijfsvergaderingen vastgesteld. De oorzaken voor stakingen en uitsluitingen waren uitgeschakeld.

De gecollectiviseerde textielindustrie leverde een groot aantal strijders tegen de fascisten. Van de syndicalistische organisatie van textielarbeiders alleen traden 20.000 tot de militie toe. Wie niet naar het front ging, stond 10 tot 15% van zijn loon af voor het financieren van de oorlog tegen het fascisme. In de eerste drie maanden stond de gecollectiviseerde textielindustrie 2,5 miljoen peseta’s aan het antifascistische militiecomité af. Een prachtig voorbeeld van vrijwillige hulpverlening!

Een van de grootste prestaties van de Catalaanse arbeiders was het opbouwen, op collectivistische grondslag, van een geheel nieuwe oorlogsindustrie. De grootste metaalfabriek was het autobedrijf Hispano-Suiza, waar 1100 arbeiders werkten. Reeds in de eerste dagen na de 19de juli ging het bedrijf over tot het fabriceren van pantserwagens, handgranaten, ziekenwagens en onderstellen voor machinegeweren. De eerste strijdwagens droegen de initialen c.n.t.-f.a.i., de beide organisaties, die in de strijd tegen het fascisme de leiding gaven en waarbij de metaalarbeiders waren aangesloten.

In de loop van de burgeroorlog werden in Barcelona 400 metaalfabrieken gesticht. Een groot deel van de wapens werd in deze fabrieken vervaardigd. De burgerlijke Catalaanse minister-president Farradellas verklaarde in oktober 1937:

“De Catalaanse wapen- en munitie-industrie heeft in de veertien maanden van haar bestaan een epos aan arbeid en scheppingskracht volbracht. Catalonië is voor eeuwen dank verschuldigd aan de arbeiders, die met grote inspanning, geestdriften, opofferingsgezindheid, dikwijls met inzet van hun leven, hebben gewerkt om onze broeders aan het front te helpen.”

De munitiearbeiders waren voor 80% syndicalistisch georganiseerd. Terwijl de politieke partijen hun strijd om de macht speelden, verrichtten de syndicalisten constructieve arbeid. Zij waren begonnen in augustus 1936 onder leiding van de energieke technicus Eugenio Vallejo, een overtuigd anarcho-syndicalist. De prestaties van de metaalbewerkers van Catalonië, die de machines tot het produceren van wapens en munitie zelf vervaardigden, vervulde de deskundige waarnemers uit het buitenland met verbazing. Slechts een zeer gering deel van de speciale machines werd geïmporteerd. In korte tijd werden 200 hydraulische persen, waaronder van 250 ton, 215 draaibanken, 178 revolverbanken en honderdtallen frees- en boormachines vervaardigd. Een jaar na het uitbreken van de burgeroorlog werden een miljoen projectielen, waaronder van 155 mm, 100.000 vliegtuigbommen en miljoenen patronen vervaardigd. In de laatste vier maanden van 1937 produceerden de gecollectiviseerde fabrieken van Catalonië 15 miljoen patroonhulzen, 3,1 miljoen patronen, een miljoen hulzen voor handgranaten en een reusachtige hoeveelheid van allerlei andere soorten oorlogsmateriaal.

Het werk van de Catalaanse metaalbewerkers was zo imposant, dat de Spaanse regering onder minister-president Negrin op 11 augustus 1938 tot het in beslag nemen van de gecollectiviseerde fabrieken overging. Deze maatregel werd gemotiveerd met de noodzakelijkheid de oorlogsindustrie onder leiding van het ministerie van Verdediging te brengen. De wezenlijke reden was de wens van de communistische adviseurs uit Rusland om deze industrie onder communistische controle te stellen. De syndicalisten was het er om begonnen de oorlog tegen Franco te winnen. Zij wilden geen onderlinge strijd in het antifascistische front laten ontstaan en hebben zich tegen deze communistische uitdaging niet verzet. Zij geloofden het na de overwinning op Franco met het handjevol communisten spoedig te kunnen klaarspelen.

Met de staatscontrole op de gecollectiviseerde wapen- en munitiefabrieken was aan het zelfbeschikkingsrecht van de arbeiders voorlopig een einde gekomen. De geweldige collectivisering van de Catalaanse metaalbewerkers blijft nochtans een grote verdienste van het Spaanse syndicalisme.

Vóór het uitbreken van de burgeroorlog importeerde Spanje jaarlijks 40 tot 50 miljoen peseta’s optische instrumenten.

Bij de handel in deze artikelen verdienden speculanten 60% of nog meer.

Het lage peil van de optische industrie in Catalonië was het gevolg van een onjuiste handelspolitiek. De arbeiders en technici van de optische industrie voelden zich zeer goed in staat de meeste optische apparaten in Spanje zelf te fabriceren. Onder het systeem van het particuliere kapitalisme was dit niet mogelijk. De importeurs waren in staat de ontwikkeling van de nationale industrie op dit gebied tegen te houden. Pas de collectivisering opende voor de ontwikkeling van de optiek in het land nieuwe mogelijkheden. De opbouw van de nieuwe industrie verliep op dezelfde wijze als de collectivisering op alle andere gebieden.

Na de overwinning op de barricaden stelden de arbeiders in alle bedrijven een controlecommissie van de vakbeweging in om te verhinderen, dat de eigenaren apparaten, instrumenten en gelden uit de bedrijven terugtrokken. Eigenaren die onder de nieuwe voorwaarden wilden meewerken, werden als gelijkberechtigde leden in het collectief opgenomen. De vakorganisatie was omgezet in een productiecollectief. Bij besluit van de vergadering werden alle lonen gelijk gemaakt. Het bedroeg, zowel voor vrouwen als voor mannen, 400 peseta’s per maand. Er werd een zogenaamd gezinsloon ingevoerd. Voor ieder lid van het gezin, dat niet in staat was te werken, werd een toeslag van 50 peseta’s per maand uitgekeerd.

De grote vernieuwing bestond in het oprichten van een fabriek voor optische apparaten en instrumenten. Het kapitaal voor dit nieuwe bedrijf werd verkregen uit vrijwillige bijdragen, die door alle leden werden verstrekt. Na korte tijd gelukte het veldkijkers, toneelkijkers, afstand- en hoekmeters alsmede apparaten voor de artillerie te vervaardigen. Voor wetenschappelijke doeleinden werden speciale glassoorten in verschillende kleuren gemaakt. Ook werden alle optische apparaten van het front in de fabriek gerepareerd. Er werd een school voor optiek gesticht met binnen- en buitenlandse leerkrachten.

De optici hadden alle reden op hun werk trots te zijn. Wat het kapitalisme niet tot stand had kunnen brengen werd door het collectieve initiatief verwezenlijkt.

In de twintiger jaren had de monarchistische regering de subsidies aan de transatlantische scheepvaartmaatschappij ingetrokken. Sedertdien ging de Spaanse scheepvaart achteruit.

Ten tijde van de militaire opstand bezat de Maatschappij zes grote oceaanschepen van in totaal 100.000 ton. De zeelieden waren grotendeels bij de c.n.t. en het kantoorpersoneel bij de u.g.t. aangesloten. De u.g.t. was op de collectivisering niet voorbereid. Pas veertien dagen na de 19de juli, nadat de syndicalisten reeds alles hadden gecollectiviseerd, ging het kantoorpersoneel op aandrang van de zeelieden tot collectivisering over. De zes schepen waren in handen van de republikeinen; geen enkel schip lag in een fascistische haven.

Na de collectivisering werden de geestelijken van de schepen ontslagen en tot 18 juli betaald. Het nieuwe collectief achtte geestelijke bijstand uit de tijd. Door het afschaffen van de hoge traktementen voor de directeuren werd jaarlijks meer dan 250.000 peseta’s bespaard. Dit maakte het mogelijk de lonen van de zeelieden en van het lage personeel te verhogen. De zeelieden stelden op een vergadering zelf de arbeidsvoorwaarden vast. Eenstemmig werd besloten de werktijd op zee op 48 en die in de havens op 40 uur te bepalen.

Daar de onderneming door de staat werd gesubsidieerd, behield deze zich een zekere zeggenschap voor. De regering stelde een directeur aan, die een hoger salaris kreeg dan waartoe de vergadering van zeelieden had besloten. De nieuwe directeur was een sociaal-democratische afgevaardigde. Hier kwam het verschil tussen collectivisering van onderop en nationalisering van bovenaf duidelijk tot uitdrukking. De collectivisering betekende gerechtigheid in het economische leven. De nationalisering betekende handhaving van de hiërarchie en van de sociale ongelijkheid.

Alle grote sociale veranderingen in de loop van de geschiedenis zijn meestal door revolutie of door het directe ingrijpen van het volk tot stand gekomen. De wetten bevestigden dan de voltrokken feiten.

Zo was het ook bij de collectiviseringen. De syndicalisten hadden er geen bezwaar tegen, dat de nieuwe stand van zaken door een wet werd bevestigd. Zij werkten aan het ontwerpen van een collectiviseringswet zelfs mee. Toen op 24 oktober 1936 de Catalaanse collectiviseringswet werd gepubliceerd, was de collectivisering reeds overal doorgevoerd. De wet riep geen nieuwe feiten in het leven. Zij bevatte bepalingen, die de arbeiders niet hadden voorzien en waarover zij niet geestdriftig waren, maar die zij toch accepteerden, omdat zij zelf de macht in handen hadden en meenden onder alle omstandigheden in de praktijk zelf te kunnen beslissen. Een van deze

bepalingen was het benoemen van vertegenwoordigers van de regering in alle grote bedrijven. Aanvankelijk bleef deze bepaling een dode letter. Niettemin betekende zij een beperking van het volstrekte beschikkingsrecht van de arbeiders ten gunste van de staat. De syndicalisten zagen in deze bepaling geen gevaar, want de vertegenwoordigers van de regering werden uit de kringen van de vakbeweging gekozen. De meer radicale anarchisten waren echter met deze bepaling niet zeer ingenomen. Zij vreesden van het ingrijpen van de staat een beperking van de revolutionaire veroveringen van de arbeiders.

Volgens de tekst van de wet op de collectivisering konden bedrijven met minder dan honderd arbeiders particulier eigendom blijven. Zij werden echter onder controle van de arbeiders gesteld. Deze controle van de arbeiders hield in het uitschakelen van willekeur van de ondernemers en invoering van een volledige economische democratie.

Ondernemingen met meer dan 50 en minder dan 100 arbeiders werden gecollectiviseerd, wanneer tweederde van het personeel daartoe besloot.

De wet stelde een opperste economische raad in voor Catalonië. Alle vraagstukken van betekenis moesten aan deze raad worden voorgelegd. Ondernemingen van buitenlandse eigenaren konden slechts met de toestemming van deze laatste worden gecollectiviseerd.

De wet op de collectivisering behelsde slechts een algemeen schema; zij omvatte maar een deel van de volledige economische veranderingen. De kleine bedrijven behoefden volgens de wet niet te worden gecollectiviseerd. Maar het collectivisme werd als een nieuwe economische vorm van het socialisme beschouwd, een tegenpool van het particuliere kapitalisme. Kapperszaken, bakkerijen, hotels, bioscopen e.d. werden niet door de wet gecollectiviseerd. De eigenaren deden vrijwillig afstand van de zelfstandigheid van hun ondernemingen. De geest van het collectivisme was over allen vaardig geworden. De kleine bedrijven schiepen een eigen socialiseringsvorm van onderop. Het socialisme had het kapitalisme vervangen.

De bij de wet benoemde controleur in de grote gecollectiviseerde bedrijven maakte deel uit van het bedrijf. Hij kon slechts met toestemming van de arbeiders worden benoemd. De leiding van het gecollectiviseerde bedrijf lag in handen van de arbeiders. De staat had geen invloed op het gecollectiviseerde bedrijf. De arbeiders waren heer en meester van productie en distributie.

Op de grote economische gemeenschappen van de afzonderlijke gecollectiviseerde bedrijven, zoals bijvoorbeeld het collectief van alle bioscopen of alle kapperszaken, was de wet niet van toepassing. De nieuwe socialistische economische toestand kwam voort uit het initiatief van de arbeiders. Hij vloeide niet voort uit de wet, maar was een nieuwe vorm van economisch leven. Hij was het werk van het volk en niet van de staat. De gesocialiseerde collectieven waren een eerste poging om het vrijheidslievende socialisme te verwezenlijken. En Spanje is het eerste land geweest, dat deze poging heeft gedaan.

Sedert de Parijse Commune is het instellen van revolutionaire gemeenteraden een van de doeleinden van de sociale arbeiders beweging geweest. De Spaanse anarcho-syndicalisten beschouwden het deelnemen aan de gemeenteraden als een sociale plicht.

De wijze waarop de gemeenteraden in Spanje na juli 1936 werden samengesteld week geheel af van het houden van normale verkiezingen. Er werden geen verkiezingen gehouden. In alle steden en dorpen, waar de republikeinen en de arbeiders de fascisten hadden verslagen, werden de antifascistische partijen en organisaties het eens over de nieuwe samenstelling van de gemeenteraad. Wanneer er slechts één partij of slechts één enkele organisatie bestond, vormde deze de nieuwe gemeenteraad alleen. Doch dit kwam slechts zelden voor. Meestal waren er verschillende groepen en ieder van deze groepen kreeg het recht zich te doen vertegenwoordigen. Ook de minderheden kregen zetels en daarmee een stem in het kapittel. Ook partijen die in een bepaalde plaats geen kiezers hadden, konden tenminste één lid naar de gemeenteraad zenden. De meerderheid deelde vrijwillig de macht met de minderheid. Dit was een nieuwe toepassing van een democratisch beginsel, dat door enkele Engelse theoretici is bepleit. Met de zogenaamde “volksdemocratieën” van de Oost-Europese staten had de wijze waarop in Spanje na de 19de juli de gemeenteraden werden samengesteld, niets te maken. In het oosten heerst één partij over alle andere. Dat is dictatuur. In Spanje hadden alle partijen en organisaties met uitschakeling van de fascisten deel aan de macht. Dat was democratie.

Het beste voorbeeld van het functioneren van een antifascistische gemeenteraad biedt Barcelona. De antifascistische organisaties en partijen sloten een gentleman’s agreement. De anarchisten en syndicalisten waren in de meerderheid, maar zagen er van af van hun positie als meerderheid gebruik te maken. Zij maakten aanspraak op negen zetels en kenden de veel kleinere Catalaanse linkse partij eveneens negen zetels toe. De socialistische eenheidspartij van Catalonië, de psgu, de partij van de bij Moskou aangesloten communisten, kreeg zes zetels, de marxistische eenheidspartij, de p.o.u.m., drie, de Catalaanse Actie eveneens drie en zelfs de partij van de pachters kreeg drie zetels, hoewel er in Barcelona geen pachters waren.

Het is moeilijk vast te stellen, in hoeverre deze samenstelling in overeenstemming was met de werkelijke sterkte van de partijen. Zeer zeker hebben de anarcho-syndicalisten niet voldoende zetels gekregen. Maar zij zagen af van het uitschrijven van verkiezingen. Er was een politieke uitzonderingstoestand, waarin in de eerste plaats samenwerking van alle antifascisten noodzakelijk was. Ieder werd bij deze samenwerking betrokken. Het tellen van stemmen werd minder belangrijk gevonden dan de gemeenschappelijke strijd tegen het binnen- en buitenlandse fascisme. Vóór 1936 werd in Spanje gezegd, dat men wel zonder de syndicalisten kon regeren, maar niet tegen hen. Na de Juligebeurtenissen was het ook niet meer mogelijk zonder hen te regeren. De syndicalistische c.n.t. vertegenwoordigde in Catalonië de grootste macht en tot haar behoorde ook in de overige delen van Spanje tenminste de helft van de antifascistische strijders.

In bet begin was het antifascistische eenheidsfront ongebroken en tussen de partijen heerste een goede verstandhouding. In de loop van de volgende maanden deden zich echter meningsverschillen voor. Dit lag in de aard van de zaak. Velen hingen nog aan het oude. De nieuwe orde leek hun te gewaagd en te revolutionair. Zij waren er op uit de na de 19de juli ingezette radicale koers op politiek en economisch terrein in te dammen. Zij organiseerden zich in de Catalaanse linkse partij en in de socialistische eenheidspartij van de communisten in Catalonië. Ofschoon aangesloten bij de Communistische Internationale, verdedigden de communisten de privaateigendom en het kapitalistische stelsel. Zij waren uit op het veroveren van een zo groot mogelijke macht, waarbij zij werden geadviseerd door Russische agenten. De anarchisten streefden naar het handhaven van de veroveringen van de 19de juli. Zij verdedigden de collectiviseringen, wilden het nieuwe sociale regime zo algemeen mogelijk doorvoeren en streefden ernaar het te bevestigen.

Spoedig kwamen de tegenstellingen op politiek terrein aan de dag. Het gevaarlijkste voor de nieuwe toestand waren de intriges van de communisten, de zogenaamde “eenheidssocialisten”. Moskou stuurde niet alleen vliegtuigen en tanks, maar ook politieke leuzen en agenten, die zich ten gunste van de communistische partij met het politieke leven bemoeiden. De anarcho-syndicalisten stonden hen in de weg. De communisten poogden de invloed van de syndicalisten terug te dringen, teneinde hun eigen politiek te kunnen doorvoeren. Ook de leden van de p.o.u.m. waren verklaarde vijanden van Stalin. Het trotskisme kreeg als het kleinere broertje van het stalinisme spoedig de zware hand van Moskou te voelen. In de gemeenteraad kwam het tot wrijvingen tussen verschillende richtingen en partijen.

De tegenstellingen verscherpten zich na de broederstrijd in de eerste week van mei 1937. De vertegenwoordigers van de p.o.u.m. werden uit de gemeenteraad van Barcelona gezet. De Moskouse “eenheidssocialisten” namen hun plaatsen in. Verkiezingen werden niet gehouden. Maar de geest van Moskou zweefde over de Spaanse politiek. Moskou leverde wapens aan de republiek. Moskou eiste daarvoor politieke winst.

De financiën van de stad Barcelona verkeerden tijdens de dictatuur van Primo de Rivera in een ontredderde toestand. De grote openbare werken en de geweldige tentoonstellingsgebouwen, die de dictatuur had laten oprichten, gingen de economische krachten van de stad en zelfs van het land te boven. De oorlog tegen het fascisme stelde aan de financiën van de stad hoge eisen. In de gewelven van het filiaal van de Spaanse Bank in Barcelona lagen 300 miljoen peseta’s. De syndicalisten en anarchisten hadden in de Julidagen deze reserves niet aangeraakt. Ook het stadsbestuur onder een anarcho-syndicalistische voorzitter deed dit niet. De onder een burgerlijke president staande Catalaanse regering had echter minder morele bezwaren. President Companys liet het geld in beslag nemen en gebruikte het voor eigen, zij het niet voor persoonlijke, doeleinden.

Men vreesde dat onder het collectivisme het gemeentebestuur moeilijk de nodige inkomsten zou kunnen verkrijgen. Het tegendeel was het geval. De door de syndicalisten gecollectiviseerde grote bedrijven droegen meer aan de gemeenten af dan de vroegere kapitalistische ondernemingen hadden gedaan. De kapitalisten beschouwden belasting als een noodzakelijk kwaad. De door de arbeiders geleide collectieve ondernemingen beschouwden het als een ereplicht de gemeente te ondersteunen.

Het gecollectiviseerde water-, gas- en elektriciteitsbedrijf schold de gemeente haar schuld kwijt. Het bedrijf besloot bovendien de stad gedurende de burgeroorlog gratis water, gas en elektrisch licht te leveren. Het door de syndicalisten gecollectiviseerde vervoerbedrijf van Barcelona stelde 10% van de ontvangsten ter beschikking van het gemeentebestuur. Dit bedroeg per jaar 10 miljoen peseta’s. Toen het bedrijf in particuliere handen was, had de belasting slechts 400.000 peseta’s per jaar bedragen.

Tegenover de geweldige bijdragen van de syndicalistische gecollectiviseerde ondernemingen aan het stadsbestuur waren de bijdragen van de kleine socialistisch-communistische en van de Catalaanse ondernemingen1 onbetekenend. Toch bestond er in Catalonië en in Barcelona geen gemeentelijk socialisme. De algemene diensten waren vóór 19 juli 1936 in handen van particulieren. Na de 19de juli zou het mogelijk zijn geweest er openbare bedrijven van te maken. Daarop was ook - naar buitenlands voorbeeld - het streven van de socialisten gericht. Maar het gelukte niet de bedrijven in handen van de gemeente te brengen. De arbeiders voelden meer voor de syndicalistische oplossing, namelijk voor de collectivisering. Zij beschouwden het als kapitalistisch, indien de gemeenten de nutsbedrijven zouden beheren. De gemeentelijke ondernemingen werkten op dezelfde wijze als de naamloze vennootschappen. Zelfs indien de gemeente meer dan de helft van de aandelen in handen had, werden er winsten gemaakt, dividend uitbetaald en de leiding van buitenaf benoemd. Een gecollectiviseerde onderneming kent geen winst, geen tantième en geen hoge traktementen voor directeuren. De bedrijfsleiding wordt er door de arbeiders zelf gekozen. Een vrijheidslievend gecollectiviseerde onderneming zonder staatstoezicht heeft geen parasieten en kent geen bureaucratie. De Spaanse arbeiders beschouwden het collectivisme als de rechtvaardigste en meest vooruitstrevende vorm voor het economische leven.

Overal waar het volk na de 19de juli over de militaire opstandelingen zegevierde, voltrok zich een diep ingrijpende verandering in de eigendomsverhoudingen en in de productiewijze. De lang gekoesterde wens van de landarbeiders en de kleine boeren om eindelijk in het bezit van de grond te worden gesteld werd verwezenlijkt. Het land was eens in handen van de voorouders van de boeren geweest en onder de meest uiteenlopende voorwendselen was het hun door de militaire kaste, de adel en later door de bourgeoisie ontroofd. De monarchen hadden in de loop van de geschiedenis deze landroof goedgekeurd en er soms aan deelgenomen. De landelijke bevolking zag daarom in de monarchie en in de adel haar natuurlijke vijanden. De agrarische revolutie breidde zich uit over geheel Spanje.

De eis om land had zich sedert eeuwen niet gewijzigd. Het streven van de landarbeiders richtte zich echter in de loop van de vorige eeuw, in het bijzonder onder de invloed van de arbeidersbeweging en van de socialistische en anarchistische theorieën op andere doeleinden. Tijdens de Franse Revolutie namen de Franse boeren het land in bezit, verdeelden het onder elkander en bewerkten het te eigen bate. Sedertdien heeft zich in Frankrijk een krachtige stand van kleine boeren ontwikkeld. De kleine grondbezitter verdedigt zijn eigendom met grote hardnekkigheid. Hij is conservatief geworden. Zijn grond is zijn wereld. De productiewijze is individualistisch. De coöperatieve samenwerking stiet in het begin op verzet, maar de individuele productiewijze remde de technische vooruitgang. De moderne techniek vond op het land en speciaal onder de kleine boeren slechts langzaam ingang. Tot op de huidige dag spant de boer de ossen voor zijn ploeg en trekt hij de vore met evenveel moeite als zijn voorvaders het voor duizend jaar deden. Ondanks de vooruitgang op alle gebied heeft de techniek op het land nog weinig ingang gevonden.

Bij het uitbreken van de Russische revolutie in 1917 gingen de boeren op dezelfde wijze te werk als hun Franse collega’s anderhalve eeuw daarvoor; zij onteigenden de adellijke grootgrondbezitters en verdeelden het land onder elkander. Onder invloed van de bolsjewiki werden later kolchozen en op last van de staat sovchozen gevormd. De Russische collectieven in het landbouwbedrijf waren echter niet het werk van de boeren. De landelijke bevolking werd door de bolsjewistische partij gedwongen collectieve bedrijven te vormen. De kolchozen en de sovchozen waren aan de controle van de staat onderworpen. Slechts bij uitzondering zijn zij aan het initiatief van de boeren zelf te danken. Indien de bolsjewiki de Russische staatsmacht zouden verliezen, zou het grootste deel van de gedwongen collectieven waarschijnlijk weer ontbonden worden. De boeren zouden tot de individuele productiewijze terugkeren.

In Spanje ligt de zaak anders. Daar is het collectivisme op het land een oud verschijnsel. Reeds in de negende eeuw leefden onder de Spaanse boeren collectivistische gedachten. Toen de Arabieren uit Spanje werden verdreven, ontstond op vele plaatsen zogenaamd niemandsland. Dit land werd door de boeren zonder tussenkomst van de feodale meesters in bezit genomen. De boeren hielpen elkander wederkerig bij de landarbeid. Reeds toen werden onder de Spaanse boeren collectieve arbeids- en productiemethoden toegepast. Bij deze oude traditie heeft de moderne socialistisch-syndicalistische beweging in Spanje aangeknoopt. De oorspronkelijke vorm van het Spaanse socialisme is het anarchisme en het syndicalisme. De marxistische ideeën hebben er pas later als een vreemd element hun intrede gedaan. Het collectivisme en het communalisme waren in Spanje reeds lang voor de opkomst van de moderne socialistische beweging bekend.

Bij deze collectivistische traditie hebben ook de landarbeiders aangeknoopt. Overal waar zij de fascisten hadden overwonnen, verklaarden zij de bodem tot eigendom van de gemeente. Zelfs in Catalonië, het typische land van de kleine pachters, van de zogenaamde rabassaires, vond het collectivisme ingang. Een Catalaanse conferentie van landarbeiders, die onmiddellijk na de overwinning op de fascisten in Catalonië bijeenkwam, heeft een oproep tot de landarbeiders gericht, waarin het volgende werd gezegd:

“Het kleingrondbezit vindt zijn oorsprong in de geest van onafhankelijkheid van ons volk. In haar streven om zich van de loonslavernij of van de uitbuiting door de grondbezitters te bevrijden, had de landelijke bevolking slechts één wens, het land dat zij bewerkt haar eigen land te kunnen noemen. Had een boer eindelijk zijn eigen stuk land, dan werkte hij ingespannen dag en nacht met zijn gehele gezin en desondanks had hij niet voldoende om te leven. Hij pleegde roofbouw op zijn gezondheid en leefde niet beter dan zijn vee.”

“De moeitevolle arbeid van de kleine boer en zijn toewijding aan zijn stukje grond zijn een betere zaak waardig. Deze betere zaak is het collectief van de landarbeiders, die gevormd wordt door een moderne en rationele arbeidsgemeenschap van de landelijke bevolking. Helaas stuit de collectivisering bij vele kleine boeren op verzet, Het grondbezit is voor de kleine boer zijn een en zijn alles. Hij acht dit door de collectivisering in gevaar gebracht. De Catalaanse kleine boer staat wantrouwend tegenover de collectivistische werkgemeenschap. Zijn wantrouwen is gerechtvaardigd, want reeds al te vaak is hij bedrogen.”

Het syndicalistische congres van landarbeiders heeft rekening gehouden met deze verhoudingen en met de individualistische gezindheid van de kleine boeren. Het besloot dat niemand tot collectivisering mocht worden gedwongen. Gedwongen kolchozen als in Rusland zouden in Catalonië niet worden ingevoerd. Het congres wees er op, dat gedwongen collectivisering slechts haat kan verwekken en het grote werk van de vooruitgang en het vrijheidslievende collectivisme in diskrediet zou brengen. Wie tot medewerking aan een collectief wordt gedwongen, die saboteert. Alleen door het voorbeeld van landarbeiderscollectieven in werking kunnen de kleine boeren tot het collectivisme worden bekeerd. Wanneer de collectieven door moderne arbeidsmethoden en door het gebruik van nieuwe landbouwmachines, kunstmest enz. met minder inspanning betere resultaten verkrijgen, zullen de aanvankelijke tegenstanders vanzelf aanhangers van het collectivisme worden.

Bij het doorvoeren van de collectivisering werden de volgende richtlijnen in acht genomen. Alleen indien de gehele bevolking bereid is tot collectivisering, kan deze zich over het gehele dorp uitstrekken. Niemand mag tot toetreding worden gedwongen. Kleine boeren en kleine pachters hebben het recht zelfstandig verder te werken, wanneer zij niet tot het collectief willen toetreden.

Met behulp van de vakorganisaties vormden de landarbeiders grote collectivistische hoeven. Deze hoeven konden slechts met behulp van de vakorganisaties en door samenwerking met de stedelijke vakorganisaties worden geëlektrificeerd. Ook de bevloeiings- en drainagewerkzaamheden konden slechts met behulp van de vakorganisaties worden verricht. Daarom was de samenwerking van de vakorganisaties van de industrie- en van de landarbeiders van de grootste betekenis voor de vooruitgang en voor de bevordering van de welvaart.

In overeenstemming met de federalistische grondbeginselen van het syndicalisme werd afgezien van dwang om de collectivisering overal op dezelfde wijze door te voeren. In ieder dorp hadden de collectieven de vrijheid de samenwerking op haar eigen wijze en in overeenstemming met de plaatselijke gewoonten te organiseren.

Een voorbeeld van een landarbeiderscollectief gaf het dorp Valls in Catalonië te zien. Hier was de verbrokkeling van het land over vele kleine boeren een belemmering voor het moderniseren van de landbouw. Talrijke landarbeiders en kleine boeren hebben zich daarom verenigd tot een werkgemeenschap of een productie- en distributiecollectief.

De toetreding tot het collectief was vrijwillig. Zij gold van 1 november tot 31 oktober. Na verloop van een jaar stond het de boeren vrij het collectief te verlaten. Het collectief stelde zich ten doel het land van de leden gemeenschappelijk te bewerken. Het grondbezit van het collectief bestond uit het vrijwillig door de leden afgestane land, braakliggend land en het in beslag genomen land van degenen, die aan de fascistische opstand tegen het volk hadden deelgenomen. Wie tot het collectief toetrad kreeg een bewijs voor het vee en de werktuigen die hij had meegebracht. Bij uittreding uit het collectief had hij het recht zijn eigendom terug te vragen.

De bewerking van het land geschiedde door groepen, waarvan het aantal op een gemeenschappelijke ledenvergadering werd bepaald. Aan het hoofd van iedere groep stond een op de ledenvergadering gekozen gedelegeerde. De gezamenlijke gedelegeerden vormden een arbeidscommissie, die het werk organiseerde. De leden hadden echter het recht op een algemene vergadering de besluiten van de arbeidscommissie te wijzigen.

Een echtpaar zonder kinderen kreeg 32 peseta’s per week. Indien het een familielid tot zijn last had, ontving het 36 peseta’s, terwijl het bedrag tot 39 peseta’s kon stijgen, indien er kinderen waren.

Bij ziekte werd het volle loon uitbetaald. Brandhout kregen alle leden van het collectief gratis. Bij het overlijden van een lid kreeg het gezin gedurende het gehele overgangsjaar het volle loon. Leden tussen 14 en 16 jaar kregen 50 en jongens tussen 16 en 18 jaar 75% van het loon. Boven 65 jaar ontving men het halve loon, verhoogd met een ouderdomsuitkering.

Het collectief benoemde een bestuur, dat de financiën beheerde en verantwoording verschuldigd was aan de algemene ledenvergadering. Een arbeidsgroep belastte zich met de verzorging van groente, die op de markt tot de laagst mogelijke prijzen werd verkocht. De prijzen waren voor leden en niet-leden gelijk.

Het collectief stichtte een spaarbank voor de leden. De bank betaalde 3%rente. Leden die elders als dagloner werkten, moesten hun loon aan het collectief afdragen. Als de landarbeid was begonnen, werden tot het nieuwe oogstjaar geen nieuwe leden aangenomen. Een uitzondering werd gemaakt voor strijders die van het front huiswaarts keerden. Leden die hun plicht verzuimden moesten zich voor de ledenvergadering verantwoorden. Maatregelen tegen hen konden slechts worden getroffen, wanneer driekwart van de leden daar voor was. De ledenvergadering was de hoogste instantie van het collectief. Zij had het recht de statuten te veranderen en tot het nemen van alle besluiten in het belang van het collectief.

Het landarbeiderscollectief in Valls was één voorbeeld van een productieve coöperatie in de landbouw. Steeds zijn er in het dorp kleine boeren en pachters geweest, die zich niet aansloten.

In het gehucht Sollana bestond een ander type van collectivisering. De meerderheid van de inwoners was lid van de c.n.t., de socialisten vormden er de minderheid. Onder de invloed van de gebeurtenissen besloot de bevolking het gehele economische leven te collectiviseren en een vrijheidslievend-socialistische commune te vormen. Dit besluit werd op een openbare vergadering genomen.

Het land van de fascisten werd in beslag genomen. Een gezin dat zelfstandig wilde blijven werken, kreeg in het algemeen niet meer dan 12 ha grond. Gezinnen met grote zoons mochten 18 ha bezitten. Maar de particuliere ondernemingen werden op hun efficiency en productiviteit door het collectief gecontroleerd.

Ook de industriële ondernemingen werden in het collectief opgenomen. Ondernemingen welke zich bij het collectief aansloten werden door haar gecontroleerd, op dezelfde wijze als de alleenstaande boeren. Daar het leenstelsel was afgeschaft, konden zelfstandige ondernemers geen loonarbeiders aanstellen. Zij hadden echter het recht met hun gezinsleden in hun bedrijf te werken.

Het plaatselijke collectief betaalde de leden een gezinsinkomen uit, met sociale toeslag. Het loon werd betaald in biljetten van het collectief, een soort van plaatselijk geld. Desgewenst werd dit geld tegen dezelfde koers ingewisseld tegen Spaans geld. De huizen kwamen onder beheer van het collectief.

Gerona is een typische kleine stad met een middeleeuws karakter. Overal ziet men de sporen van het verleden. Er staan mooie patriciërshuizen en oude kerken in Gotische stijl. Er zijn talrijke kloosters met solide muren, waarachter de tijd stil is blijven staan.

De kerk heeft op de bevolking haar stempel gedrukt. De aartsbisschop stond aan het hoofd van een arrogante klasse van landeigenaren en rijke burgers. De kleine burgers waren de kerkelijke waardigheidsbekleders tot in het serviele onderdanig.

Op 19 juli was de geestelijkheid er van overtuigd, dat de generaals zouden zegevieren. Zij vertrouwden op het garnizoen. Wat elders ook mocht gebeuren, in Gerona zou alles bij het oude blijven.

Maar de arbeiders dachten er anders over. Zij wisten wat hun te wachten stond, als de generaals zouden overwinnen. Vrijwillig zouden zij niet bukken. Zij verdedigden hun vrijheid onder het inzetten van hun leven.

De fascisten ter plaatse vormden strijdgroepen en trokken hun trawanten buiten de stad tegemoet. Toen het bericht kwam, dat de militaire opstand in Barcelona had gefaald, gaven zij zich gewonnen. De manschappen van het garnizoen zegden de officieren de gehoorzaamheid op. Zij verbroederden zich met de arbeiders. Het volk zegevierde zonder dat er bloed was gevloeid.

In de stad brak een nieuwe geest baan. De stad met 30.000 inwoners kwam onder het bewind van de c.n.t., waarbij 6000 betalende leden waren aangesloten. Zij verwezenlijkten de leer van Christus, dat alle mensen gelijk zijn. De vakorganisatie van bouwvakarbeiders schafte het verschil van loon tussen geschoolde en ongeschoolde arbeiders af. Ieder zonder onderscheid kreeg een weekloon van 70 peseta’s. De ondernemers werden uitgeschakeld. De organisatie stichtte één grote bouwonderneming. Architecten en aannemers werden er als gelijkberechtigd in opgenomen. De socialisatie breidde zich spoedig over de gehele provincie Gerona uit. De winst van de ondernemers was uitgeschakeld, maar oude arbeiders die niet meer in staat waren te werken, werden gepensioneerd.

De kleine bedrijven volgden het voorbeeld van de bouwvakarbeiders. Het transportwezen, de metaalindustrie en het maalbedrijf werden gecollectiviseerd.

De onbetekenende minderheid van socialistische arbeiders wilde niet achterblijven. Zij kregen geen advies van hun centrale in Barcelona, doch meenden goed te doen zich aan de zijde van de syndicalisten te stellen.

Ook de bioscopen, de hotels en de theaters werden gecollectiviseerd. Alle bedrijven droegen vrijwillig 10% van de ontvangsten aan het stadsbestuur af. Het personeel in de bioscopen en de restaurants aanvaarde geen loonsverhoging. Een deel van de winst werd gebruikt voor het treffen van hygiënische en esthetische maatregelen.

Ieder dacht meer aan het welzijn van de gemeenschap dan aan zijn persoonlijk belang. Over de bevolking was een geest van sociale vernieuwing gekomen. Toneelspelers, kelners en de leden van het bioscooppersoneel werkten drie uur per dag in een nieuw ingerichte kleermakerswerkplaats om kleding voor de soldaten te maken.

De syndicalisten waren nooit tevoren burgemeester of lid van een gemeenteraad geweest. Nu zij het bestuur van de stad in handen namen, vergaten zij niet arbeiders te zijn geweest. Zij voerden vele verbeteringen in. De lucht in vele straten van de stad wordt verpest door het afvalwater. Er werden kanalen aangelegd om de stad te saneren. Door het aanleggen van een stuwdam in het riviertje de Ter werd het land in de omgeving van de stad bevloeid. De oude onhygiënische markt werd door een nieuwe vervangen.

Naar het bekende voorbeeld van Wenen ontwierpen de bouwvakarbeiders een groot project voor de bouw van woningen. De huren van luxewoningen werden met 75, die van burgerhuizen met 50% verhoogd, teneinde de huren voor de arbeiderswoningen te kunnen verlagen. Voor de levensmiddelen werden maximum prijzen vastgesteld. Bij overtreding daarvan werd de zaak gesloten en werden de waren in beslag genomen.

Tweeduizend inwoners van Gerona trokken vrijwillig naar het front. De kelners lieten hun werk aan vrouwen over, evenals vele kantoorbedienden. Bouwvakarbeiders stelden zich beschikbaar voor versterkingswerken aan het front. Vijftig jongelieden die voor priester studeerden, legden de soutane af, zij werkten mee aan de sanering van de stad en sommigen traden in het huwelijk.

Het middeleeuwse Gerona was een vriendelijke en opgewekte stad geworden. De schijnheilige geest had plaatsgemaakt voor een geest van vrijheid en gerechtigheid.

Het panorama van het land van de Catalaanse kust is rijk aan afwisseling. In het noorden stijgen rotsen uit de zee op, die aan de kust de naam Costa Brava (Wilde Kust) hebben gegeven. Naar het zuiden toe is het land met druiven en olijven beplant; daarop volgt een lange strook waar rijst groeit tot aan de mond van de Ebro.

De Ebro ontspringt bij Santander in Noord-Spanje, heeft een lengte van 928 km en mondt uit in de Middellandse Zee. Het “Iberische schiereiland” is naar deze rivier genoemd. Aan de mond is zij 300 m breed. De Ebro is de bron van de vruchtbaarheid van het land. Door middel van talloze kanalen bevloeit zij de rijstvelden.

Om dit stuk gezegend land zijn sedert de oudheid bloedige oorlogen gevoerd. De Ibero-Keltische inwoners werden door de Romeinen verdrongen. In deze streek leerde Hannibal van zijn vader de krijgskunde. Later drongen de West-Goten en de Vandalen het land binnen.

Het milde klimaat verzekerde de bewoners een vast bestaan. Op de perioden van oorlogen volgden tijden van opbouw. Parasitaire veldheren overheersten de nijvere bevolking. Uit het zuidwesten kwamen de Moren het land binnen. Zij bouwden paleizen en legden sierlijke tuinen aan. Zij brachten uit het oosten het Babylonische bevloeiingssysteem mee. Tot op de huidige dag is geen beter systeem gevonden.

De oude waterwerken van de Levant zijn nog steeds in functie. Onder de heerschappij van de Arabische veroveraars ontwikkelde zich een hoge cultuur. De bevolking leefde in vrede en welvaart. Ieder had godsdienstvrijheid. “Toen de Moren in het land waren, had ge kleren van zijde. Daarop zijn de christenen gekomen en nu gaat ge in lompen gekleed”, riep een dichter uit Andalusië zijn landgenoten toe.

De periode van de christelijke koningen heeft voortgeduurd tot in onze tijd. De laatste van de Bourbons, Alfons XIII, werd in 1931 door het volk afgezet. Toen de republiek werd geproclameerd, geloofde het Spaanse volk, dat een tijdperk van vrijheid en sociale gerechtigheid was aangebroken.

In het zuiden van Catalonië ligt aan de rechteroever van de Ebro het stadje Amposta met zijn oude, doch blanke huizen, die ieder jaar door de vrouwen worden gewit. De boeren van Amposta bewerken hun rijstvelden op de wijze als hun voorouders het sedert eeuwen hebben gedaan. Amposta met zijn 10.000 inwoners is het centrum van de rijstbouw. De revolutie heeft het eeuwige ritme van de arbeid niet verstoord, maar gaf haar nieuwe impulsen. De rijstoogst was in het eerste jaar van de revolutie goed: 36.000 ton gepelde rijst.

Na de revolutie werden de rijstvelden collectief eigendom. Niet langer waren de landarbeiders slaven. Van de herendiensten waren zij verlost en daarmee was een oude wens vervuld.

Door de gemeenschappelijke arbeid op het land van de gemeente werd het werk vergemakkelijkt. Het collectief begon met 14 tractoren, 15 dorsmachines en 70 paarden. Met behulp van de regionale landarbeidersfederatie werd een groot hoenderpark aangelegd. Men schafte zich broedmachines aan, die wekelijks 2000 eieren uitbroedden. Men doet moeite Deense centrifuges te krijgen voor het maken van boter.

De toetreding tot het collectief was vrijwillig. Wie met zijn gezin individueel wilde werken, verkreeg daarvoor van de gemeente een stuk land. Het vrijheidslievende collectivisme berust niet op dwang.

Het in de meerderheid uit anarcho-syndicalisten bestaande gemeentebestuur nam allereerst de verbetering van het onderwijs ter hand. In het oude Spanje waren vele kerken, doch slechts weinig scholen. Thans zouden er meer scholen worden gesticht, zo nodig in leegstaande kerken. Dat er vele analfabeten waren werd als een schande gevoeld. De gemeenteraad stichtte avondscholen voor volwassenen. Ook een vakschool en een stadsbibliotheek werden gesticht, terwijl voordrachten werden georganiseerd over landbouwkundige onderwerpen. Dat alles had Amposta eerder niet gekend. De anarchisten bewezen, dat zij niet slechts tegen tirannen weten te strijden, maar ook in staat zijn het volk ontwikkeling bij te brengen.

Op hun initiatief werd een leegstaande kerk ten behoeve van een verbruikscoöperatie ingericht. Daar waren de artikelen goedkoper dan bij de handelaren. Ook werd door de gemeente een ouderdoms- en ziekteverzekering ingevoerd. Er werd een nieuw ziekenhuis gesticht, waarin men gratis werd behandeld. Van een vroeger landgoed buiten de stad werd een sanatorium voor longlijders gemaakt.

Dit sociale opbouwwerk werd vooral door de anarchistische jeugd van de Juventud Libertaria ter hand genomen. Deze jeugd was met geestdrift voor de nieuwe tijd vervuld. De revolutie had nieuwe krachten losgemaakt. Jongens en meisjes zetten in de strijd tegen het fascisme onverschrokken hun leven op het spel. Dienst aan het volk was hun parool, vrijheid hun ideaal.

Zestig kilometer ten zuiden van Barcelona ligt aan de kust van de Middellandse Zee de vissersplaats Villanueva y Geltrú met 20.000 inwoners. De meerderheid van de arbeidende bevolking was bij de anarcho-syndicalistische organisaties aangesloten. Na de 19de juli hadden de c.n.t. en de f.a.i. in de gemeenteraad het grootste aantal zetels. Maar de linkse burgerlijke partijen, de socialisten, de communisten, de p.o.u.m. en de kleine pachters waren er eveneens vertegenwoordigd.

De anarcho-syndicalisten hadden als de sterkste groep het recht de burgemeester aan te wijzen. Maar zij deden afstand van dit recht. Op hun voorstel werd het ambt van burgemeester afgeschaft. De gemeenteraad vergaderde eenmaal per week. Voor elke vergadering werd een andere voorzitter benoemd. De gemeenteraad werd in verschillende commissies verdeeld. De voorzitter van elke commissie bracht op iedere vergadering van de gemeenteraad verslag uit van haar werkzaamheden. Over voorstellen werd bij meerderheid van stemmen beslist.

Het systeem werkte tot aller tevredenheid. Er heerste een anarchistische orde. De stad werd uitstekend bestuurd. Alle politieke richtingen, zelfs de burgerlijke partijen, accepteerden het antiautoritaire bestuursbeginsel. Men wenste geen gewichtig doende burgemeester met een hoog traktement. Niemand maakte aanspraak op dictatoriale macht. Iedere richting had het recht zich te ontplooien. Deze vorm van anarchisme was niet anders dan een consequent doorgevoerde democratie. Vrijwilligheid werd boven dwang, samenwerking boven gezag gesteld.

In de omgeving van Villanueva y Geltrú waren drie landbouwcollectieven. Een was door de anarchisten gesticht, een andere door de socialisten en de derde door kleine pachters zonder socialistische ideologie. De drie collectieven berustten alle op het beginsel van gemeenschappelijke arbeid, wederkerig dienstbetoon en economische gelijkheid.

De landelijke bevolking was door de geest van sociale vernieuwing gegrepen. Arbeiders die vroeger wekenlang hadden gestaakt voor een paar centen meer per uur, deden afstand van de door de regering gedecreteerde loonsverhogingen. De bedrijven waren nu in hun handen, de collectieven waren hun eigen werk. Thans stelden zij zich een hoger doel. De oorlog tegen het fascisme eiste offers, die ieder vrijwillig op zich nam. Vaak werd de werktijd overschreden om de strijders aan het front te kunnen helpen, Niet zelden werkten de arbeiders op zondag of na afloop van hun dagtaak aan nieuwe schoolgebouwen en ziekenhuizen zonder daarvoor betaling te verlangen.

In Villanueva y Geltrú bestond een rubberfabriek met 1500 arbeiders. Pirelli, de Italiaanse eigenaar, was gevlucht en de arbeiders collectiviseerden het bedrijf. De werktijd werd op 40 uur per week gesteld. Maar toen het front autobanden nodig had, werd er vrijwillig 48 uur per week gewerkt. Toen het bedrijf nog in particuliere handen was, zouden arbeiders daartoe nooit bereid zijn geweest. Maar nu men geen meester meer behoefde te gehoorzamen diende men vrijwillig de belangen van de gemeenschap.

Vrijheid is de beste opvoeder.

Bijschrift bij hoofdstuk 5

Naar de mening van de schrijver van “Nacht über Spanien” zouden de anarchisten en syndicalisten in Catalonië na 19 juli 1936 geen andere keus hebben gehad dan een dictatuur in te voeren of de staat met Companys als president te handhaven. Met dit standpunt - dat door vele Spaanse en andere kameraden wordt gedeeld - zijn wij (vertalers) het niet eens. Naar onze mening was in 1936 in Spanje - en zeker in Catalonië - de mogelijkheid voorhanden de revolutie ook op politiek terrein door te voeren zonder in strijd te handelen met de beginselen van het anarchisme.

Op economisch terrein heeft zich in Spanje op initiatief van de syndicalisten in juli 1936 een sociale revolutie voltrokken zonder dat zij tot dictatuur hun toevlucht hebben behoeven te nemen. De Spaanse anarcho-syndicalisten hebben namelijk niet het standpunt ingenomen, dat de macht in de bedrijven in hun handen moet komen, maar in die van alle werkers in de bedrijven, ongeacht hun politieke beginselen. Het enkelvoudige bedrijf werd autonoom verklaard. In ieder bedrijf werden de zaken geregeld door de arbeiders van het bedrijf zelf. Volgens de beginselen van het federalisme - dus van onderop - hebben de bedrijven zich vrijwillig tot groter eenheden verenigd, met verantwoording naar beneden en als leidend beginsel, dat - naar een woord van Proudhon - vrije mensen zich alleen gebonden voelen door hetgeen zij vrijwillig zijn overeengekomen.

Precies hetzelfde ware mogelijk geweest op het politieke terrein. Hier had niet de autonomie van de bedrijven, maar de autonomie van de gemeenten kunnen worden doorgevoerd. In iedere gemeente hadden de zaken geregeld kunnen worden, niet door de anarchisten, maar door alle volwassen inwoners van de gemeente, ongeacht hun politieke gezindheid. Volgens de beginselen van het federalisme - dus van onderop - hadden de gemeenten zich vrijwillig tot groter eenheden kunnen verenigen, met verantwoording naar beneden en volgens hetzelfde leidende beginsel van Proudhon. De staat zou dan plaats hebben moeten maken voor de vrije federatie(s) van gemeenten. Van dictatuur zou hierbij evenmin sprake zijn geweest als dat er in de gecollectiviseerde bedrijven dictatuur heeft geheerst.

Indien het waar zou zijn, dat zelfs een overmachtige anarcho-syndicalistische volksbeweging een politieke revolutie alleen kan voltrekken door een politieke dictatuur in te voeren, is daarmede het anarchistische beginsel veroordeeld en hebben de bolsjewiki gelijk, want het zou betekenen dat een revolutie niet mogelijk is zonder dictatuur, zodat men óf de revolutie óf het anarchistisch beginsel zou moeten prijsgeven.

Het boek van Souchy vermeldt tientallen feiten, waaruit op hoogst pijnlijke, ja vaak beschamende wijze blijkt, dat de zogenaamde politieke tolerantie van de Spaanse anarchisten tegenover de staatsheerschappij op een schromelijk fiasco is uitgelopen, niet doordat zij zich aan hun beginselen hebben gehouden, maar doordat zij in strijd met die beginselen de staatsmacht in handen van hun tegenstanders hebben gelaten op het moment, dat zij die volksvijandige macht ten val hadden kunnen en dus hadden moeten brengen. Dat zij later - in strijd met de allereerste beginselen van het anarchisme - zelf in een staatsregering zitting hebben genomen was slechts de - misschien onvermijdelijke - consequentie van hun standpunt in juli 1936.

Men versta ons goed. Wij schrijven dit niet als betweter. Onze Spaanse kameraden hebben op het gebied van sociale vernieuwing en bevrijding meer gepresteerd dan enig ander volk en zij zijn ons allen in dit opzicht ver vooruit. Wij zijn hun leerlingen. Maar het leven van plant, dier en mens is één grote proefneming en ontwikkelt zich in steeds nieuwe vormen na vroeger falen. Wij schrijven over het probleem van de politieke revolutie, omdat wij willen profiteren van de Spaanse ervaring. Wij zeggen zeker niet, dat wij het beter zouden hebben gedaan dan de Spaanse kameraden, maar wij menen, dat het voortaan anders moet.

Het geheim van het succes van de collectivisering, schrijft Souchy, ligt grotendeels in de systematische wijze, waarop de syndicalisten zich op deze sociale revolutie hebben voorbereid. Dit is volkomen waar voor wat het economische leven betreft, maar voor wat de politieke kant van de samenleving betreft was er weinig of geen voorbereiding, hetgeen zeer tragische gevolgen heeft meegebracht. Wij zien de oorzaak hiervan in het te grote negativisme in politiek opzicht van de anarchistische beweging, die zich naar onze mening ernstig zal moeten bezinnen op de politieke vormen, die staat, gezag en geweld moeten vervangen. Want men kan de oude vormen slechts vernietigen door er nieuwe en betere voor in de plaats te stellen. Een revolutie is geen sociaal-politieke eenheid en wanneer men een van deze beide zijden verwaarloost, verkeert ook de andere in voortdurend levensgevaar, zoals de grote les van Spanje heeft geleerd.

De tactische overwegingen, die de Spaanse kameraden bij het bepalen van hun standpunt ten aanzien van de politieke revolutie hebben laten gelden, blijven hier onbesproken. Wij hebben ons beperkt tot de principiële kant van het vraagstuk.

Redactie a.s.p.

 

6

 

Het vrijheidslievende socialisme in Aragon

 

In vrijheid te leven was het streven van de boeren van Aragon. Na het neerslaan van de militaire opstand in Barcelona vormden zich in alle plaatsen antifascistische milities. Reeds in de eerste week na 19 juli werden drie anarchistische militie-colonnes gevormd. De sterkte van een colonne stemde overeen met die van een divisie. De eerste colonne werd geleid door de bekende anarchist Buenaventura Durruti.

De colonnes van de confederatie rukten op in Aragon, maar kwamen voor Huesca tot stilstand. Uit de revolutie kwam een stellingoorlog voort. De strijd op de barricades in de steden werd gevolgd door een oorlog in de loopgraven aan het front. Waar de antifascistische colonnes oprukten, vonden grote sociale veranderingen plaats.

Aragon was altijd een bolwerk van het anarchisme geweest. Voor de landelijke bevolking van Aragon was de sociale revolutie een realiteit. De boeren proclameerden met een bijna religieuze ijver het “vrijheidslievende communisme”. Het collectivisme was in Aragon reeds in het verleden bekend.

Vierhonderdvijftig dorpen voerden een nieuwe maatschappelijke en economische orde in. Meer dan een half miljoen boeren veranderden vrijwillig de eigendomsverhoudingen, de wijze van werken en het sociale regime.

De sociale veranderingen kenmerkten zich door grote verscheidenheid. Het nieuwe systeem was niet eenvormig. Er waren collectieven van samenwerkende zelfstandige boeren en andere met een volkomen gemeenschap van goederen.

Groepen van vijf tot tien personen gingen ’sochtends naar het gemeenschappelijke werk op het land. Zij kozen een leider en gedelegeerde. Ieder was op zijn beurt gedelegeerde.

Ieder lid van het collectief kreeg een producentenboek. Daarin werden de prestaties, de landbouwwerktuigen en het vee genoteerd, die ieder had geleverd.

In de regel vonden algemene dorpsvergaderingen plaats, waarop werd besloten een collectief te vormen. De bodem werd tot eigendom van de gemeente verklaard. De oogst werd in het gemeentehuis opgeslagen. De dorpsvergadering was soeverein. Zij bepaalde wat in het dorp moest blijven en wat voor de ruilhandel was bestemd. Alle arbeid werd gelijkwaardig verklaard. De opbrengst van de gemeenschappelijke arbeid werd gelijkelijk verdeeld. De algemene richtlijn was: ieder werkt naar zijn kracht en ontvangt naar zijn behoefte.

De collectieven vormden kantonnale federaties. Zo’n kantonnale federatie was een economisch centrum, waar de te ruilen producten werden ingeleverd. De kantonnale federaties vormden gezamenlijk een regionale federatie. Er was een opperste economische raad voor het gehele gebied. Alleen de centrale aangelegenheden werden door deze raad geregeld. De dorpen handhaafden hun economische onafhankelijkheid en ruilden onder elkander zelfstandig hun producten. Zo ruilden de dorpen in Aragon hun koren tegen de rijst van de dorpen in Taragona. Aanvankelijk was men tegen geleide economie. Later besloot een congres van de collectieven de economische raad te machtigen om bepaalde algemene regelingen voor het gehele gebied te treffen.

De opperste economische raad van Aragon trof regelingen voor het verkeer, zorgde voor het onderhoud en de aanleg van de wegen en voor telefoonaansluitingen. De collectieven uit het gebied van Barbastro voorzagen de colonnes voor Zaragossa van levensmiddelen. Ten slotte hadden zij niet genoeg meer voor hun eigen gebruik. Toen pas wendden zij zich tot de regering om hulp.

Zeven maanden na de 19de juli verlangde een congres van de vrije dorpsgemeenten van de regering de wettelijke erkenning van de doorgevoerde onteigeningen. De collectieven als zodanig hadden geen wettelijke erkenning nodig, zij berustten op de vrijwillige samenwerking van de boeren.

Het initiatief tot de collectivisering werd door de syndicalisten genomen. In vele dorpen sloten de socialisten zich aan. Het partijbestuur van de socialistische arbeiderspartij in Spanje heeft nooit een duidelijk standpunt ingenomen. De partij duldde de collectiviseringen, maar propageerde ze niet. De bolsjewisten namen aan het collectiviseringsproces geen deel. Zij hadden geen directieven uit Moskou ontvangen. Toen deze later wel kwamen, bestreden zij het collectivisme. Terwijl hun partijgenoten in Rusland het collectivisme met dwang invoerden, bestreden de Spaanse bolsjewisten de vrijheidslievende collectieven van de anarchisten.

Stalin had Largo Caballero aangeraden van revolutionaire veranderingen af te zien. Het agrarische program van de communistische partij in Spanje was volkomen in tegenstelling met de gedwongen collectivisering in de Sovjet-Unie. De hoofdoorzaak van deze tegenstelling was gelegen in de omstandigheid, dat de bolsjewiki onder de Spaanse arbeiders en boeren maar weinig aanhang hadden. Zij bestonden hoofdzakelijk uit intellectuelen, officieren en kleine burgers. Deze klassen van de maatschappij waren tegen de collectivisering, Een jaar na de 19de juli 1936 stelde de Spaanse communistische partij een agrarisch program op, waarin de particuliere eigendom van de grond werd erkend. De collectivisering werd daarin afgewezen en de vorming van productieve coöperaties in de landbouw aanbevolen. De bolsjewiki hoopten door deze politiek de kleine burgers en landeigenaren te winnen.

Midden in een uitgebreid steppenland ligt een vruchtbaar dal met het stadje Alcañiz als middelpunt. Hier wonen 8000 landarbeiders en kleine boeren. Onder de bevolking leefden sedert jaren de antiautoritaire ideeën. “Land en vrijheid” was de leus van de landarbeiders, volgens de stelling dat het land behoort aan degene die het bebouwt. Toen na de 19de juli de reactie was verslagen, stelde men zich niet tevreden met politieke hervormingen, maar werd het “Comunismo Libertario”, het vrijheidslievende communisme, ingevoerd.

Wie geen deel wilde uitmaken van het collectief kon geen lid worden van de vakorganisatie. Hij was een buitenstaander, een “individualist”. Later sloten de individualisten zich aaneen in een vakorganisatie van de socialistische u.g.t. De collectivisten waren bij de anarcho-syndicalistische c.n.t. aangesloten.

Driekwart van de bevolking was syndicalistisch en sloot zich bij het plaatselijke collectief aan, die, gezinsleden meegerekend, 6000 leden telde.

Alcañiz was een duidelijk voorbeeld van het naast elkaar kunnen bestaan van particuliere, socialistische en collectivistische ondernemingen. De individualisten hadden meestal geen arbeiders in dienst, maar werkten met hun zoons en dochters. De waterleidingmaatschappij en het elektriciteitsbedrijf waren eigendom van het collectief. Dit organiseerde de arbeid, waarbij landbouwmachines werden gebruikt en stichtte een gemeentelijk slachthuis en een gemeentelijke bakkerij.

Als algemene opslagplaats werd de kerk gebruikt, omdat er geen ander geschikt gebouw aanwezig was. In de voormalige sacristie werd een koekfabriek opgericht. Ten gevolge van de oorlog was er schaarste aan levensmiddelen. Daarom werden brood en meel gedistribueerd.

Het bezoeken van een school was vroeger uitsluitend een voorrecht voor de kinderen van de welgestelden geweest. Nu werd ieder kind in de gelegenheid gesteld onderwijs te ontvangen.

Er werd een collectivistisch koffiehuis geopend. Levensmiddelen en kleding kreeg ieder gratis. Ieder ontving 5 peseta’s per week voor het bezoeken van de bioscoop en het café. Kleine hoeveelheden tabak werden gratis uitgereikt.

Tussen Alcañiz en Teruel bevond zich een interneringskamp van de f.a.i. Teruel was door de fascisten bezet. Vandaar uit pleegden zij sabotage in de republikeinse zone. De antifascistische militie werd in de rug aangevallen. Er bleef de anarchisten niets anders over dan de fascisten te arresteren.

De meeste bewoners van het kamp waren krijgsgevangenen. Men kan hen niet vrijlaten zolang de oorlog duurt. Zij hebben met de wapens in de hand tegen de republiek gestreden.

De geïnterneerden leven in barakken, die zij gemeenschappelijk met de bewakers hebben gebouwd. Er is geen prikkeldraad en er zijn geen muren. De geïnterneerden kunnen zich vrij bewegen. De bewakers leven onder dezelfde omstandigheden als de gevangenen. Zij krijgen hetzelfde eten en slapen evenals de gevangenen op britsen. Men spreekt elkander met je en jij aan. De omgang is gemoedelijk.

Toen ik met iemand het kamp bezocht, zat voor een van de barakken een jonge man. Daar de bewakers geen uniform noch enig kenteken dragen en ook niet zichtbaar gewapend zijn, weet men niet of men met een bewaker of met een gevangene heeft te doen.

“Ik ben gevangene”, zei de jonge man. “Mijn naam is Benedicto Vallés. Ik ben lid van de Katholieke Actie, van de partij van Gil Robles.”

“Hoe lang ben je geïnterneerd?”

“Drie maanden. Vandaag ben ik niet aan het werk gegaan, want ik voel mij niet geheel in orde.”

“Kun je bezoek ontvangen?”

“Natuurlijk. Mijn meisje komt iedere zondag op bezoek.”

“Heeft dit bezoek onder toezicht plaats?”

Benedicto Vallés keek mij verbaasd aan. Hij scheen mijn vraag niet te hebben begrepen. Ik drukte mij duidelijker uit.

“Ik bedoel”, zei ik, “of de bezoektijd beperkt is en of een bewaker het gesprokene afluistert.”

“Zoiets bestaat hier niet. Mijn meisje komt op zondagochtend en dan gaan wij wandelen.”

“Zonder bewaking?”

“Natuurlijk. Als je meisje komt, wil je toch met haar alleen zijn?”

“Aan wat men wil twijfel ik niet, maar mag het ook?”

“Niemand let op ons.”

Ik dacht aan de verschrikkelijke toestanden in de concentratiekampen van de nazi’s in Duitsland en van de bolsjewiki in de Sovjet-Unie. In vergelijking daarmee heerst in het interneringskamp van de f.a.i. een ideale toestand. Er is tot dusverre in het kamp voldoende te eten geweest. De gevangenen hebben geen reden tot klagen. Er waren varkens, kippen en konijnen, die door de gevangenen en de bewakers gezamenlijk worden verzorgd. Er was voldoende vlees, maar er was, evenals in vele dorpen in de streek, gebrek aan water. Het drinkwater werd in tankwagens aangevoerd.

Het kamp is op deze plaats opgericht, omdat er bevloeiingswerken worden gemaakt. Hieraan wordt door 180 geïnterneerden en 125 vrije arbeiders van het collectief in Alcañiz gearbeid. Er worden voor het aanvoeren van water kanalen gegraven. De arbeidstijd bedraagt voor de geïnterneerden en de vrije arbeiders negen uur per dag. Daar de afstand naar Alcañiz te groot is, blijven ook de vrije arbeiders de gehele week in het kamp. Alleen des zondags gaan zij naar hun gezinnen.

Het project voor de bevloeiing werd door een jonge collectivist van de f.a.i. uitgewerkt. In de eerste dagen na de overwinning op de fascisten heeft hij zijn ontwerp aan de vergadering van het collectief voorgelegd. Het werd aanvaard. Alle collectivisten die geen andere arbeid doen, nemen aan het werk deel. Ingenieurs waren niet aanwezig. Maar er waren enige jonge arbeiders, die in Barcelona iets van fysica en mechanica hadden opgestoken. Zij maakten van hun kennis een nuttig gebruik. Zij schaften zich boeken aan en lieten een technicus uit Barcelona komen. Daarna begon het werk.

Het water wordt uit een rivier, de Guadalupe, gehaald. Enige velden worden reeds bevloeid. Er worden aardappelen op verbouwd. De geïnterneerde fascisten nemen aan dit opbouwwerk deel.

In Calanda was de vrijheidslievende jeugd de ziel van de revolutie. Alle vernieuwingen, die er na de 19de juli zijn ingevoerd, zijn aan deze jeugd te danken.

Toen wij het dorpsplein naderden hoorden wij het revolutielied van de 19de juli. Het refrein: “Op de barricade! Op de barricade!”

“Alles voor de overwinning van onze confederatie!” kon men in geheel Spanje horen. In Calanda bezat de vrijheidslievende jeugd ook enige grammofoonplaten met de oude Spaanse anarchistenhymne “Hijo del pueblo” (Zoon van het volk) die aan de heldhaftige strijd in de vorige eeuw herinnert.

De jeugd van Calanda heeft op het dorpsplein een statige granieten fontein gebouwd. Het bovenstuk steekt als een gedenkteken van de vrijheid hoog in de lucht. In het stenen onderstuk zijn de initialen f.a.i.-c.n.t. en j.j.l.l. (Vrijheidslievende jeugd) gebeiteld. De fontein is de trots van de bevolking. Zij is ontstaan uit dezelfde geest van verbondenheid, waarmee de Catalanen eeuwen geleden hun Gotische kerken hebben gebouwd. Zij is niet door een architect geschapen, maar door de arbeiders, overeenkomstig het ontwerp van een jonge anarchist.

Van de 4500 inwoners van de plaats zijn er 3500 bij de anarcho-syndicalistische organisaties aangesloten. Zij hebben direct na de “beweging” - waarmee de 19de juli en de daarop volgende dagen worden bedoeld - de oude maatschappelijke orde door het collectivisme vervangen. Het geld werd afgeschaft. Vóór de “beweging” waren slechts de anarchisten georganiseerd. Daarna hebben deze de vorming van socialistische en republikeinse groepen in de hand gewerkt. Ieder moet in vrijheid tot zijn recht komen, behalve de fascisten, die tegen de republiek zijn opgestaan en het volk willen onderdrukken.

De verstandhouding tussen de collectivisten en de individualisten is goed en steeds meer individualisten sluiten zich bij het collectief aan.

Het levenspeil van de bevolking is na de collectivisering gestegen. Vroeger hadden de landarbeiders zelfs niet voldoende geld om zich eenmaal per week te laten scheren. Per hoofd wordt per week vijf liter wijn verstrekt. Dagelijks worden 40 personen van kledingstukken voorzien. Ieder krijgt wat hij nodig heeft. Geneeskundige behandeling en de medicijnen zijn gratis. Ook de briefporto wordt door het collectief betaald.

De trots van het collectief is de nieuwe Ferrer-school in het voormalige klooster ter plaatse. Vroeger waren er slechts acht onderwijzers geweest, nu waren er tien bijgekomen van de onderwijzersfederatie in Barcelona. Leermiddelen werden aangeschaft, banken en stoelen werden door de collectivisten zelf vrijwillig en zonder vergoeding gemaakt. Alle 1233 kinderen ter plaatse bezoeken de school. Het analfabetisme zal spoedig tot het verleden behoren. Kinderen wier vaders aan het front zijn, krijgen gratis voeding op school. Begaafde kinderen kunnen op kosten van de gemeente het gymnasium in Caspe, de hoofdstad van de provincie, bezoeken.

De syndicalistische gemeenteraad heeft de huren afgeschaft, De huizen worden door de gemeente beheerd die ze op haar kosten, d.w.z. van het collectief, onderhoudt. Water, elektriciteit en licht zijn gratis, ook voor de “individualisten”. De collectivisten willen het egoïsme van de kapitalistische maatschappij door het altruïsme van de nieuwe sociale orde overwinnen.

De arbeid op het land wordt gemeenschappelijk georganiseerd. In groepen van tien gaan de collectivisten iedere ochtend naar het veld. Zij beschouwen zich als leden van één groot gezin: de “Collectividad”. De strijders aan het front sturen hun spaarpenningen niet aan hun familieleden, maar aan het collectief, dat voor ieder zorgt.

Van de 4000 inwoners van Alcoriza zijn 3700 tot het anarcho-syndicalistische collectief toegetreden. De ziel van het collectivisme ter plaatse was de jonge advocaat Jaime Dandén. Hij ging van het liberalisme tot het anarchisme over. Zijn bezittingen stelde hij ter beschikking van het collectief. Op zijn initiatief vond in Alcoriza de collectivisering plaats. “Advocaten heeft men in de nieuwe orde niet meer nodig”, zei Dandén en daarom werd hij onderwijzer. Wijn en groente werden in Alcoriza gratis uitgereikt, zoveel men wilde. Het vlees werd gerantsoeneerd: 150 gram per dag en per persoon. Bij de invoering van het vrije communisme kreeg ieder een varken en twee kippen voor eigen gebruik en verder staat het iedereen vrij konijnen te houden.

Het geld werd afgeschaft. De handel met de buitenwereld lag in handen van de collectivistische economische raad. Deze organiseerde een worstfabriek, waar dagelijks 500 kg worst werd geproduceerd voor het front. Ook werden een schoenfabriek en een kleermakerij gesticht, die voor een groot deel eveneens voor het front werken. Voor de opbrengst van de worst werden van de gecollectiviseerde textielfabrieken in Catalonië stoffen gekocht. De collectieve kleermakerij vervaardigde gratis kleding voor de inwoners van Alcoriza.

“Wanneer ieder maar kan halen wat hij wil zonder ervoor te betalen wordt er dan geen misbruik van gemaakt?”

“Wij kennen elkander, wij weten heel goed wie niets en wie wel iets nodig heeft. Een geval van hebzucht heeft zich tot dusverre nog niet voorgedaan. Wie het collectief zou bedriegen, zou zich in de gemeenschap onmogelijk maken. Men zou hem met de vinger nawijzen. Voor ieder is het een erezaak belangeloos aan het gemeenschappelijke werk deel te nemen. Ieder krijgt wat hij nodig heeft, zolang het er is. Vertrouwen wordt tegenover vertrouwen gesteld. En niemand wordt gedwongen zich bij het collectief aan te sluiten, terwijl ieder onze daden in het openbaar kan bekritiseren.”

In de commune Alcoriza gaat alles vreedzaam toe. Ieder geeft naar krachten en ontvangt naar zijn behoeften. Zij bewijst, dat het anarchistische communisme in de geest van Kropotkin mogelijk is.

Maar er bestond een strijd met het naburige Albalate del Luchador. Daar bevond zich het elektriciteitsbedrijf, waarvan Alcoriza de stroom betrok. Het bedrijf was gecollectiviseerd door de anarchistische c.n.t. en de socialistische u.g.t. Het elektriciteitscollectief verlangde dezelfde prijs voor de stroom als vóór de revolutie. De commune van Alcoriza vond dit een kapitalistische eis. Zij was bereid haar aandeel in de kosten van stroom bij te dragen, maar niet meer. De strijd ging voort.

De bouwvakarbeiders hadden een nieuw huis voor de c.n.t. gebouwd. Daarin bevonden zich de kantoren van het collectief. De vrijheidslievende jeugd organiseerde een nijverheidstentoonstelling in het nieuwe volkshuis. Daar was alles te zien wat de vrije commune tot stand had gebracht en wat in de gecollectiviseerde bedrijven was vervaardigd.

Een hotel was er niet. Voor vreemdelingen waren in het nieuwe volkshuis enige kamers ingericht en zij konden eten in de gemeenschapskeuken. Van de kerk werd een bioscoop gemaakt waar drie maal per week gratis voorstellingen werden gegeven. Waar vroeger psalmen werden gezongen, klinken thans revolutionaire liederen. Vroeger predikte de dorps-priester over het hiernamaals en over het geloof in God. Jaime Dandén, de vroegere advocaat, spreekt thans over de hemel op aarde en over het geloof in de mensheid. De richting is veranderd, het gevoel is gebleven. Alcoriza heeft het oerchristendom verwezenlijkt. Tolstoj zou zich gelukkig hebben gevoeld in deze gemeente van de arbeid, van de vrede en van het aardse geluk.

Kan men zonder privaateigendom leven?

“Ja”, zegt de kleine burger in Mas de la Mata.

In deze plaats leefde een wever met enige primitieve weefgetouwen, die 15 meisjes aan het werk had. Hij had het niet slecht, maar, als iedere zelfstandige handwerker, kende hij zijn zorgen. Na het neerslaan van de fascisten werd ook in Mas de la Mata de collectivisering doorgevoerd. De weverij ging naar het collectief over. Het geld werd afgeschaft; ieder krijgt wat hij nodig heeft. Ook het loonstelsel werd opgeheven. De wever behoeft zijn arbeidsters geen loon meer te betalen; dat regelt het collectief. Maar hij mist zijn vroeger inkomen.

“Wat is uw mening over het nieuwe systeem van de collectivisering?”

“Ik behoor niet tot de organisatoren van het nieuwe systeem. Om de waarheid te zeggen ben ik in de algemene stroming meegesleurd. Men went aan de nieuwe toestand. Winst kan ik niet langer maken. Maar groot waren mijn inkomsten vroeger ook niet. Ik heb geen geldzorgen meer. Het collectief heeft mij ervan bevrijd. En de mensen zijn actief, dat moet men zeggen. Wat ik nodig heb om te leven, krijg ik van het collectief. Mijn zoon bezoekt op kosten van het collectief het gymnasium in Caspe. Verder zou ik het onder het kapitalistische stelsel ook niet hebben gebracht.”

Evenals deze weversbaas hebben de meeste kleine zelfstandigen zich bij de nieuwe toestand aangepast. Er zijn in de plaats 300 “individualisten”. Zij werken voor zichzelf en zijn niet bij het collectief aangesloten. De weversbaas was er uit eigen beweging lid van geworden. De “individualisten” hebben het recht hun producten buiten de plaats te verkopen, maar dit is niet lonend. Zij verkopen hun producten aan het collectief. Daar hebben zij een rekening-courant en iedere maand wordt afgerekend. Wat zij in de loop van de maand van het collectief hebben gekocht wordt afgetrokken. Het verschil wordt in baar geld uitbetaald.

“Sedert de anarchisten aan het bewind zijn”, verklaarde mij een handwerksman ter plaatse - een “individualist” - “is de plaatselijke gevangenis leeg. De Guardia Civil is er niet meer. Er is geen gewapende macht om de orde te handhaven en toch gaat alles ordelijk toe. Onze vrijheid wordt niet beperkt. Naar mijn mening is de nieuwe orde beter dan de oude. Ik doe niet aan politiek. Ik werk zelfstandig, evenals vroeger. Mijn kleine bedrijf en mijn kleine eigendom heb ik mogen behouden. De openbare veiligheid is tegenwoordig groter dan vroeger.”

Aan de Rio Martin, een zijrivier van de Ebro, in de nabijheid van Teruel, ligt het kleine plaatsje Oliete. Hier waren nooit “enkelen rijk en velen arm” geweest. Daarom was er eigenlijk geen reden tot onteigening. Ieder had er zijn stuk land of zijn werkplaats. Industrieproletariërs waren er niet.

Er was ook geen vooruitgang. De arbeidsmethoden waren primitief, het werk was zwaar, de arbeidstijden lang en de inkomsten waren maar nauwelijks voldoende om te kunnen leven. Rijkdom kon niemand verzamelen en zelfs het maken van een kleine reserve was niet mogelijk.

Ook hier drong de geest van de nieuwe tijd door. Talrijke jongelieden hadden in Barcelona en zelfs in het buitenland geleefd en waren daarna weer naar Oliete teruggekomen. In den vreemde waren zij met nieuwe ideeën in aanraking gekomen. In Barcelona hadden zij deel uitgemaakt van de vrijheidslievende arbeidersbeweging. Zij leerden de beginselen van het anarchisme en de strijdmethoden van het syndicalisme kennen. Zij waren van oordeel, dat de doorvoering van de vrijheidslievende idealen ook voor hun plaats een nieuwe bloei van het economische leven zou meebrengen en nieuwe geestelijke en culturele horizonten zou openen.

Toen midden juli 1936 bekend werd, dat Franco zijn opstand op touw had gezet, discuteerden de inwoners heftig over de politieke gebeurtenissen. Jongelieden richtten zich tot het volk. “Het leven, dat wij tot dusverre in navolging van onze vaders hebben geleid, was moeilijk. Wij werkten hard en zelden bracht iemand het tot welvaart. Dit kwam doordat ieder voor zichzelf werkte. Daarmee komt men niet verder in het tijdperk van de moderne techniek. Wij moeten de methoden van de moderne wetenschap, het collectivisme en de coöperatieve invoeren, zoals in vele andere plaatsen van Spanje en ook in het buitenland reeds is gebeurd. Op onszelf staande blijven wij zwak en arm. Gezamenlijk worden wij sterk en welvarend.” Dit vond weerklank. Ieder stelde zijn land, zijn landbouwwerktuigen, zijn vee ofwel zijn werkplaats ter beschikking van het collectief. Het werd gemeenschappelijke bezit en ieder had medezeggenschap.

Oliete werd een vrije commune. “Ik geloof, dat wij juist hebben gehandeld”, zei mij de vader van een van de meest actieve collectivisten. “Wat thans in korte tijd is tot stand gebracht hadden wij op de oude manier nooit kunnen bereiken. Wij hebben voldoende te eten. Het collectief verdeelt alles rechtvaardig onder ons allen. Ieder krijgt een liter wijn per dag. Er is weinig melk en daarom krijgt men dat alleen op voorschrift van de dokter. De milicianos hebben reeds 5000 peseta’s aan het collectief gestuurd en het collectief zorgt op voorbeeldige wijze voor de gezinnen van de strijders aan het front.”

De trots van het collectief was een nieuwe kolenmijn, die in de nabijheid van het dorp was ontdekt. Een jonge uitgeweken anarchist had vroeger in de Borinage gewerkt. Hij werd de deskundige. In ruil voor olijfolie werden in Barcelona de noodzakelijke middelen gekocht om een schacht te kunnen maken. Er werden rails, kabels en een elektrische leiding aangelegd. In korte tijd werd dagelijks een wagonlading steenkool te voorschijn gehaald. Indien er meer arbeiders waren geweest, zou men drie maal zoveel hebben kunnen produceren. Voor een particuliere ondernemer was de mijn waarschijnlijk niet winstgevend geweest. Maar voor de gemeente betekende het een vooruitgang. Men beschikte over brandstof voor huisgebruik, terwijl men ze later ook voor industriële doeleinden wilde gebruiken.

Politieke vrijheid en verdraagzaamheid zijn in het dorp het hoogste beginsel. De anarchisten zijn er in de meerderheid, terwijl er vóór de omwenteling geen andere politieke richting bestond. Aan de socialisten werd

echter een lokaal ter beschikking gesteld, zodat zij een afdeling van de socialistische partij en een afdeling van de u.g.t. konden stichten. Aanhangers van Franco waren er niet. De plaatselijke gevangenis stond leeg.

Ook in Oliete kon men op een eigen stuk land of in zijn werkplaats met de leden van zijn eigen gezin blijven werken. Loonarbeiders waren er echter niet, omdat alle bezitlozen zich bij het collectief hadden aangesloten. De “individualisten” hadden het recht hun koeien, schapen en geiten op de gemeentelijke weide te laten grazen. Meer dan 25 stuks vee mocht niemand bezitten. Ook konden de “individualisten” van de gemeentelijke veeartsenijkundige dienst gebruik maken. Van een gedwongen collectivisatie naar Russisch model wilde men niets weten. Onder een glas Aragonse wijn maakte een collectivist een zeer juiste vergelijking: Zoals de oude petroleumlampen altijd nog naast het elektrische licht bestaan, zo bestaat er naast het collectivistische ook nog een particulier bedrijfsleven. Maar zoals de petroleumlamp steeds meer door modernere verlichting wordt vervangen, zo zal ook steeds meer het coöperatieve collectivisme de plaats innemen van het particuliere bedrijfsleven.

Op de weg naar het volgende dorp zei mijn metgezel, een oude Spaanse liberaal:

“Het gedwongen collectivisme van de staat brengt de arbeiders en boeren niet in een betere materiële positie. De zogenaamde meerwaarde, die het particuliere kapitalisme door de ondernemers wordt opgestreken, komt onder het staatssocialisme in handen van de bureaucratie. Wat er dan nog overblijft wordt door de geleide economie in nationalistische kanalen gevoerd. De productie staat in dienst van de machtsontplooiing van de staat. Daardoor is de levenspositie van de arbeiders en boeren in de Sovjet-Unie slechter dan in de landen van het particuliere kapitalisme.”

“Daarmee ben ik het volkomen eens”, antwoordde ik, “maar dit alles geldt niet voor het vrijheidslievende collectivisme.” Daarop kwamen wij in Muniesa.

De 1700 inwoners van Muniesa waren kleine boeren, die een moeilijke strijd om het bestaan voerden. Het werk van de landman in Aragon is zwaar en de opbrengst karig.

Na de 19de juli deed de nieuwe geest ook in Muniesa zijn intocht. De leider van de nieuwe orde werd Joaquin Valiente, de zoon van een kleine boer. Hij had 17 jaar in Barcelona gewoond, waar hij de vrijheidslievende ideeën had leren kennen. Hij was een vurig aanhanger van de anarchistische levensbeschouwing. Toen hij in zijn geboorteplaats terugkeerde bracht hij de nieuwe boodschap in het dorp.

Zijn voorstel om het vrijheidslievende communisme in te voeren viel op vruchtbare bodem. Joaquin werd tot “alcalde”, tot dorpsschout benoemd. Hij koos de raadzaal tot zetel. Op zijn tafel lag de Spaanse uitgave van Kropotkin’s boek De verovering van het brood. Des avonds kwamen de collectivisten bij elkander en een hunner las er uit voor. Dit boek was het nieuwe Evangelie. Hier stond zwart op wit, hoe men moest handelen om tot welvaart voor allen te komen.

Brood, vlees, olie, wijn en enkele andere levensmiddelen werden gratis onder allen verdeeld. Ieder kreeg zoveel hij nodig had. De boeren brachten hun producten in het gemeentehuis, waar alles werd opgeslagen. Veel wat in het dorp niet werd vervaardigd, moest elders worden gekocht. Besloten werd dat ook de dorpsbewoners hiervoor moesten betalen. De gemeenteraad verkocht olijfolie en kocht in het groot voor allen in. Vervolgens liet hij 100.000 peseta’s plaatselijk papiergeld drukken. Daarvan kregen alle volwassenen, mannen en vrouwen, één peseta per dag en de kinderen 50 céntimos. Daarmee kon ieder kopen wat hij nodig had.

“Geeft de onbeperkte wijnuitdeling geen aanleiding tot misbruik?”

“Hier bedrinkt niemand zich. Wij leven nu reeds een jaar onder het nieuwe systeem en tot dusverre heeft het alleszins voldaan.”

Van de 100.000 peseta’s zijn er slechts 11.000 in omloop. De overige worden door de gemeenteraad bewaard. Het dorpsgeld dient slechts als ruilmiddel en het brengt geen rente op. Niemand denkt er aan het te sparen. Kapitaal kan niemand zich verwerven. Het benodigde geld voor gereedschappen, werktuigen e.d. wordt alleen door de gemeenteraad ten behoeve van de gehele gemeenschap bijeengebracht.

De grootste zorg baart de opvoeding van de kinderen. Er zijn ter plaatse geen onderwijzers en ook geen leermiddelen. De vakorganisatie van Barcelona heeft beloofd twee onderwijzeressen te zullen sturen. Intussen geven twee dorpsgenoten althans aan de grootste kinderen les in lezen en schrijven.

Toen wij ons des avonds in het gemeentehuis op een geïmproviseerd bed uitstrekten, zei ik tot mijn metgezel:

“In het begin van deze eeuw hebben sociologen en economen gestreden over de vraag of het socialisme mogelijk dan wel een utopie is. Wanneer men in dit dorp ziet met welk een vast geloof en met hoeveel praktische zin de boeren een collectivistische gemeenschap opbouwen, zonder enige dwang van buitenaf, alleen bezield door de wil om hun leven door gemeenschappelijke arbeid te verbeteren, dan lijkt alle discussie van intellectuelen abstract en ontbloot van alle realiteit. Deze boeren hier hebben nooit iets van theorieën afgeweten. Maar zij hebben gezond verstand. Zij begrijpen, dat zij gemeenschappelijk verder komen dan ieder op eigen gelegenheid. Dat is voor hen de betekenis van het collectivisme.

In honderden dorpen in geheel Spanje is men op dezelfde wijze te werk gegaan als in Muniesa. In de helft van alle gevallen vond in het geheel geen onteigening plaats. De nieuwe economische orde werd niet door middel van geweld ingevoerd. Alles ging vreedzaam toe op de basis van de gelijkheid. De kapitalistische orde bestaat sedert eeuwen. Niettemin is de wereld nog vol van ongerechtigheid en oorlogsgevaar. De boeren hebben eens willen proberen, of het door middel van het collectivisme niet mogelijk was betere toestanden te scheppen. Tengevolge van dit streven ontstaat een nieuwe maatschappelijke orde.”

“Misschien heb je gelijk”, antwoordde mijn metgezel. Het dorp Albalate de Cinca ligt in Aragon, dicht bij de Catalaanse grens. Ook hier wisten de boeren nauwelijks iets van politieke en sociale theorieën. Niettemin stelden de dagloners en de kleine boeren na de opstand van Franco voor, evenals op andere plaatsen was gebeurd, een collectief te vormen. Er werd niet veel gepraat, maar gehandeld. En het nieuwe systeem bestaat er nu reeds een geheel jaar. “Ons armen gaat het tegenwoordig beter dan vroeger”, zei een oude boerin in het dorp. “Vroeger hadden wij zorgen voor het dagelijks brood. Vandaag krijgen wij gratis te eten en vele andere dingen eveneens.”

’s Ochtends om zeven uur is het dorp al aan de arbeid. Een vrouw komt het gemeentehuis binnen. Zij wil naar Lérida om een specialist te raadplegen. Het geld is in het dorp afgeschaft. Om naar elders te gaan moet men het gemeentebestuur om reisgeld vragen. “Heb je een attest van de dorpsarts?” “Neen”. “Dan kan ik je geen reisgeld geven. De vergadering van de gemeente heeft besloten alleen reisgeld te verstrekken, wanneer de dorpsarts de reis nodig oordeelt.”

De vrouw ging naar de dorpsarts om een attest te halen. “Velen”, zo zei mij de voorzitter van het collectief, die tevens lid is van de gemeenteraad, “maken van de toestand gebruik. Vroeger gingen zij haast nooit naar de stad. Tegenwoordig wil iedereen er eens heen. Het kost helemaal niets, de gemeente betaalt het. Maar wij moeten zuinig zijn met het geld. Het is immers van ons allemaal.”

Misschien is de voorzitter enigszins bureaucratisch. De arts zal in dit geval beslissen.

Deze arts dr. José Mario Pueyo, een man van middelbare leeftijd, is afkomstig uit Zaragossa. Hij is sedert twaalf jaar in Albalate de Cinca gevestigd, hij kent de bevolking en is het beste in staat over haar gezondheidstoestand en gebreken te oordelen. Hij is liberaal maar niet bij een partij aangesloten. Hij is in het dorp bemind. Hier bestond vroeger reeds het oude Spaanse ziekenfonds. In de Spaanse dorpen betaalde iedere boer aan de plaatselijke dokter een bepaald bedrag per jaar. Gewoonlijk hielden de boeren ieder jaar een varken, waarvan de opbrengst bestemd was om de dokter te betalen. Deze regeling was niet schriftelijk vastgesteld en berustte op wederzijds vertrouwen.

Na de invoering van de collectivisering is de betaling van de arts in de Aragonse dorpen veranderd, omdat er geen geld meer was.

“Hoe wordt u op het ogenblik betaald.?”

“Het collectief zorgt voor mij.”

“Maar u hebt nog andere behoeften dan alleen eten, drinken en kleding.”

“Ook daarvoor zorgt het collectief. Dat gebeurt op dezelfde wijze als in een ziekenhuis. Het gemeentebestuur moet zorgen voor alles wat de arts nodig heeft.”

Dr. Puoyo laat ons enige boeken zien. Hij was kort tevoren op kosten van het collectief naar Barcelona geweest. Daar had hij gekocht wat hij nodig had. Dr. Pueyo is tegelijkertijd apotheker. In zijn apotheek zijn alle belangrijke medicijnen en patentgeneesmiddelen voorhanden. Het collectief helpt de arts in ieder opzicht.

“Hoe denkt u over het collectivisme?”

“Dat is m.i. een systeem met de grootst mogelijke sociale gerechtigheid. In moreel opzicht is het beter dan het kapitalisme. Het nieuwe systeem is echter nog zeer onvolledig. De moeilijkheden vloeien voort uit de grote verscheidenheid. In de steden heeft men het geld gehandhaafd, in de dorpen is het in de meeste gevallen afgeschaft. Vele dorpen hebben eigen geld gedrukt. Dat is zeer onpraktisch. Als het geld wordt afgeschaft, moet het in het gehele land gebeuren. Maar wanneer men het handhaaft, is geld met eenzelfde waarde noodzakelijk.”

Dr. Pueyo wees voorts op de menselijke zijde van het vrijheidslievende communisme. Het nieuwe systeem veroorzaakte een solidariteit, die men onder het kapitalisme niet kent. Het kleine dorp Albalate schonk uit eigener beweging 10 varkens, 500 kg spek, 87 kippen, 50 konijnen, 2500 kg aardappelen, alsook zakken met bonen en erwten aan het belegerde Madrid. De intendance van het leger wilde deze levensmiddelen betalen, maar dit werd door de collectivisten geweigerd. Zij hadden het geld immers afgeschaft en de solidariteit was in de plaats van de handelsgeest gekomen.

In Binefar, een plaats met 5000 inwoners, vonden op de 19de juli en de volgende dagen botsingen plaats tussen de Guardia Civil en de bevolking. Het volk behaalde de overwinning en richtte daarna een volksmilitie op. Op een openbare vergadering werd na langdurige voorafgaande besprekingen besloten de particuliere eigendom af te schaffen. Niet minder dan 1200 ha akkers werd gecollectiviseerd. Er werden zeven arbeidsgroepen gevormd. Aan het hoofd van elke groep stond een gedelegeerde, die na de oogst door een ander werd vervangen. Daarmee werd de kloof tussen leiders en geleiden overbrugd en de kritische geest gescherpt. De gedelegeerden komen iedere avond bijeen om verslag uit te brengen over de gang van zaken en de productie te regelen.

Meel, aardappelen, erwten, vlees, olijfolie, groente en wijn die ter plaatse worden geproduceerd, worden gratis en onbeperkt aan de bevolking verstrekt. Het collectief heeft 45.000 peseta’s plaatselijk geld laten drukken, waarvan per dag 2,5 peseta aan iedere man, 1,5 peseta aan iedere vrouw en één peseta voor elk kind wordt betaald. Daarmee kan men de producten verkrijgen die het collectief elders heeft moeten kopen. De prijzen worden vastgesteld op de vergadering van de collectivisten. Het systeem werkt tot aller tevredenheid.

De onderwijzers worden door de staat betaald, omdat Binefar een staatsschool heeft. Maar zij geven hun salaris aan het collectief, dat voor hen zorgt.

Binefar is de zetel van de districtsfederatie van de dorpscollectieven. Deze collectieven leveren hun producten af aan de opslagplaats van de federatie. Het federatiebestuur rekent met de collectieven af. Het stuurt iedere dag twee vrachtauto’s met levensmiddelen naar het front. Ook stuurde de districtsfederatie 32 wagons levensmiddelen geheel gratis naar Madrid. De districtsfederatie zorgde ervoor, dat de omliggende dorpen op het elektriciteitsnet werden aangesloten. Voor de bouw van een ziekenhuis werden 100.000 peseta’s bijeengebracht. De c.n.t. in Barcelona stuurde drie artsen voor het nieuwe ziekenhuis.

Binefar is volledig gecollectiviseerd. Alleen de ambtenaren en arbeiders van de staat staan buiten het collectief, maar kopen hun benodigdheden in de winkels van het collectief. Bij de districtsfederatie zijn 31 dorpen aangesloten. In de meeste van deze dorpen is het vrijheidslievende communisme geheel en al, in de andere gedeeltelijk doorgevoerd. Dwang wordt niet uitgeoefend. De sociale vrijheid is het hoogste beginsel van het Aragonse collectivisme.

Een Spaanse collectivist heeft een andere mentaliteit dan een Franse, Engelse of Duitse socialist. Wie zich in Aragon bij een collectief aansluit, doet afstand van zijn particuliere eigendom en zelfs van een particulier inkomen. Zijn gehele leven is veranderd. Hij werkt niet meer voor loon of winst. Hij ziet zelfs af van persoonlijke gemakken, wanneer niet alle leden van het collectief zich die kunnen verschaffen. Voor de grote massa van de boeren is echter het levenspeil door het collectivisme gestegen. Het collectivisme in Aragon is een vorm van socialisme, die zich misschien het beste met het oorspronkelijke christendom laat vergelijken.

“Deze vorm van collectivisme kan slechts aanvaard worden door mensen, die tevoren zeer arm waren of die bereid zijn hun vroegere leven geheel te veranderen en veel prijs te geven”, zei mijn metgezel.

“Misschien heb je gelijk”, antwoordde ik hem.

“Ik geloof nauwelijks,” zo ging hij voort, “dat een arbeider of een arts in de Verenigde Staten met een zo ingrijpende verandering in zijn leven akkoord zou gaan.”

“Ook daarin moet ik je gelijk geven”, was mijn antwoord. “Maar het voordeel van het vrijheidslievende communisme is juist, dat het niemand dwingt zich erbij aan te sluiten. Wat deze vrijheid en vrijwilligheid betreft, staat het Spaanse anarcho-syndicalisme ver boven het kapitalisme en ook boven het Russische bolsjewisme. Maar laat ons nu naar Barbastro gaan, dat de naam heeft “individualistisch” te zijn en waar de meerderheid van de bevolking van de sociale vernieuwingen niet veel wil weten.”

Barbastro is een stadje met 10.000 inwoners, waar slechts 150 anarchistische boeren en de syndicalistische bouwvakarbeiders een collectief hebben gevormd.

Het collectief van de landarbeiders kon niet tot onteigening overgaan, omdat de meerderheid er tegen was. Misschien had men de onteigening met behulp van milicianos uit Barcelona met geweld kunnen doorvoeren, maar dat wilde men niet. Alles moest berusten op vrijwilligheid. In de omgeving van de stad lag echter veel land braak. Daarop stichtte het collectief een kolonie met instemming van de gehele bevolking.

Op weg naar de federatie van het landarbeiderscollectief zei ik tot mijn metgezel:

“Het argument van dr. Pueyo tegen het collectivisme is juist voor zover het betrekking heeft op de wenselijkheid van eenzelfde munt tegen dezelfde koers voor het gehele land. Maar de eis van uniforme economische verhoudingen is in strijd met de vrijheid en opent de weg naar een economisch totalitarisme. Ook het kapitalisme is geenszins eenvormig. Naast de particuliere kapitalistische bedrijven zijn er bedrijven van coöperaties en van de overheid. Economische verscheidenheid is op zichzelf geen sociaal kwaad. Zij is de uitdrukking van de vrijheid. Het naast elkander bestaan van collectieve en particuliere ondernemingen heeft voor het economisch leven geen nadelige gevolgen. Gedwongen gelijkvormigheid van het economisch leven heeft voordelen voor een totalitaire staat, maar strekt ten nadele van het volk.”

Barbastro was omgeven door vrijheidslievende dorpscollectieven. De in 1936 gestichte districtsfederatie dezer dorpen had haar zetel in Barbastro. Er waren 60 collectivistische dorpen met in totaal 15.000 inwoners bij aangesloten. De meeste van de collectieven waren door anarcho-syndicalisten opgericht. Maar er waren ook socialistische en links-radicale collectieve dorpen bij aangesloten. De federatie legt wegen aan, organiseert busdiensten en brengt telefoonverbindingen tot stand. Zij levert grote hoeveelheden levensmiddelen aan het leger. Een half jaar na haar oprichting beschikte zij over een kapitaal van 3,5 miljoen peseta’s.

Mijn metgezel maakte een zeer juiste opmerking: “Het woord collectivisme heeft door de bolsjewistische kolchozen een slechte klank gekregen. De wereld is gewend collectivisme gelijk te stellen met dwang. De vrijheidslievende boerencollectieven in Spanje hebben het in diskrediet gebrachte collectivisme in ere hersteld. In het republikeinse Spanje vormen collectivisme en vrijheid een nieuwe sociale synthese: het vrijheidslievende socialisme.”

Onze reis in het collectivistische Aragon was geëindigd.

 

7

 

Het collectivisme in de levant en in Castilië

 

Het collectivisme is voor de Spaanse plattelandsbevolking een soortgelijk begrip als de coöperatie voor de Deense boeren. Bij beide ligt het zwaartepunt in de coöperatie, de samenwerking. Tussen een Spaans collectief en een Deense boerencoöperatie bestaat echter een principieel verschil. De laatste is een arbeidsgemeenschap van zelfstandige boeren; het land is particulier eigendom. Bij de eerste is het land onvervreemdbaar gemeenschappelijk bezit. Beide echter berusten op het beginsel van het wederkerig dienstbetoon.

Het zou onjuist zijn de onteigening en de verdeling van het land als het wezenlijke kenmerk van het collectivisme te beschouwen. In vele collectieven werd de grond vrijwillig door de leden afgestaan. Onteigening is een op zichzelf staande daad, het collectivisme is een permanente levenswijze. Onteigening van land en vermogen is trouwens geen speciale karaktertrek van socialisme of communisme. Na alle oorlogen hebben de overwinnaars ten koste van de overwonnenen onteigeningen doorgevoerd. De geschiedenis is vol voorbeelden, waarbij de sterken de zwakken hebben onteigend. Het collectivisme en de coöperatie daarentegen vloeien voort uit de wens van het werkende volk om zich door samenwerking en wederkerig dienstbetoon van de uitbuiting te bevrijden en zelf sociale rechtvaardigheid te verwezenlijken.

Het moderne collectivisme was reeds vóór de 19de juli 1936 in Spanje voorgekomen. In het dorp Gandia in de provincie Valencia waren verschillende boeren reeds in het begin van de dertiger jaren begonnen hun land gemeenschappelijk te bebouwen. Zij stichtten een collectieve kippenfokkerij en een collectieve kleermakerij voor vrouwenkleding. De kleren werden in de omliggende dorpen verkocht en de opbrengst kwam de gemeenschap ten goede. Het collectief bestond uit 30 personen, beschikte over gemeenschappelijke landbouwwerktuigen, een gezamenlijke veestapel, een vrachtauto en vijf naaimachines. De collectivisten hadden een hoger levenspeil dan de meeste kleine boeren ter plaatse. Door hun solidair optreden verwierven zij de sympathie van de bevolking.

Dit kleine collectief in Gandia was het voorbeeld voor de grote collectivistische beweging nadat de aanhangers van Franco in de Levant waren verslagen. De grond werd door de landarbeiders overgenomen en collectief bewerkt. De geestdrift voor het collectivisme was groot. De landarbeiders bleven in het bezit van de vruchten van hun arbeid. De kleine boeren stonden aanvankelijk sceptisch tegenover de nieuwe beweging. Enkelen deden mee, anderen namen een afwachtende houding aan. Langzamerhand kreeg het collectivisme, louter door het voorbeeld, meer aanhangers. Vele kleine boeren kwamen tot de overtuiging, dat de toestand door het collectivisme wordt verbeterd en sloten zich bij het collectief aan. In de loop van twee jaar was het collectivisme over de gehele Levant verbreid.

De plaatselijke collectieven belegden een congres in Valencia, waar zij een federatie van de landarbeiderscollectieven in de Levant hebben gesticht. De federatie ontwikkelde zich op bewonderenswaardige wijze en werd spoedig een voorbeeld van een moderne belangengemeenschap op de grondslag van sociale gerechtigheid.

De federatie zetelt in een groot gebouw, waar 200 beambten werkzaam zijn. De anarchisten haten de bureaucratie en zijn er daarom op uit, dat de producenten niet door de administratie van een groot deel van de vruchten van hun arbeid worden beroofd. Van het begin af aan hebben zij daarom maatregelen getroffen om bureaucratische misbruiken in de kiem te smoren. Aan het hoofd van iedere afdeling staat een gedelegeerde. Twee maal per week heeft een bijeenkomst plaats van de raad van beheer, die de collectieven op de hoogte houdt. Ieder half jaar vindt een congres plaats, waar alle zaken worden besproken en besluiten worden genomen. Ongeschikte beambten worden afgezet. De congressen controleren de financiën en het beleid van de federatie.

De omzet van de federatie beloopt 500 miljoen peseta’s per jaar. De aangesloten collectieven verbouwen sinaasappelen, rijst, groente en fruit. Een groot deel van de productie wordt naar Frankrijk, Engeland, Zwitserland en Scandinavië uitgevoerd. De federatie verstrekt kredieten aan federaties van collectieven die in minder gunstige omstandigheden verkeren. De boerenfederaties in Andalusië, Midden-Spanje en zelfs in Catalonië worden door de zusterorganisatie in de Levant gesteund. Ziekenhuizen en gehele legerafdelingen worden regelmatig van levensmiddelen voorzien. De federatie van Valencia is de trots van de syndicalisten.

De boeren zijn tegenstanders van centralisme. Het vrije initiatief mag niet worden verstikt. Ieder plaatselijke collectief regelt haar eigen aangelegenheden naar eigen inzicht. Aan elkander grenzende collectieven delen elkaar hun ervaringen mee. Raadgevingen worden gaarne aanvaard, maar het ingrijpen door een centrale instantie wordt afgewezen. Indien in een collectief niemand in staat is de boekhouding te voeren, wendt men zich tot de federatie. Op het congres werd besloten een cursus tot opleiding van boekhouders te organiseren. Enkele collectieven hebben een gezinsloon ingevoerd, andere verdelen de winst onder de leden naar gelang van hun behoeften. In enige plaatsen is het geld afgeschaft, in andere heeft men het gehandhaafd. leder collectief handelt naar eigen inzicht, zonder maatregelen van buitenaf.

De federatie heeft een eigen bank gesticht, die de verkoop van de producten in binnen- en buitenland regelt. Deskundigen van de vakorganisatie van bankbedienden staan aan het hoofd van de federatieve bank. De federatie heeft een aantal conservenfabrieken in de provincies Murcia, Alicante en Valencia gesticht. Ook werden fabrieken voor alcohol en kunstmest opgericht. Een speciale handelsafdeling houdt zich bezig met de ruil van de producten van de aangesloten collectieven, de verkoop van producten aan de regering, de aankoop van machines en landbouwwerktuigen en met de ruil van producten met de gecollectiviseerde textiel-, metaal- en andere fabrieken. Honderden vrachtauto’s van de federatie doorkruisen het land in alle richtingen. Zij brengen de landbouwproducten naar de havens en halen industrieproducten uit Catalonië. Een belangrijk deel van het economisch leven in de Levant ligt in handen van de boerenfederatie.

De federatie heeft een eigen gezondheidsdienst gesticht. Alle leden van collectieven ontvangen met hun huisgenoten gratis geneeskundige behandeling, medicijnen en ziekenhuisverpleging.

Op een congres van de federatie werd door een boer voorgesteld een landbouwhogeschool te stichten. Het voorstel werd geestdriftig en met algemene stemmen aangenomen. Men ging onmiddellijk tot uitvoering van het voorstel over. Uit binnen en buitenland werden leerkrachten aangetrokken en na korte tijd werd de landbouwschool geopend. Zij is de trots van de collectivistische boeren. Hun zonen kunnen zich nu van alle moderne methodes op landbouwgebied op de hoogte stellen. De federatie heeft een bibliotheek gesticht met vakliteratuur en andere boeken. Zij geeft het tijdschrift Vida (Leven) uit, dat alles omtrent de vooruitgang van de landbouw in binnen en buitenland publiceert. Ook een eigen uitgeverij werd in het leven geroepen. Ieder jaar verschijnt een landbouwalmanak, die esthetisch wordt verzorgd door de bekende schilder Vincente Ballester uit Valencia.

Dit met de geestdrift van de Levant doorgevoerde werk betekende een geweldige economische en culturele ontwikkeling van de landelijke bevolking. Bepaalde politieke partijen en aanbidders van de staat was het niet naar de zin, dat de staat er geen aandeel in had. Wanneer deze ontwikkeling ongestoord voortging, zouden de partijen en de staatsinstellingen tweederangs worden en hun politieke invloed zou verminderen. Dat wilden zij, hoe dan ook, verhinderen. Onder het voorwendsel dat alleen de regering als uitdrukking van de gezamenlijke wil van het volk het recht heeft de nieuwe koers te bepalen, werden de boerenfederatie talloze moeilijkheden in de weg gelegd. De gebouwen van de federatie werden in beslag genomen, evenals de landbouwproducten van de collectieven; vrachtauto’s werden gerequireerd. Dit optreden moest het gezag van de staat versterken en de ontwikkeling van de opbouwende krachten van het volk verzwakken. De collectivisten stelden zich te weer. De staat trad krachtig op. De collectivistische boeren, die tegen de onbehoorlijke inmenging van de staatsbureaucratie in verzet kwamen, werden door de antifascistische regering gearresteerd. De ergste tegenstanders van het collectivisme waren de bolsjewiki. Van de communistische minister van Landbouw, Vincente Uribe, gingen alle regeringsmaatregelen tegen de boerencollectieven in de Levant uit.

De boeren hadden tegenover het geweld van de staatsbureaucratie hun eigen geweld kunnen stellen. Maar met het oog op de burgeroorlog tegen Franco zagen zij er van af geweld te gebruiken. Zij dienden bij de justitie een aanklacht in tegen het optreden van de partijen en van de regering. De federatie organiseerde een rechtskundig bureau, dat de collectivisten juridische hulp verleende.

Na de overwinning van Franco werden de collectieven vernietigd en de federatie ontbonden. De landerijen echter, die in moeizame arbeid door de collectieven door middel van bevloeiing in vruchtbare akkers zijn herschapen, kunnen niet vernietigd worden. Zij vormen een blijvend gedenkteken van een grote tijd. De culturele instellingen van de federatie werden door de Falangisten ten dele overgenomen en in autoritaire vorm gehandhaafd.

De boeren in de Levant zijn de korte, maar vruchtbare periode van het collectivisme niet vergeten. Uit eigen kracht hadden zij welvaart en vrijheid geschapen. De herinnering aan deze roemrijke tijd leeft voort. Ondanks de verschrikkelijke onderdrukking en het grote gebrek onder het Franco-regime richten de boeren van de Levant de blik op de toekomst. Zij leven in het vertrouwen, dat de dag van de bevrijding opnieuw zal komen.

Meer dan de helft van de landerijen in het republikeinse gebied waren gecollectiviseerd. De meeste collectieven waren door de anarchosyndicalisten georganiseerd. De grondslag was het plaatselijke collectief, dan volgden de districtsfederatie en vervolgens de provinciale verbanden, die zich weer tot regionale federaties aaneensloten. De regionale federaties vormden tezamen de landelijke federatie. Het collectivisme op het land is van grote betekenis geweest voor de levensmiddelenvoorziening van de steden. Spoedig ontstonden er botsingen tussen de syndicalistische landelijke federatie van boerencollectieven (Confederación Nacional de Campesinos) en het instituut voor agrarische hervorming.

Dit instituut had tot taak overeenkomstig de agrarische wet van 1931 het land te verdelen en de nieuwe boeren kredieten te verstrekken. Na de 19de juli had de plattelandsbevolking de fascistische grootgrondbezitters onteigend en collectieven gesticht zonder het instituut voor agrarische hervorming om toestemming te vragen. Het ministerie van Landbouw kwam na de 19de juli in handen van de communisten en het instituut viel onder dit ministerie. De vele collectieven, die zich aan zijn invloed onttrokken, waren de minister van Landbouw een doorn in het oog. Bovendien waren grotendeels anarcho-syndicalistische collectieven niet vatbaar voor de bolsjewistische propaganda.

Om niet bij de feiten achter te blijven, eiste ook het instituut voor agrarische hervorming na de 19de juli het vormen van collectieven en coöperaties, verleende het kredieten, distribueerde het landbouwmachines, richtte het herstelplaatsen in en poogde het de landbouwproductie op te kopen. Hetzelfde gebeurde door de plaatselijke syndicalistische en anarchistische boerencollectieven. Het staatsinstituut en de syndicalistische boerenbonden waren in vele opzichten concurrenten. Het instituut steunde op het staatsgezag en beschouwde zich als de enig bevoegde instantie. In de collectieven kwam het initiatief van de boeren tot uitdrukking. Zij zochten bescherming bij hun landelijke federatie. Het boerencollectivisme wortelde in het volk.

De boerenbond nam het initiatief om het probleem van de Ievensmiddelenvoorziening op te lossen, die ten gevolge van de burgeroorlog een ernstige crisis doormaakte.

Evenals in de meeste landen was in Spanje het levenspeil van de plattelandsbevolking lager dan dat in de steden. Een verbetering van hun levenspeil hadden de boeren kunnen bereiken door het toepassen van betere werkmethodes of door prijsverhoging van de landbouwproducten. De eerste weg kostte tijd en bracht gedurende de burgeroorlog allerlei moeilijkheden mee. De tweede weg was gemakkelijker, vooral omdat er gebrek aan levensmiddelen heerste. De industriële collectieven zouden erdoor genoodzaakt zijn geweest de lonen te verhogen, waarvan weer een prijsstijging van de industrieproducten het gevolg zou zijn geweest. Het resultaat zou inflatie zijn geweest en de algemene prijsverhoging zou niemand voordeel hebben gebracht.

In sommige landen, waar zich hetzelfde probleem voordeed, heeft men gepoogd het door het ingrijpen van de staat op te lossen. De regering heeft er marktprijzen voor de levensmiddelen vastgesteld en de boeren ondersteund. In Frankrijk, Engeland, de Verenigde Staten en enkele andere landen is het subsidiëren van de landbouw regel geworden, onafhankelijk van de politieke richting van de regering.

In Spanje werd het probleem op andere wijze aangevat. De boerencollectieven en ook de particuliere boeren hadden het recht de landbouwproducten te houden, die zij voor eigen gebruik nodig hadden. Hen werd verzocht daarvoor niet meer achter te houden dan de rantsoenen voor de stedelijke bevolking bedroegen. Ofschoon er geen dwang werd uitgeoefend, wierp dit beroep op de boerenbevolking in het algemeen voldoende resultaat af. Hamsteraars waren uitzonderingen. De collectieven leverden hun producten vrijwillig bij hun provinciale en regionale federaties in en werden daarvoor betaald overeenkomstig de door de plaatselijke en provinciale levensmiddelencommissies vastgestelde prijzen. De afgeleverde producten werden aan de organisatie van de boerenbonden, aan de coöperaties en aan de door de vakorganisaties gecontroleerde particuliere handel verstrekt, die ze tegen de door de vakorganisaties van land- en industriearbeiders gezamenlijk vastgestelde prijzen aan de consumenten verkochten.

Op dezelfde wijze werden ook de prijzen voor de belangrijkste industrieproducten bepaald door commissies van land- en industriearbeiders. Deze directe regeling door de vakorganisaties, waarbij zowel met de belangen van de producenten als met die van de consumenten rekening werd gehouden, maakte het ingrijpen van de staat overbodig. Het collectivistische systeem slaagde er daardoor in de klassentegenstellingen uit te schakelen. Arbeiders en boeren waren leden van één groot gezin van producenten en consumenten. Het probleem van lonen en prijzen werd op bevredigende wijze opgelost.

De syndicalistische boerenbond hield zich ook met het werkloosheidsprobleem op het land bezig. De hoofdoorzaak van deze werkloosheid was gelegen in de onrechtvaardige eigendomsverhoudingen. In sommige delen van het land lagen grote stukken grootgrondbezit braak. In andere delen was voor de vele landarbeiders onvoldoende grond beschikbaar. De onteigening van het grootgrondbezit en het organiseren van de collectieven openden voor de werkloze landarbeiders de mogelijkheid zich op de braakliggende landerijen te vestigen. Met behulp van de boerenbond werd het de nieuwe boeren mogelijk gemaakt door eigen arbeid in hun onderhoud te voorzien.

De ruil van landbouw- en industrieproducten werd zoveel mogelijk plaatselijk geregeld om centralistische en bureaucratische misbruiken te voorkomen. De ruilhandel tussen de verschillende provincies en streken werd door de vakorganisaties geregeld, die voor dit doel verrekeningskantoren hadden gesticht.

Dank zij het initiatief van de boeren en arbeiders had zich een economische omwenteling voltrokken, waarbij de staat niet was betrokken. Het was een echt volkssocialisme van arbeiders en boeren. Aan regeringsdecreten had men geen behoefte. Alles werd door de vergadering van de bedrijven, van de boeren in de dorpen en van de arbeidzame bevolking in de gemeenten geregeld.

Er was een gelukkig samengaan van socialisme en vrijheid.

Het Spaanse collectivisme was niet het resultaat van onbekookte revolutionaire maatregelen. Het was diep in het Spaanse volk geworteld en langdurig voorbereid. De staat was gedwongen er plaats in de wetgeving voor in te ruimen. Maar de wet heeft de collectieven niet geschapen. Zij registreerde slechts wat het volk zelf in het leven had geroepen. In de decreten van de volksfrontregering na de 19e juli spiegelen zich de op het land voltrokken veranderingen ondubbelzinnig af.

Reeds na het uitroepen van de republiek in 1931 was de regering gedwongen geweest agrarische hervormingen af te kondigen.

Op 15 september 1932 trad een wet in werking waarin stond, dat “grond en bodem onteigend kunnen worden, wanneer zij door hun eigenaar voor dit doel ter beschikking van de staat worden gesteld en het instituut voor agrarische hervorming op het verkrijgen van de desbetreffende landerijen prijsstelt.” Dit decreet was onvoldoende en kon de naar land hongerende landarbeiders niet tevreden stellen. Het verklaart weliswaar dat onteigening tegen schadeloosstelling mogelijk is van landgoederen, die onvoldoende of in het geheel niet worden bebouwd en daarvoor wel in aanmerking komen, maar het schrijft de onteigening niet voor.

Op 9 december 1935 publiceerde het instituut voor agrarische hervorming een nieuw decreet, dat echter de landarbeiders evenmin tevreden kon stellen.

Twee maanden na de 19de juli op 15 en 23 september 1936 werden in een nieuw decreet van de minister van Landbouw de door het volk doorgevoerde onteigeningen en het vormen van collectieven en coöperaties op de onteigende goederen wettelijk erkend. Paragraaf 1 van dit decreet opende de mogelijkheid tot het vormen van plaatselijke economische comités van vier leden van de volksfrontpartijen en de vakorganisaties, die onder voorzitterschap van de burgemeester en met vertegenwoordigers van de provinciale agrarische overheden, voorstellen konden doen om de agrarische productie op te voeren. Het decreet erkende de nieuwe eigendomsverhoudingen en de collectieve organisaties van de landarbeiders.

Op 7 oktober van hetzelfde jaar publiceerde de minister van Landbouw een nieuwe verordening, waarbij de onteigening zonder schadeloosstelling van landgoederen ten gunste van de staat uit het bezit van personen, die rechtstreeks of indirect aan de opstand tegen de republiek hadden deelgenomen, mogelijk werd gemaakt. Om aan de door het volk zelf door te voeren onteigeningen een wettelijk karakter te geven, werd bepaald, dat door het gemeentebestuur, het volksfrontcomité, de vertegenwoordigers van de vakorganisaties en de kleine boeren een beoordelingscommissie moest worden gevormd, die in tegenwoordigheid van een provinciale vertegenwoordiger van het ministerie van Landbouw zou moeten uitmaken, wie als aanhanger van Franco en als collaborateur moest worden beschouwd en dientengevolge onteigend diende te worden. De beslissing van de plaatselijke commissie moest door de provinciale commissie worden goedgekeurd. Nadat de namen van de te onteigenen personen in het staatsblad waren afgedrukt, was de beslissing rechtsgeldig. Tegen de beslissing werd beroep op het ministerie van Landbouw opengesteld. Behalve landerijen konden ook gebouwen, fabrieken tot verwerking van landbouwproducten en onroerende goederen in het algemeen in beslag worden genomen.

De verordening bepaalde voorts, dat de in beslag genomen eigendommen aan de landarbeiderorganisaties of bij het ontbreken daarvan aan de landarbeiders individueel ter exploitatie moesten worden gegeven. Onteigeningen, die niet overeenkomstig de wettelijke voorschriften hadden plaatsgevonden, konden ongeldig worden verklaard. Deze bepaling was voor de anarchistische collectieven aanleiding zich bij de nieuwe bepalingen aan te passen. De verordening bepaalde voorts, dat de exploitatie van de landbouwbedrijven overeenkomstig de wil van de meerderheid van de bevolking collectief of individueel kon plaats hebben. Aan degenen die aan de republikeinse zijde aan de oorlog deelnamen werden zekere voorrechten toegekend. Het stond hun vrij de hun toegekende grond alleen of collectief te bewerken, resp. aan het collectief over te dragen, waarvan zij lid waren. Het instituut voor agrarische hervorming werd met het oppertoezicht over het onteigende land belast. De individuele of collectieve nieuwe boeren konden zich tot een nieuw te stichten landbouwbank om kredieten wenden.

Op 8 juni 1937 verscheen een nieuw decreet over de wettelijke erkenning van de landbouwcollectieven. De regering erkende alle in de loop van het oorlogsjaar wettelijk ingeschreven collectieven, die na 19 juli 1936 waren gevormd en die het door hen in bezit genomen land bewerkten. Op 15 juli 1937 werd de nieuwe bepaling van de minister van Financiën Negrin inzake belastingbetaling bekend gemaakt. Hierbij werd de staat tot eigenaar verklaard van de door het volk in beslaggenomen fabrieksgebouwen en woonhuizen. Collectieven en andere organisaties, die dergelijke eigendommen in bezit hadden, moesten de vroeger door de voormalige particuliere eigenaar betaalde belasting rechtstreeks aan de fiscus afdragen. Dit decreet had ten doel de staat inkomsten te verschaffen, maar het hield tevens de erkenning in van de door het volk doorgevoerde onteigening en collectiviseringen.

Met deze decreten erkende de staat de revolutionaire feiten. Het Spaanse spreekwoord “El hecho va ante el derecho” werd hiermee bevestigd: de daad gaat aan het recht vooraf.

De Sovjet-Unie is niet minder kapitalistisch dan de Verenigde Staten. In beide landen wordt kapitaal geaccumuleerd, in de Verenigde Staten door particulieren of groepen, in de Sovjet-Unie door de staat. In het laatste land heerst staatskapitalisme, in het eerste het particuliere kapitalisme. Wanneer men het anders zegt is het sofisme, demagogie of mooipraterij. Het voor te stellen, alsof de Sovjet-Unie socialistisch zou zijn is bedrog. Het ideaal van het socialisme is onverenigbaar met knechtschap en uitbuiting, zoals die in de Sovjet-Unie bestaan.

De twee grote economische stelsels van onze tijd zijn de particuliere economie en de staatseconomie. Dat de staatseconomie onder alle omstandigheden de voorkeur verdient boven de particuliere economie is puur propaganda. Daarmee is niet gezegd, dat het particuliere kapitalisme goed zou zijn. Nog afgezien van economische crises en imperialistische oorlogen is de particuliere uitbuiting een maatschappelijk kwaad. Maar ook onder het staatskapitalisme is de uitbuiting niet opgeheven.

Een derde economisch stelsel is het collectivisme, het door het volk zelf doorgevoerde socialisme zonder tussenkomst van de staat. Dit socialisme is op het ogenblik nog theorie, maar in Spanje was men gedurende de burgeroorlog op weg het te verwezenlijken. In korte tijd - in anderhalf jaar - heeft men een bewonderenswaardig groot stuk van de weg afgelegd om dit tot praktijk te maken. In Spanje was het een syndicalistisch vakorganisatiesocialisme, een stelsel zonder uitbuiting en zonder sociale onrechtvaardigheid.

In het vrijheidslievende collectivisme is het loonstelsel vervangen door de eerlijke verdeling van de opbrengst van de arbeid. Niet particulieren of de staat zijn eigenaar, maar de bedrijfscollectieven, de vakorganisatie, de industriefederatie en ten slotte de landelijke bond van vakorganisaties zijn de bezitters. Dat een dergelijk systeem uitvoerbaar is, hebben de Spaanse syndicalisten bewezen. Het vrijheidslievende collectivisme waarborgt de vrijheid, prikkelt het initiatief en effent de weg voor de vooruitgang. Wat de verbruikerscoöperatie voor de verbruiker is, dat is het syndicalistische collectief voor de producent. Zij sluit uitbuiting en dwang van de staat uit.

De gedurende de Spaanse burgeroorlog gestichte collectieven waren economische arbeidsgemeenschappen zonder particuliere eigendom. Het gecollectiviseerde bedrijf behoorde aan de arbeiders en de beambten, maar het was geen particuliere eigendom in de zin van de tegenwoordige wetgeving. De collectieven hadden niet het recht een fabriek of een werkplaats geheel of gedeeltelijk te verkopen of op andere wijze te vervreemden. De rechtsbasis van het collectief was niet de staat, maar de c.n.t. Maar ook het bestuur van de c.n.t. bezat niet het recht er naar goeddunken over te beschikken. Over alles werd door de arbeiders zelf op hun conferenties en congressen besloten. Deze nieuwe orde was soepel. In het bedrijf stemden de arbeiders en de beambten. Falanstères in de geest van Fourier waren het niet en ook geen genationaliseerde bedrijven als van Saint Simon. Het was een poging de arbeid door middel van solidaire hulpverlening en het economische leven door wederzijdse kredieten te organiseren op de wijze als het door Proudhon is voorgesteld. De syndicalisten waren er trots op zelf het socialisme door te voeren zonder tussenkomst van de staat en zonder partijpolitici. Zij beschouwden het als een economische aangelegenheid, als een taak voor arbeiders, technici en ingenieurs. Staatsbeambten en politici hadden zich er niet in te mengen. Economische liberalisme was het niet. Tussen de organisatie van het economisch leven door zelfstandige ondernemers op basis van uitbuiting en de organisatie van het economisch leven door de collectieven bestaat een hemelsbreed verschil.

Na een jaar stond de syndicalistische economische structuur al vast op de been. De bedrijven werden door de arbeiders zelf geleid, de vereiste leiders werden door hen zelf gekozen. Problemen die de competentie van het afzonderlijke bedrijf te boven gingen werden aan de plaatselijke economische raad voorgelegd. In Barcelona bestond deze uit twee gedelegeerden van iedere industrie. Op 28 augustus 1937, een jaar na het begin van de collectivisering, werd in Barcelona het eerste economisch congres voor Catalonië gehouden. Spoedig daarop

werd in Valencia een economisch congres voor het gehele land belegd. De talrijke collectieven in stad en land en de gesocialiseerde industrie hadden van de c.n.t. de grootste en rijkste economische macht van het land gemaakt. Het congres in Barcelona behandelde problemen, die een weerspiegeling waren van de nieuwe economische structuur. Hier volgen enige voorbeelden.

1. De gecollectiviseerde schoenfabrieken vroegen een krediet van twee miljoen peseta’s. Door gebrek aan leer konden 500 arbeiders niet werken, maar kregen wel hun volle loon. Dit kon niet zo voortgaan. De economische raad onderzocht de toestand. Deze stelde vast, dat er geen overschot schoenen in voorraad was. Door het verlenen van een krediet zou het mogelijk zijn leer in te kopen en enige verouderde fabrieken te moderniseren. De schoenen zouden daardoor goedkoper kunnen worden vervaardigd. Op grond van het onderzoek werd geadviseerd het krediet te verlenen.

2. In Catalonië was geen aluminiumfabriek. De Huesca was zo’n fabriek, in het door Franco bezette gebied. Aluminium was voor de oorlogsvoering van de grootste betekenis. De vakorganisaties namen de zaak ter hand. Met medewerking van chemici en ingenieurs werkte de economische raad een plan voor de bouw van een fabriek uit. Waterkracht, stroom, kolen en bauxiet waren in het land aanwezig. Voor de financiering legde de economische raad het congres een speciaal plan voor. De benodigde gelden moesten worden bijeengebracht door de gecollectiviseerde bedrijven, de gesocialiseerde industrieën en de vakorganisaties. Van het uitgeven van aandelen, zoals dat ook in de Sovjet-Unie plaatsheeft, werd afgezien, omdat daardoor het kapitalisme, dat door de deur naar buiten was gejaagd door het venster weer binnen werd gehaald.

3. Tegenover het probleem van de werkloosheid staat het particuliere kapitalisme machteloos. Het Russische staatskapitalisme heeft het opgelost met concentratiekampen en een geweldige bewapeningsindustrie, net als de fascistische staten. In de Sovjet-Unie zijn 12 miljoen arbeiders tot dwangarbeid veroordeeld. De syndicalistische economie heeft het vraagstuk op andere wijze aangevat. Werkloze industriearbeiders die zich voor de landbouw interesseerden, werden in de landbouwcollectieven opgenomen. In samenwerking met de landarbeidersbond ontwierp de economische raad een plan voor het ontsluiten van nieuwe bouwgrond, bevloeiing en verbetering van de reeds bebouwde oppervlakte. Door deze maatregel was men in staat de werkloosheid in de steden te beperken of geheel op te heffen. En de landbouw kreeg eindelijk nieuwe mogelijkheden om de achterstand in te halen.

Maar arbeiders zijn geen kapitalisten. Waar halen zij het geld vandaan om de lonen te betalen, grondstoffen te kopen, machines aan te schaffen, bedrijven te moderniseren of nieuwe te stichten en de landbouwmethodes te verbeteren?

Zij helpen elkander wederkerig. Alleen en op zichzelf staand zijn zij financiële dwergen, door samen te werken en de geldmiddelen van alle bedrijven bijeen te voegen worden zij reuzen. De gelden van alle gecollectiviseerde bedrijven, gesocialiseerde industrieën en de vakorganisaties vloeien in de confederale kassen of banken van de vakorganisaties. De centrale kas is in Barcelona; in alle plaatsen zijn filialen. De bank neemt de overschotten van de een in bewaring en verschaft de ander krediet. Het geldverkeer wordt zoveel mogelijk beperkt. De bank belast zich met het ruilen van de producten. Alleen de verschillen worden in geld uitbetaald. De grondslag voor de confederale kassen wordt op de jaarlijkse vakorganisatie- en economische congressen vastgesteld.

De bank van de arbeid levert ook deviezen voor het aankopen van grondstoffen en waren uit het buitenland. Rente betaalt de bank niet. Voor onkosten brengt zij 1% in rekening.

Het particuliere kapitalisme draagt in zich de kiem van het imperialisme. De staatseconomie is in wezen nationalistisch. De vrijheidslievende socialistische collectivistische economie staat los van nationalisme en imperialisme. Dit is van de grootste betekenis voor het behoud van de vrede.

De Spaanse syndicalisten zijn de eersten geweest, die hebben gepoogd het economisch leven op te bouwen van onderop. De collectieve bedrijven waren de bouwstenen van het vrijheidslievende socialisme. De gesocialiseerde industrieën vormden de gebouwen van de vrije maatschappij. De architecten waren de hand- en hoofdarbeiders in stad en land.

Vóór het uitbreken van de fascistische opstand lag het rechtswezen in handen van de staat. Na het neerslaan van de opstand richtte de woede van het volk zich in talrijke plaatsen tegen de reactionaire rechters en rechtbanken, die wegens hun klassenvonnissen werden gehaat. Het kon niet uitblijven in deze periode van opgezweepte hartstochten, of de aanvallen streefden vaak het doel voorbij. Het volk bestormde de rechtsgebouwen en maakte zich meester van de archieven. In de Catalaanse steden Vich, Granollers, Villanueva en Geltrú, evenals in verscheidene plaatsen in Andalusië en de Levant, gingen duizenden processtukken in de vlammen op. Soms werden zelfs de registers van de burgerlijke stand en van de kerk een prooi van de vlammen.

Het gerechtshof in Barcelona werd door het volk bezet. De in het gebouw aanwezige Guardia Civil werd ontwapend. Een arbeidersmilitie uit het personeel van het elektriciteitsbedrijf, het station en de markthallen nam het gebouw onder zijn hoede en plantte er de zwartrode vlag van de anarcho-syndicalisten op.

De staatsjustitie werd vervangen door een volksrechtbank. Er werd een nieuw uit het volk voortgekomen opperste rechtscomité voor Catalonië ingesteld. De oude rechtbanken met uitzondering van het hof van cassatie werden gesloten.

De hoogste gerechtsinstantie voor Catalonië was het revolutionaire volkstribunaal. Aan het hoofd stonden mannen, waaraan het volk zijn vertrouwen had geschonken. Voorzitter van het tribunaal was de federalistische republikein en beroemde advocaat Bariobero; naast hem zat de anarchistische advocaat Samblancat, een van de allereerste juristen van het land.

De nieuwe volksrechtbanken hielden zich niet met burgerlijke vermogensdelicten bezig. In hoofdzaak behandelden zij zaken tussen arbeiders en ondernemers, die uit de tijd vóór de revolutie stamden. Meestal ging het om vergrijpen, die tijdens stakingen waren gepleegd. Processen wegens sabotage of verzet tegen het staatsgezag werden geannuleerd. Daarentegen werden eisen van de arbeiders behandeld en afgedaan.

In de eerste dagen na het neerslaan van de opstand had het volk het uitoefenen van de justitie in eigen hand genomen. Over de aanhangers van Franco oordeelden bijzondere revolutionaire rechtbanken. Slechts in de dagen van de strijd werden op overijlde wijze veroordelingen uitgesproken en snel voltrokken. In dit opzicht werd er door de fascisten en door de revolutionairen op dezelfde wijze opgetreden. Een week na het beëindigen van de strijd werd in het republikeinse Spanje niemand veroordeeld zonder een voorafgaand zorgvuldig proces voor een volkstribunaal.

Het grootste gedeelte van de voor de opstand verantwoordelijke generaals en officieren werden voor bijzondere gerechtshoven gebracht, die in overeenstemming met de regering te Madrid waren ingesteld. In Barcelona hielden twee dergelijke volkstribunalen zitting: een op de Uruguay, een stoomschip uit de grote vaart, en een in de vesting Montjuich. Driehonderd hogere officieren werden beschuldigd aan de voorbereiding en het uitbreken van de opstand te hebben deelgenomen; 200 werden veroordeeld, 100 vrijgesproken.

Ook de juryrechtbanken werden gereorganiseerd. Zij bestonden, evenals vóór de opstand, uit twaalf gezworenen, die door de antifascistische organisaties werden benoemd. Iets nieuws was, dat onder de gezworenen vier vrouwen waren, die zich goed van hun taak hebben gekweten.

De socialistische minister van Oorlog, Indalecio Prieto, riep een organisatie tegen de militaire spionage in het leven, die later onder de naam s.i.m. bekend en gevreesd werd. De communisten zijn er in geslaagd de sleutelposities in de s.i.m. in handen te krijgen en misbruikten hun macht voor partijpolitieke doeleinden. De s.i.m. had eigen politie, een eigen rechtbank en eigen gevangenissen. Hij was volkomen aan de controle door het volk onttrokken. Buitenlandse communisten gaven in de s.i.m. de toon aan en traden volgens de aanwijzingen van de g.p.o.e. op als in een vijandig land. Niet slechts fascisten, maar ook antifascisten, die de communisten in de weg stonden, werden het slachtoffer van de s.i.m. Zelfs de marxistische voormalige minister van Justitie van Catalonië, Andreas Nin, werd door de s.i.m. gearresteerd en is nooit teruggekeerd. De s.i.m. is een zwart hoofdstuk in de geschiedenis van het republikeinse Spanje.

De grondwet werd na de overwinning op Franco in de Spaanse republiek niet gewijzigd. Het toetreden van de anarchisten en syndicalisten tot de regering was echter in strijd met de grondwet, omdat zij geen zitting hadden in de Cortes. Het zou niet mogelijk zijn geweest de strijd tegen Franco te voeren zonder dat de anarcho-syndicalisten regeringsverantwoordelijkheid droegen, daar zij tenminste de helft van de antifascistische krachten uitmaakten.

De macht ging niet meer van het parlement uit, maar direct van het volk. Het noodlot van het land werd beslist op de slagvelden van de burgeroorlog. De strijd tegen het fascisme werd door het volk zelf gevoerd. Moedige strijders en omzichtige organisatoren waren belangrijker dan parlementsleden.

Het grootste deel van de wettelijke verordeningen gedurende de burgeroorlog gold slechts voor de duur van de oorlog. Een decreet van historische betekenis werd in 1937 door de anarchistische minister van Justitie, Garcia Oliver, uitgevaardigd. Het betrof het rechtsherstel van de joden, die aan het einde van de vijftiende eeuw onder Isabella van Castilië waren uitgewezen en van hun Spaanse nationaliteit beroofd. Officieel was deze wet uit de vijftiende eeuw nooit ingetrokken, maar in de loop van de eeuwen had zij haar betekenis verloren.

Het nieuwe decreet bepaalde, dat de afstammelingen van Spaanse joden wederom de Spaanse nationaliteit konden verkrijgen. Het was een morele veroordeling van de jodenvervolging, die in 1937 in Duitsland aan de orde van de dag was. Bovendien verleende het decreet de Spaanse nationaliteit aan de buitenlandse antifascisten, die aan de strijd tegen Franco deelnamen. Politieke vluchtelingen en degenen die elders om hun ras werden vervolgd, werden in Spanje met open armen ontvangen.

De publicatie van het decreet gaf aanleiding tot het verschijnen van hatelijke artikelen in de Duitse nazipers tegen de “anarchistische minister van Justitie en verkapte jood Garcia Oliver”. Enkele jaren later vaardigde Franco een soortgelijk decreet uit, waarbij het de joden werd toegestaan naar Spanje terug te keren. De caudillo imiteerde de anarchisten.

 

8

 

“No Pasarán”

 

In de regering Giral (zie hoofdstuk 4) deden zich spoedig geschillen voor. In de pers werd de minister-president verweten, dat hij de aankoop van wapens in het buitenland belemmerde uit vrees de goudvoorraad van de Spaanse bank te moeten aanspreken. De syndicalisten wezen er op, dat Franco in dit opzicht geen scrupules kende. Hij had de rijke kwikzilvermijnen in Almadén en het waardevolle erts van de Spaanse mijnen aan Hitler en Mussolini aangeboden in ruil voor wapens en militaire hulp. Beide dictators gingen hierop in, hoewel de ertsmijnen in republikeins gebied lagen. Door tussenkomst van het hoofd van de Duitse spionagedienst, Canaris, die Franco tijdens zijn verblijf in Spanje gedurende de Eerste Wereldoorlog had leren kennen, stelde Göring reeds op 25 juli 1936 - zes dagen na het uitbreken van de opstand - Duitse vliegtuigeskaders ter beschikking van Franco. De eerste Marokkaanse troepen, die Franco van Afrika naar Andalusië dirigeerde, werden door Duitse piloten met Duitse vliegtuigen overgevlogen.

In Barcelona, Madrid en Valencia waren de fascisten verslagen en meer dan de helft van het land was van fascisten bevrijd. In Sevilla daarentegen was het generaal Queipo de Llano gelukt zich meester van de stad te maken. Sevilla was de sleutel van Andalusië en spoedig gelukte het Franco het grootste gedeelte van Andalusië te bezetten. Na de verovering van Cádiz door het vreemdelingenlegioen trokken de fascistische troepen stroomopwaarts langs de Guadalquivir. Zij veroverden ook Burgos en Salamanca. Het was voor de syndicalistische colonnes uit Madrid met hun ontoereikende bewapening niet mogelijk de goed bewapende troepen van Franco met succes te bestrijden en ook Badajoz, de hoofdstad van Estremadura viel in handen van Franco. De Afrikaanse infanteristen richtten na het innemen van de stad een vreselijk bloedbad onder de republikeinse bevolking aan. Wie van sympathie met de republikeinen werd verdacht, werd door de Moren onbarmhartig afgemaakt.

Waar het volk er niet in geslaagd was de militaire opstand in de eerste dagen neer te slaan, had het fascisme zich duurzaam gevestigd. Spoedig slaagde Franco er in van de Middellandse Zee tot Salamanca en Burgos een ononderbroken frontlijn te vormen. De politieke opstand werd een militaire veldtocht, die met behulp van Italiaanse en Duitse wapens, militaire deskundigen en troepen tegen het republikeinse Spanje werd gevoerd. Het doel van Franco was zo snel mogelijk Madrid te veroveren. Hij hoopte, dat het innemen van de hoofdstad hem spoedig zou doen zegevieren.

In het begin van september was de militaire situatie voor de republikeinen verslechterd. De fascisten rukten langzaam, maar regelmatig op. De republikeinse regering was voor haar taak niet berekend. Op 4 september trad Giral af. Largo Caballero, de algemene secretaris van de u.g.t., vormde een volksfrontregering met inbegrip van de communisten. De linkervleugel van de socialistische partij en de communisten vierden Caballero als de grote man van het ogenblik. De communisten werden niet op grond van hun betekenis in de regering opgenomen, maar omdat men daardoor het leveren van wapens door Stalin hoopte te bevorderen. Deze hoop werd door de communisten terdege uitgebuit.

De tussenkomst van Duitsland en Italië ten gunste van Franco en de verwachte deelname van de Sovjet-Unie aan de kant van de republiek stelde de internationale politiek voor een kritieke situatie. De Spaanse burgeroorlog dreigde de wereldvrede in gevaar te brengen. In Frankrijk was de volksfrontregering met socialistische leider Leon Blum aan de macht. Op hem had Largo Caballero zijn hoop gevestigd.1 Leon Blum was er echter de man niet naar om zelfstandig te beslissen en snel te handelen. Hij had een Hamletkarakter en wachtte af, welk standpunt Engeland zou innemen. In Groot-Brittanië echter was de Tory-partij onder leiding van Chamberlain aan

de macht. Chamberlain besloot tot de politiek van niet-inmenging, tot de politiek van niet-optreden. Ondanks de sympathie van de grote meerderheid van het Franse volk met de Spaanse republiek ging Blum akkoord met Chamberlain’s voorstel tot non-interventie.

In de loop van de volgende weken en maanden kwamen steeds meer Russische adviseurs en militaire deskundigen en later ook Russische wapens in het land. De militaire hulp van Hitler en Mussolini kwam echter sneller en was meer doeltreffend. Dank zij deze hulp kon Franco de aanval op Madrid voorbereiden. In het kamp van de republikeinen heerste grote verwarring. De regering van Largo Caballero was gevormd uit de linkse partijen en vertegenwoordigde niet het gehele antifascistische volk, maar ten hoogste de helft daarvan. De andere helft werd gevormd door de anarcho-syndicalisten. Deze stonden echter buiten de regering. De strijd tegen Franco steunde voornamelijk op de arbeidersorganisaties, d.w.z. op de vakbeweging. De “confederale strijdkrachten”, zoals de colonnes van de anarcho-syndicalisten werden genoemd, waren de best georganiseerde van het Madrileense proletariaat. De belangrijkste organisator was Eduardo Val. De weinige wapens, waarover zij beschikten, hadden zij grotendeels zelf veroverd. De c.n.t. richtte eigen wapenfabrieken in, waar patronen en geweren werden vervaardigd. In het hoofdkwartier van de “confederale eenheden” waren 65.000 frontstrijders ingeschreven, die allen tot de syndicalistische vakbeweging van Madrid behoorden.

De confederale eenheden hadden een eigen intendance, eigen werkplaatsen voor het vervaardigen van kleding en schoenen en eigen ziekenhuizen. De anarcho-syndicalistische boerencollectieven in Catalonië en de Levant voorzagen hen van levensmiddelen.

De anarcho-syndicalisten hadden in Madrid twee dagbladen, CNT en Castilla Libre. Beide bladen kwamen op voor één volksleger van alle antifascistische strijdkrachten. De anarchisten van Castilië wezen er voortdurend op, dat tegenover de legers van Franco een gelijkwaardig volksleger moest worden gesteld. De georganiseerde macht van de c.n.t. was van de grootste betekenis voor de strijd tegen Franco. Voor de regering van Largo Caballero was het daarom een kwestie van levensbelang het met de syndicalisten eens te worden.

De anarcho-syndicalistische colonnes waren echter zo onvoldoende bewapend, dat zij tegen een modern uitgeruste vijand niet waren opgewassen. Zij waren dus gedwongen met Largo Caballero in overleg te treden om wapens te verkrijgen. Dit overleg leidde er toe, dat de c.n.t. op 4 november 1936 tot de regering toetrad. De syndicalistische c.n.t. en de anarchistische f.a.i. kregen vier departementen, die van justitie, volksgezondheid, handel en arbeid. Hierdoor werden op een kritiek tijdstip in de strijd tegen Franco de innerlijke tegenstellingen in het kamp van de republikeinen tijdelijk opgeheven. Het toetreden van de anarcho-syndicalisten tot de regering had een grote uitwerking op de strijdende massa’s. De geestdrift voor de strijd steeg er door en de hoop op de overwinning werd versterkt.

Intussen was de militaire toestand slechter geworden. Madrid werd ernstig bedreigd. De fascisten rukten steeds verder op en stonden reeds voor de poorten van de stad. In verband met de dreigende toestand besloot de regering in de nacht van de vijfde november haar zetel naar Valencia te verplaatsen. Dezelfde nacht begaf de regering zich naar deze hoofdstad van de Levant. Tegelijkertijd begon de strijd om Madrid. Hij werd door het gehele volk, d.w.z. door de gehele arbeidersbevolking van Madrid gevoerd; noch de regering, noch de enkele generaals die de republiek trouw waren gebleven, konden de hoofdstad verdedigen.

In dezelfde nacht, dat de regering Madrid verliet werd de Madrileense Verdedigingsjunta gevormd. Zij omvatte alle antifascistische organisaties. Aan het hoofd stond generaal Miaja. Hij was een symbolische persoonlijkheid. Zijn betekenis lag veel minder in de effectieve leiding van de strijd dan in een soort vaderlijke zorg tegenover alle antifascistische partijen en organisaties. De volgende maand werd Madrid het middelpunt van de burgeroorlog. De bevolking van de Spaanse hoofdstad was besloten de strijd onder het brengen van alle vereiste offers tot het bittere einde uit te vechten.

Twee machten stonden tot het uiterste tegenover elkander: het internationale fascisme en het volk van Madrid. Drie jaar eerder had Hitler de Duitse arbeidersbeweging overwonnen. De sociaal-democraten en communisten van Duitsland waren schitterend georganiseerd, maar zij durfden de strijd niet aan. De arbeidersbeweging van Spanje was in vergelijking met de Duitse slecht georganiseerd, maar zij was bereid te strijden. Vooral onder de anarcho-syndicalisten heerste een onverwoestbare strijdgeest. Deze geest werkte aanstekelijk en omvatte tenslotte allen. Met ontembare geestdrift plaatsten de arbeiders van Madrid zich tegenover het Spaanse leger en het internationale fascisme.

De ogen van de wereld waren gericht op de belangrijke beslissingen aan de oevers van de Manzanares. Madrid werd het zinnebeeld van de strijd tegen fascisme en nationalisme.

In Madrid ontstond het wachtwoord “No Pasarán!”. Tot hiertoe en niet verder! De arbeiders van Madrid waren zich bewust van de betekenis van de komende beslissing. De afloop van de strijd zou een keerpunt in de geschiedenis betekenen. De eerste beslissende slagen werden in de nacht van 7 november uitgevochten. Er was geen volksleger. Van Internationale Brigades had nog niemand gehoord. Generaal Miaja had nog geen tijd gehad zijn ambt uit te oefenen. Franco’s vreemdelingenlegioen bezette verschillende buitenwijken van de stad. Zijn vijfde colonne probeerde het moreel van de verdedigers van de stad te ondermijnen. In de voorsteden Carabanchel en Usera, op de weg naar Estremadura en in Casa de Campo stellen de anarcho-syndicalistische colonnes zich tegen de Moren te weer en improviseren barricades en loopgraven.

De arbeiders hebben het werk neergelegd en snellen naar de lokalen van hun vakorganisaties. Voortdurend worden nieuwe honderdmanschappen en colonnes georganiseerd. Behoedzaam marcheren de fabrieks- en de bouwvakarbeiders naar de loopgraven met hun anarchistische strijdliederen op de lippen, in hun hart het onverwoestbare geloof aan de overwinning van de vrijheid. “A las Barricadas! A las Barricadas! Por el Triunfo de la Confederación!”, hoort men op de straten zingen: “Hijo del Pueblo!” Gij zoon van het Volk, zingen de anarchistische colonnes.

De slag is over de gehele linie ontbrand; maar geen generaal voert de arbeiders aan. Onder de kreet “Viva la f.a.i.! Viva la c.n.t.!” bieden de arbeiders van Madrid de fascistische vijand het hoofd. “No Pasarán!” roepen zij elkander toe. Steeds nieuwe groepen stellen zich voor de gevallenen in de bres. Niemand komt er door! Op de heldhaftigheid van de Madrileense arbeiders stuiten alle aanvallen van de fascisten en van de Moren af. In deze gedenkwaardige en beslissende nacht heeft één man in het republikeinse Madrid de draden van het verzet in handen: Eduardo Val, de organisator van de anarcho-syndicalistische colonnes. Hem en deze colonnes is het deze nacht gelukt de intocht van Franco in de stad te verhinderen. Het voorbeeld van deze ene nacht was beslissend voor de toekomst. In de daarop volgende dagen en weken proberen de fascistische legers telkens weer Madrid in stormloop in te nemen. Maar steeds worden zij teruggeslagen.

Het gevaar is echter niet bezworen. Het wordt iedere dag groter. De aanvallen van de fascisten worden steeds heftiger. De republikeinen halen versterkingen. Uit Albacete komen 3500 man van de Internationale Brigade, uit de bergen van Albarracin 3000 anarcho-syndicalisten. Enkele dagen later komt Durruti, de anarchistische strijder uit Catalonië, met 4000 Catalaanse milicianos. Madrid krijgt nieuwe hoop. Durruti elektrificeert de vermoeide strijders.

De strijd gaat voort. De verdedigers verdubbelen hun inspanning. Ieder probeert de ander aan strijdgeest en doodsverachting te overtreffen. De fascistische aanvallers maken gebruik van Duitse en Italiaanse pantserwagens. De verdedigers hebben geen gelijkwaardige wapens. Zij hebben slechts hun persoonlijke moed en het geloof in de zaak van de vrijheid. Een matroos en een onderwijzer hebben een nieuwe strijdmethode bedacht: zij laten de pantserwagens vlakbij komen en werpen zonder te letten op het vuur van de mitrailleurs hun handgranaten naar de wagens. Toen daardoor een wagen niet verder kon, was de weg voor de volgende tanks versperd. Met handgranaten tegen tanks. Het staat gelijk met zelfmoord. Maar het heeft succes. De aanvallen worden tot stilstand gebracht.

Deze ongelijke strijd kostte talrijke offers. De held van de revolutie, Buenaventura Durruti, viel voor Madrid. Duizenden vrijwilligers in dienst van de vrijheid sneuvelen. Maar de stad geeft zich niet over. Franco en zijn Moren komen niet vooruit.

No Pasarán!

Tijdens de belegering van Madrid bevond zich een Amerikaanse journalist Twhitakers in het hoofdkwartier van Franco. In het oktobernummer van Foreign Affairs (1942) heeft hij een verslag van zijn waarnemingen gepubliceerd. Daaruit blijkt ondubbelzinnig, dat het Franco zonder Duitse en Italiaanse hulp nooit zou zijn gelukt de republiek te overwinnen. Twhitakers schrijft:

“Toen de staatsgreep was mislukt, kon Franco zich slechts met behulp van Duitse en Italiaanse vliegtuigeskaders redden. Daarbij hielpen hem natuurlijk ook nog de Moren uit Afrika. Later scheelde het nogmaals weinig, of hij zou de oorlog door zijn vergeefse en veeleisende aanvallen op Madrid hebben verloren. Bij deze gelegenheid waren het de Duitse troepen, waardoor hij werd gered. Ik bevond mij met de Moren in de voorsteden van Madrid. Ik zag Franco, die zichzelf en zijn zaak met een dwaze frontaanval op de trotse stad aan het grootste gevaar blootstelde. In de rug door de huizen gedekt hadden de republikeinen noch officieren, noch strategische kennis nodig. Toen Franco de eerste maal de buitenwijken van de stad had bereikt, had hij haar kunnen innemen. Maar hij stelde de beslissing uit om de zaak met zijn Duitse en Italiaanse adviseurs te bespreken. Franco volgde de raad van generaal Von Faupel en wachtte op nieuwe kanonnen en tanks. In die dagen kwamen 1900 vrijwilligers van de Internationale Brigade naar Madrid, waarbij zich twee dagen later nog 1550 voegden. Allen droegen er toe bij Madrid te verdedigen. Ik heb mij er persoonlijk van kunnen overtuigen, hóe Madrid verdedigd werd.

Ik begaf mij naar de Franse brug om de eerste correspondent te zijn, die de Manzanares had overschreden en Madrid was binnengetrokken. Het vuur was zo hevig, dat het mij onrustig maakte. In de waterspiegeling van de rivier zag ik, hoe de Moren een deftig huis met zes verdiepingen van vijanden zuiverden. Een groep van 50 Moren omsingelde het gebouw. Zij drongen het huis binnen zonder dat de verdedigers enig teken van leven gaven. Zij gingen verder met handgranaten en machinepistolen van de ene verdieping naar de andere. Zij traden op met de rust die slechts deskundigen kenmerkt. Maar plotseling werd hun werk onderbroken. Op het moment, dat zij meenden gereed te zijn, werden zij allen gedood. Het hardnekkig verzet van de republikeinen demoraliseerde de strijdgeest van Franco’s soldaten. Op hun triomfantelijke tocht van Badajoz en Talavera de la Reina was het voor het eerst, dat hun met zoveel succes tegenstand werd geboden.

Toen gebeurde er iets nieuws. De republiek stelde kanonnen in werking. En op een goede dag gebeurde er iets geheel onverwachts. De republikeinen lieten 127 vliegtuigen tegen Franco opstijgen. Het werd een verschrikkelijke slag tegen de Moren. Overste Castejón, die aan de heup gewond was, verklaarde mij, dat volgens mededeling uit het hoofdkwartier van Franco van de 60.000 Moren er 40.000 waren gesneuveld. Wij zijn in opstand gekomen, voegde hij er aan toe, maar nu zijn wij verslagen.

De Falangisten deugden niet voor het front en de Carlisten waren vernietigd. Ik was in gezelschap van kapitein Strunk, militair attachee bij Franco, toen generaal Varela en generaal Yagüe mij zeiden: “Het is afgelopen met ons. Wij kunnen nergens meer stand houden, als de roden tot een tegenaanval zouden overgaan.” De Spanjaarden achter het front wisten dit ook. Er braken opstanden uit in Cáceres en in Andalusië. Terwijl de republikeinen hun krachten verzamelden om tot de tegenaanval over te gaan, stuurde Mussolini een leger van 100.000 man. Duits en Italiaans geld maakte het Franco mogelijk nog 60.000 Moren aan te werven, waarvan 40.000 uit Spaans Marokko. Zo maakte het buitenland opnieuw enige overwinningen mogelijk op het Spaanse volk.”

Het verslag van deze Amerikaanse journalist is niet het enige bewijs van de hulp, die Franco van Hitler en Mussolini heeft ontvangen. De publicaties van de geheime documenten, die tussen het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken en dat van Franco in Burgos zijn gewisseld, leveren verdere bewijzen. De nazi-regering heeft, evenals het fascistische Italië, er alles op gezet om de Spaanse republiek neer te slaan. De oorlog in Spanje was voor Hitler en Mussolini de generale repetitie voor de door hen voorbereide Tweede Wereldoorlog. Dat de republiek onder deze omstandigheden werd verslagen was geen wonder. Eerder moet men zich er over verwonderen, dat het Spaanse volk, hoewel duidelijk de overmacht van de vijanden op het gebied van modern oorlogsmateriaal aan de dag trad, bijna drie jaar lang het verzet heeft kunnen volhouden. Dit wonder kan alleen worden begrepen uit de geestdrift en het revolutionaire élan van de door het ideaal van de vrijheid vervulde arbeiders en boeren.

De over de Internationale Brigaden in de Spaanse burgeroorlog verspreide berichten spreken elkander tegen. Er is veel gepubliceerd wat slechts op ongegronde geruchten steunde. De As-mogendheden bliezen de betekenis van de Internationale Brigaden op om hun interventie in de Spaanse burgeroorlog te verdedigen. De communisten verspreidden over deze brigaden bewuste leugens ten dienste van de communistische propaganda. Zowel de een als de ander gebruikte de Internationale Brigaden om leugenachtig propaganda te voeren en de kuiperijen van hun verdorven politiek goed te praten. De waarheid over de Internatonale Brigaden is noch bij de communisten, noch bij de fascisten te vinden.

Ook over de aantallen van de Internationale Brigaden zijn leugenachtig of onjuiste mededelingen gedaan. In Madrid bedroeg het aantal buitenlandse vrijwilligers nauwelijks het twintigste deel van de republikeinse strijdkrachten. Dit kleine aantal zou het nooit zijn gelukt, Madrid te redden. Toch werd dit van communistische zijde beweerd en zelfs door Amerikaanse journalisten herhaald. De invloed van de leden van de Internationale Brigaden op de strijd is evenzeer sterk overdreven. Dit zal iedere objectieve geschiedschrijver moeten erkennen.

Het grootste deel van de Internationale Brigaden bestond uit politieke vluchtelingen uit de fascistische landen. Zij hadden alle reden het fascisme of het nationaal-socialisme, dat zij in hun eigen land niet hadden kunnen keren, te haten. Met geestdrift zagen zij op tegen het Spaanse volk, dat dank zij de anarchistische inslag van de Spaanse arbeidersbeweging als eerste de strijd tegen het internationale fascisme en despotisme dat Europa dreigde te verstikken, heeft opgenomen. Het verzet van de Spanjaarden tegen de militaire opstand vervulde de democratische wereld met nieuwe hoop. Op het Pyreneese schiereiland ging het morgenrood van een nieuwe vrijheid op. Een eresaluut aan al degenen, die op onbaatzuchtige wijze aan de grote strijd tussen de krachten van de reactie en die van de vooruitgang aan de zijde van de Spaanse vrijheidsstrijders hebben deelgenomen.

De eerste vrijwilligers kwamen in augustus 1936 uit Frankrijk. Geestdriftig waren zij over de Pyreneeën naar Barcelona gekomen om aan de strijd tegen het internationale fascisme deel te nemen. Het waren enige honderden jeugdige antifascisten. Zij werden in de Spaanse eenheden opgenomen en streden aan het front in Aragon. Spoedig volgden grotere scharen Italiaanse antifascisten van verschillende richtingen: anarchisten, socialisten, syndicalisten, liberalen. De Italiaanse vrijwilligers vormden de Garibaldibrigade. Deze brigade maakte zich zeer verdienstelijk in de strijd bij Huesca. Talrijke Italiaanse anarchisten en liberale socialisten hebben hun leven in deze strijd gelaten. In september 1936 werd de colonne “Sacco en Vanzetti” gevormd, die uit internationale strijders bestond. Zij sloot zich aan bij de eenheden, die door Durruti werden aangevoerd. Het gezamenlijke aantal internationale milicianos heeft nauwelijks meer dan drieduizend bedragen. Van hen was in het buitenland weinig bekend. Zij vielen niet onder de door de communisten georganiseerde Internationale Brigaden.

De anarcho-syndicalisten hadden er overigens geen belang bij buitenlandse strijders naar Spanje te halen. Aan mensen ontbrak het hun niet; hun vakorganisaties leverden voldoende strijders. Hetzelfde gold voor de socialistische u.g.t.. Wat hun beide ontbrak waren wapens.

Geheel anders was het met de communistische partij. De communisten hadden in Spanje zo weinig aanhangers, dat zij niet meer dan twee of drie colonnes zouden hebben kunnen samenstellen. Daarom hadden zij er belang bij met behulp van de buitenlandse communistische partijen hun strijdeenheden en hun invloed te vergroten.

Gedurende de eerste drie maanden na de 19de juli was Catalonië geheel in handen van de anarcho-syndicalisten en de Franse grens werd door de f.a.i. bewaakt. De mensen van de f.a.i. lieten hun eigen buitenlandse geestverwanten in Spanje toe, maar hadden bezwaar de grens voor de talrijke communisten open te stellen. De organisator van de antifascistische militie was de anarchist Garcia Oliver, de latere minister van Justitie in de regering van Largo Caballero. Oliver gaf het bevel de grens voor vrijwilligers uit het buitenland volledig te sluiten. Zijn opdracht werd door de chef van de Catalaanse politie, Aurelio Fernández, strikt uitgevoerd.1 De communisten wendden zich tot de minister-president Largo Caballero om de opening van de grenzen te bewerken. Caballero probeerde Garcia Oliver in een telefoongesprek te bewegen de door de communisten geworven vrijwilligers toe te laten, die hij dan naar Madrid zou kunnen sturen, waar zij in de communistische colonnes zouden worden opgenomen, als men hen in Catalonië niet nodig had. Garcia Oliver zei Caballero, dat het beter was de buitenlandse vrijwilligers niet toe te laten om niet de schijn te wekken, dat de republiek voor haar strijd tegen Franco op buitenlandse vrijwilligers was aangewezen. De beste hulp van de arbeiders in andere landen bestond z.i. in een krachtige propaganda om de publieke opinie gunstig te stemmen voor de Spaanse republiek. Minister-president Largo Caballero gaf Garcia Oliver gelijk. De grens bleef gesloten. Later ging Oliver naar het front in Aragon. Onder zijn opvolger in het antifascistische militiecomité, de anarcho-syndicalist D.A. de

1 In deze tijd verscheen Ludwig Renn aan de Spaanse grens en verlangde in het land te worden toegelaten. Iemand van de grenswacht begeleidde hem naar Barcelona en bracht hem bij mij in het regionale comité van de c.n.t. Het was op een zaterdagmiddag. Ik had hem weer naar Frankrijk kunnen terugsturen of hem zelfs kunnen laten arresteren, zoals men in de Sovjet-Unie met een anarchist zeker zou hebben gedaan. Ik gaf Ludwig Renn echter een lesje in anarchistische vrijheid en stuurde hem naar Hotel Colón, waar de communistische partij zetelde. Een jaar later floreerden de communistische wervingsbureaus in Frankrijk. Toen ik voor een opdracht in Parijs vertoefde kwamen drie syndicalisten uit mijn geboorteplaats Rabitor bij mij met het verzoek hen mee te nemen naar Spanje. Zij waren uit Hitler-Duitsland gevlucht en wilden met hun Spaanse geestverwanten tegen het fascisme strijden. Ik moest nog dezelfde dag naar Barcelona terug en had geen tijd hun de vereiste papieren te bezorgen. Ik gaf hun de raad mij in Barcelona op te zoeken, opdat ik de zaak voor hen in orde zou kunnen maken. Zij zagen geen andere mogelijkheid dan via een communistisch wervingsbureau in Spanje te komen. Het was hun bedoeling zich in Barcelona met mij in verbinding te stellen. Zij reisden met een groep communisten en mochten in Barcelona het station niet verlaten. Zij werden regelrecht naar Albacete gestuurd. Daar is een van hen wegens zijn anticommunistische gezindheid - zogenaamd wegens ondisciplinair optreden - door de communisten doodgeschoten. De tweede sneuvelde in de strijd tegen Franco. De derde werd krijgsgevangene van Franco en na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog met andere lotgenoten naar Duitsland gebracht, waar hij tot het einde van de oorlog in een concentratiekamp heeft gezeten. Nadat hij door de Amerikanen was bevrijd, schreef hij mij de bovenstaande inlichtingen. Op het ogenblik woont hij in Lübeck.

Santillan, werd de grens geopend. De geworven vrijwilligers kwamen onder communistische leiding het land binnen.

Nauwkeurige gegevens over de sterkte van de Internationale Brigaden zouden slechts de communistische wervingsbureaus in Frankrijk kunnen verstrekken. Zugazagoitia, minister van Binnenlandse Zaken in het kabinet Negrin, verklaart in zijn boek De geschiedenis van de oorlog in Spanje, dat het aantal leden van de Internationale Brigaden hem niet bekend was. Ook De Santillan deelt in zijn in Buenos Aires verschenen boek Waarom wij de oorlog hebben verloren mede, omtrent de sterkte van de Internationale Brigaden niets te hebben geweten. Overste Pérez Salas, het voormalige hoofd van de afdeling “Buitenland” en voorzitter van de revisiecommissie van de strijdkrachten van de Spaanse republiek, schrijft in zijn in 1947 in Mexico verschenen boek Oorlog in Spanje: “Toen ik met mijn onderzoek naar de Internationale Brigaden begon, moest ik vaststellen, dat de commissie door de communisten werd beheerst. Alle belangrijke posten werden door de communisten ingenomen. De Internationale Brigaden vielen onder de afdeling “Buitenland”, waarvan ik de chef was, maar ik kwam spoedig tot de ontdekking, dat ons werk volkomen fictief was. De brigaden bestonden uit vrijwilligers uit alle landen. Zij werden door een bureau aangeworven, dat zijn hoofdzetel in Parijs had. Het hoofdbureau zowel als de filialen werden door de communisten beheerst. Het gevolg daarvan was, dat de meerderheid van de vrijwilligers bestond uit leden van de communistische partijen in de verschillende landen. Het officierskorps bestond uitsluitend uit volbloed stalinisten.

Indalecio Prieto stelt in zijn brochure Waarom ik ben afgetreden als minister van Oorlog vast dat het voor oorlogsmateriaal bestemde geld door de Franse communistische partij voor politieke propaganda werd uitgegeven. Ook werden mij gevallen van corruptie meegedeeld. Om deze dingen te onderzoeken besloot ik met een vertrouwensman naar Parijs te gaan met de bedoeling orde te scheppen. Dringender aangelegenheden dwongen mij echter de reis uit te stellen. De daarop volgende gebeurtenissen hebben mij belet later aan de uitvoering van mijn voornemen gevolg te geven.

De Internationale Brigaden hadden een ongelooflijke onafhankelijkheid. In hun zetel in Albacete hadden zij hun eigen intendance en zelfs een eigen rechtbank, die zich aan de controle van de minister van Oorlog onttrokken.

De uitknijpers van de Internationale Brigade, die ver in het achterland in veiligheid zaten en daar prettige baantjes hadden, waren in de meerderheid. In augustus 1937 waren er van de 20.000 aangeworven vrijwilligers slechts 8000 aan het front!

Gedurende de tijd, dat ik aan het hoofd van de afdeling stond, kwamen bij mij talrijke klachten binnen over onrechtvaardige veroordelingen bij de Internationale Brigaden. Er werden meer gestraft uit politieke wraakzucht dan wegens militaire fouten of delicten. Deze toestanden en de enorme kosten, die in geen verhouding stonden tot de sterkte van de brigaden, gaven eindelijk het ministerie van Oorlog aanleiding de Internationale Brigaden te ontbinden en de leden ervan in de Spaanse weermacht op te nemen. Langzamerhand verloren de Internationale Brigaden hun internationale karakter. Spaanse officieren en manschappen namen de plaats in van buitenlanders. Deze maatregel had uitsluitend ten doel de capaciteit van deze eenheden te vergroten. De communisten echter vreesden aan invloed te zullen inboeten en probeerden de reorganisatie te verhinderen.”

Pérez Salas behoorde reeds onder de monarchie tot de republikeinse groep van Spaanse beroepsofficieren. Hij was geen lid van een partij maar koos bij het uitbreken van de opstand zonder zich te bedenken de zijde van de republiek. Zijn objectief oordeel over de Internationale Brigaden is vernietigend voor de communisten, die er aan de touwtjes trokken.

Een voor de leiding van de Internationale Brigaden onder het beheer van de Franse communist André Marty niet zeer verheffende getuigenis legt ook Louis Fischer in zijn gedenkschriften af. Fischer is een tijdlang in Albacete werkzaam geweest bij de intendance van de Internationale Brigaden. Hij was toen nog communist en keurde alles goed. Toen hij later de communisten de rug had toegekeerd, heeft hij onthullingen gedaan, die het optreden van de communisten bij het organiseren van de Internationale Brigaden allerminst in een gunstig daglicht stellen. Ongetwijfeld waren er onder de leden van de Internationale Brigaden talrijke idealisten, maar ook vele avonturiers. Van de vele leidende internationale communisten die in Spanje een rol hebben gespeeld, hebben slechts weinigen eerlijke bedoelingen gehad. De organisatie van de Internationale Brigaden was een smerige partijmachinatie van de communisten.

9

 

De regering van Largo Caballero en de oorzaken van haar val

 

Nadat de regering naar Valencia was overgebracht, spande de minister-president Largo Caballero, de voormalige bouwvakarbeider, zich in om met medewerking van alle antifascistische richtingen de oorlog tegen de aanval van het internationale fascisme te organiseren.

Van de democratische staten was geen hulp te verwachten. In het begin van de oorlog zou een klein aantal Franse vliegtuigeskaders voldoende zijn geweest om snel een einde te maken aan de pronunciamiento. Maar Blum waagde het niet ten gunste van zijn Spaanse geestverwanten in te grijpen. De Spaanse republikeinen stelden daarom hun hoop op de Sovjet-Unie. De regering Caballero knoopte betrekkingen met Moskou aan. Stalin bespeurde de mogelijkheid een West-Europees land van zich afhankelijk te maken. Hij stuurde instructeurs, kanonnen, vliegtuigen en tanks. Russische adviseurs gaven in de generale staf van het republikeinse leger de toon aan. De republikeinse strijdkrachten werden gereorganiseerd. De volksmilitie werd in een volksleger omgezet. De honderdmanschappen werden compagnieën, de colonnes bataljons. De geestdrift werd vervangen door discipline, de solidaire samenwerking door gehoorzaamheid. Tot dusverre hadden de antifascisten vrijwillig gestreden. Nu werden soldaten opgeroepen op grond van algemene dienstplicht.

Deze veranderingen werden door de oorlog gedicteerd. De geestdrift van de eerste dagen van de strijd was vervlogen. De oorlog eiste taaie volharding, offers aan het front, zware arbeid en geduldig volhouden in het achterland. Dit alles was niet te vermijden.

Maar er deed zich ook nog iets anders voor, dat bij de meeste antifascistische organisaties ernstige bezwaren opriep: de toenemende inmenging van de Sovjet-Unie in de binnenlandse aangelegenheden van Spanje ten gunste van de communistische partij. De Russische adviseurs zetten bij de regering hun wil door, om talrijke verantwoordelijke en leidende posten in het leger met communistische gunstelingen te bezetten. De communistische partij, die niet wortelde in het volk, kreeg grote invloed op de leiding.

Deze toestand leidde spoedig tot ontevredenheid en tot tegenstellingen. De weg naar promotie liep over de communistische partij. Wie gaarne een invloedrijke post wilde hebben, werd lid van de communistische partij.

De door Rusland geleverde wapens werden achtergehouden. Men wachtte tot er nieuwe eenheden onder leiding van communisten waren gevormd om deze formaties de wapens te geven.

Tegelijkertijd hadden talrijke beproefde strijdeenheden gebrek aan de vereiste wapens. De meestal uit anarcho-syndicalisten bestaande Catalaanse colonnes en legerafdelingen aan het front in Aragon wachtten tevergeefs op kanonnen, vliegtuigen en tanks. De nieuwe op grond van de algemene dienstplicht gevormde eenheden onder bevel van communisten werden daarentegen zo goed mogelijk van moderne wapens voorzien.

Franco had zijn vergeefse aanvallen op Madrid gestaakt. De tijd voor een tegenoffensief van de republikeinen was aangebroken. In overeenstemming met zijn Spaanse militaire deskundigen bereidde Largo Caballero een offensief in Estremadura voor. Het doel van deze actie was het front van Franco in tweeën te splitsen. Met een blik op de landkaart kan men zich van de betekenis van een dergelijks actie overtuigen. De uitval naar Badajoz zou de noordelijke strijdkrachten van Franco geïsoleerd hebben. Bilbao dat met een offensief van Franco werd bedreigd had behouden kunnen blijven.

Voor het tegenoffensief waren vliegtuigen nodig. Alle voorbereidingen waren getroffen. De vliegtuigen waren in Rusland besteld en spoedige toezending was beloofd. Maar de levering bleef uit. Rusland stuurde de vliegtuigen niet en in republikeinse kringen werd bekend, dat zij niet werden gezonden, omdat Stalins adviseurs het met de actie niet eens waren. De oorzaak van de tegenstelling was van politieke aard. De invloed van de communistische partij was nog niet groot genoeg om een eventuele overwinning op rekening van de communisten te kunnen boeken.

Aan het hoofd van de republikeinse legers in Estremadura stonden republikeinse officieren. De Russische adviseurs stelden Caballero voor hen door communistische bevelhebbers te vervangen. Dit wees de minister-president verontwaardigd af. Hij noemde deze eis een onbetamelijke inmenging in de soevereiniteit van de Spaanse republiek. Toen de communisten zagen, dat zij Caballero niet als een willoos werktuig konden gebruiken, lieten zij hem vallen. Van dat moment af aan noemde de communistische propaganda hem niet langer de “Spaanse Lenin”.

De verschillen tussen de Russen en Caballero deden zich ook op andere gebieden voor. De politiek van de Russische adviseurs en de Spaanse communisten was gebaseerd op een brief van Stalin van 21 september aan Largo Caballero.

In deze brief gaf Stalin de Spaanse minister-president politieke adviezen. De Russische dictator gaf de raad om in Spanje van revolutionaire maatregelen af te zien. Het land en de particuliere eigendom moesten naar zijn mening niet worden onteigend. Er moesten z.i. geen collectieven gevormd worden en de kleine burgerij moest niet door het nemen van radicale maatregelen voor het hoofd worden gestoten.

Deze door Stalin voorgestelde politiek van matiging verwekte onder de Spaanse arbeiders grote verwondering. Men wees er op, dat Stalin in Rusland al datgene en nog meer doorvoerde wat hij de Spanjaarden ontried. De Russische dictator had geen begrip van de verhoudingen in Spanje. Zijn brief bewees zijn volledige onbekendheid met de geschiedenis van het Spaanse volk en van de psychologie van de Spaanse arbeiders. Indien Largo Caballero de raadgevingen van Stalin had opgevolgd, zou hij de grote massa van arbeiders en boeren tegenover zich hebben gekregen.

De brief van Stalin werd in de Spaanse pers afgedrukt en diende als richtsnoer voor de communistische partij. Aangenomen moet worden, dat hij door de Spaanse communisten was geïnspireerd. De communistische partij had nooit in het Spaanse proletariaat wortel kunnen schieten. De behoefte van het Spaanse volk aan radicale oplossingen werd door de anarchisten en syndicalisten volledig bevredigd. De communisten konden het Spaanse volk niets nieuws brengen. De communistische zucht om te heersen was het Spaanse volk zeer onsympathiek. De syndicalistische c.n.t. had reeds in 1931 besloten de communisten uit haar gelederen te weren. Daarmee was hun de mogelijkheid ontnomen in de revolutionaire vakorganisaties te kruipen. Bij de socialistische vakorganisaties van de u.g.t. hadden de communisten meer succes. In Madrid was het hun gelukt in verschillende socialistische vakorganisaties leidende functies te “veroveren”. In Catalonië daarentegen en vooral in Barcelona was de arbeidersbeweging voor hen afgesloten. Daarom wendden zij zich tot de middenstand. De communisten deden concessies en beloften aan de kleine burgerij. In deze geest is ook de brief van Stalin aan Caballero geschreven. Hij was bedoeld om de communisten als uitgangspunt voor de verovering van de middenstand te dienen.

In overeenstemming met de richtlijnen van Stalin beloofde de communistische partij de grootgrondbezitters in de Levant hun grondbezit tegen het ingrijpen van de anarchistische collectieven te zullen beschermen. Catalaanse pachters gingen van de linkse Catalaanse partij over naar de communistische, die hun door haar contacten met het machtige Rusland meer kon bieden. Politiek ongeïnteresseerde kleine ondernemers, zakenlui e.d. geloofden, dat de toekomst aan het communisme zou zijn. Zij werden daarom lid van de communistische partij. Een speciale aantrekkingskracht oefende de communistische partij uit op ambtenaren en officieren. Zij gaf hun de mogelijkheid carrière te maken, indien zij lid werden van de partij.

De Russische militaire adviseurs en deskundigen kregen een toenemende invloed. Zij zaten in het leger, op de vloot, bij het luchtwapen, in de munitiefabrieken, in de buitenlandse handel en, niet te vergeten, in de geheime politie. Een groot deel van het gehele raderwerk van de staat was aan hun controle onderworpen. Lange tijd achtereen stond de Russische consul Owtsjenko aan het hoofd van de Russische boodschappers1. Over de invloed van de communisten in geheel Spanje heerste slechts één mening. Overste Pérez Salvas schrijft in zijn boek Oorlog in Spanje:

“De communistische leiders, vooral ‘La Pasionariá’, deden zich voor als de trouwste verdedigers van de republiek en van de grondwet. Zij verklaarden, dat het er hun slechts om ging, de bestaande republikeinse grondwet weer van kracht te doen zijn. Om dit doel te bereiken was het, zoals zij zeiden, noodzakelijk een slagvaardige en gedisciplineerde strijdmacht te scheppen.

Zij verstonden de kunst deze parolen zo handig naar voren te brengen, dat velen er ingevlogen zijn. Talrijke officieren lieten zich vangen en velen werden geestdriftig lid van de communistische partij.”

Onder de hogere officieren, die zich hij de communistische partij aansloten, bevonden zich de generaals Miaja en Rojo. Miaja was gemoedelijk en ongevaarlijk. Rojo daarentegen was de man, die in het ministerie van Oorlog de touwtjes in handen hield. Hij had de titel van onderstaatssecretaris. Gedurende de gehele oorlog was hij de chef van de republikeinse generale staf. Hij had zich echter met huid en haar aan de communisten overgeleverd.

Hij stelde bijna uitsluitend bevelhebbers aan, die hem door de communistische partij werden voorgesteld. Hij ondertekende alleen wat hem door de partij werd voorgelegd. Door Rojo beheerste de communistische partij de gehele strijdmacht.

De geschillen tussen Largo Caballero en de communisten werden publiek. Het bericht over het verijdelen van het offensief in Estremadura door de Russen verwekte in het kamp van de antifascistische organisaties grote verontwaardiging. De communisten zagen zich genoodzaakt iets te doen om te voorkomen, dat de ontevredenheid van het volk over hen zou toenemen. Voor dit doel organiseerden zij als afleidingsmanoeuvre het offensief in Brunete.

Voor dit offensief werden modern uitgeruste eenheden met grote voorraden wapens ingezet. De leiding van de actie was in handen van communisten. Lister, Modesto en Campesino moesten tot helden worden gepromoveerd. Ondanks de grote troepenmacht was het succes maar middelmatig. Om enige vierkante kilometers strategisch onbelangrijk gebied te veroveren werden tienduizenden soldaten nutteloos opgeofferd. Franco had het zelfs niet nodig gevonden zijn reserves te laten aanrukken om het offensief tot staan te brengen. Niettemin werden in de communistische pers van Spanje en van de gehele wereld de communistische aanvoerders als helden geprezen.

Hetzelfde deed zich voor met het communistische offensief in Aragon om Zaragossa te veroveren. De communistische leiders pochten, dat zij over twee dagen in Zaragossa hun koffie zouden drinken. Maar de actie was een groot echec. Zaragossa werd niet veroverd. In plaats dat de onbekwame officieren werden afgezet en de strijdkrachten werden gereorganiseerd, bleef alles bij het oude. De mislukte acties werden als overwinningen gevierd en de onbekwame communistische leiders zelfs bevorderd.

De hardnekkige Largo Caballero had de Russen zijn tanden laten zien. Van toen af was het eerste doel van de communistische politiek hem te doen vallen. Om dit doel te bereiken maakten zij op machiavellistische wijze gebruik van de zakelijke en persoonlijke tegenstellingen in de socia-listische partij.

In deze partij waren drie richtingen. Er was een rechtervleugel onder leiding van prof. Besteiro. Ook de socialistische minister van Oorlog, Indalecio Prieto, stond aan de rechterzijde, ofschoon hij met de communisten en Russen samenwerkte. Een speciale groep vormden Juan Negrin en Alvarez del Vayo. Tot de linkervleugel behoorde Largo Caballero, evenals Luis Araquistain, de vroegere Spaanse consul in Berlijn. Besteiro bemoeide zich gedurende de burgeroorlog niet met de politiek en leefde in afzondering in Madrid. In de socialistische vakorganisaties van de u.g.t. waren twee richtingen, die van de communisten en die van Largo Caballero.

De intriges van de communisten tegen de minister-president hadden slechts langzaam succes. Caballero was in Spanje populair geworden en het was niet gemakkelijk hem terzijde te schuiven. De burgerlijke partijen hadden door de juligebeurtenissen hun invloed verloren. De arbeidersorganisaties zagen in Largo Caballero, de vroegere stukadoor, een van de hunnen. Een onverwachte gebeurtenis kwam de communisten te hulp: het meiconflict in Barcelona en Catalonië. Dit conflict veroorzaakte een regeringscrisis. Largo Caballero werd ten val gebracht.

In Catalonië waren na de 19de juli de machtsverhoudingen langzamerhand gewijzigd. De anarchisten, die zich na de 19de juli door hun directe strijd alle belangrijke hefbomen van de macht in handen zagen vallen, hadden in de daarop volgende maanden de ene machtspositie na de andere verloren. Dit politieke proces heeft een zekere innerlijke logica. De c.n.t. en de f.a.i. hadden na hun julioverwinning alle andere partijen en organisaties in Catalonië dictatoriaal kunnen onderdrukken. Daar zij tegenstanders van dictatuur waren, zagen zij er vrijwillig van af alleen de macht uit te oefenen. Zij waren voorstanders van democratische samenwerking. Alle antifascistische richtingen namen aan de regering deel. Door deze politiek verloren de anarchisten veel van hun macht en van hun invloed.

Op 20 juli 1936 was op initiatief en onder leiding van de anarchisten het antifascistische militiecomité voor Catalonië gevormd. Dit comité oefende een volledige controle uit op het economische en politieke leven van Catalonië. De toestand stemde overeen met die in 1917 in Petrograd tijdens de Kerenski-periode. Daar vormden de arbeiders- en soldatenraden een soort nevenregering. Er was echter dit verschil, dat de Kerenski-regering tegenover de arbeiders- en soldatenraden stond, terwijl in Catalonië de regering met het antifascistische militiecomité samenwerkte.

In de loop van de daarop volgende maanden bleek echter, dat het bestaan van twee regeringen naast elkander onpraktisch is. De anarchisten en syndicalisten besloten, tot de Catalaanse regering toe te treden. De antifascistische militiecomités werden ontbonden.

Deze verandering voltrok zich op 28 september 1936. De syndicalisten namen het ministerie van Verdediging en dat van Economische Zaken over, waarmee zij ook de verantwoordelijkheid voor de levensmiddelenvoorziening op zich namen.

Gedurende de winter van 1936 op 1937 werd de levensmiddelenpositie ten gevolge van de oorlog slechter. De syndicalistische minister van Economische Zaken voerde rantsoenering in en stelde tegelijkertijd marktprijzen voor de levensmiddelen vast. De controle werd uitgeoefend door de vakorganisaties. De tussenhandel kon slechts via het ministerie van Economische Zaken worden bevoorraad. De inkoop- en verkoopprijzen werden wettelijk vastgesteld. De prijzen konden niet willekeurig worden verhoogd en er werden slechts matige winsten gemaakt. Er was geen speculatie en er werden geen oorlogswinsten gemaakt.

De kooplui vonden deze economische politiek lastig en zij probeerden zich ervan te bevrijden. Tot dit doel organiseerden zij zich in de door de communisten beheerste vakorganisaties van de u.g.t.. Er ontstond een samenwerking tussen de communisten en het kleinburgerdom. De communisten vielen de politiek van de syndicalistische minister van Economische Zaken in de regering en in de pers heftig aan.

De omvorming van de militie tot het volksleger leidde tot een versterking van de communistische invloed. Generaal Rojo gaf de meeste posities aan militairen, die bereid waren lid van de communistische partij te worden. Dit betekende geenszins, dat de militaire bevelhebbers plotseling communist werden, maar wel dat zij zich zouden houden aan de aanwijzingen van de communistische partij, die haar opdrachten van de Russische adviseurs kreeg. Deze politiek had ook haar gevolgen voor de strijdkrachten van Catalonië. De anarcho-syndicalistische bevelhebbers werden vervangen door bevelhebbers, die horig waren aan de communisten.

Het ministerie van Justitie in Catalonië was in handen van de kleine, maar actieve marxistische eenheidspartij, de p.o.u.m. Deze partij werd door de stalinisten heftig bestreden. Het was voor de stalinisten ook gemakkelijker tegen de kleine p.o.u.m. op te treden dan tegen de invloedrijke en talrijke anarcho-syndicalisten. De communisten stelden zich ten doel de vertegenwoordiger van de p.o.u.m. uit de Catalaanse regering te zetten. In de eerste plaats wilden zij de minister van Justitie Andreas Nin ter zijde stellen om het ministerie van Justitie in eigen hand te nemen. Einde 1936 voelden de communisten zich sterk genoeg een regeringscrisis in Catalonië uit te lokken. Hun kuiperijen hadden succes. Op 16 december 1936 werd Andreas Nin gedwongen af te treden. In zijn plaats werd een communist tot minister van Justitie benoemd.

Bij deze regeringscrisis heeft ook de Russische consul Owtsjenko een rol gespeeld. Op de dag na de val van Nin, op 17 december, schreef de Pravda, het orgaan van de sovjetregering in Moskou:

“Het zuiveringsproces tegen de trotskisten en anarcho-syndicalisten is in Spanje begonnen. Het zal met dezelfde energie worden doorgevoerd als in de Sovjet-Unie.”

Het einde van de regeringscrisis in Catalonië was, dat op voorstel van de syndicalisten een regering uit de c.n.t., de u.g.t. en de linkse Catalaanse partij werd gevormd. Het ministerie van Economische Zaken kwam in handen van de communist Comorera. Deze schafte de controle van de vakorganisaties op de levensmiddelenvoorziening af en trok de maximum prijzen voor de levensmiddelen in. De tussenhandel was hiermee tevredengesteld. Onder de arbeidende bevolking van Barcelona ontstond echter grote ontevredenheid.

Door deze eerste politieke successen begonnen de communisten zich te voelen. Hun naaste doel was de vernietiging van de collectieven. De communistische partij was de vergaarbak van reactionaire lagen van de kleine burgerij en de middenstand geworden. Zij aanvaardde daarmee een soortgelijke rol als de nazi-partij in Duitsland. Onder bescherming van de communisten organiseerden de kleine burgers en pachters in het begin van januari 1937 een gewapende aanval op het syndicalistische collectief in het Catalaanse dorp Faterella. Soortgelijke aanvallen zijn ook in andere delen van Spanje voorgekomen. Solidaridad Obrera, het hoofdorgaan van de Catalaanse syndicalisten, maakte melding van een communistische aanval op een landbouwerscollectief in het dorp Mora de Toledo in het centrum van Spanje. Bij een door communistische hitsers geleide overval werden 70 leden van de syndicalistische organisatie - mannen en vrouwen - gedood. De contrarevolutie was op weg. Aan het hoofd stond de communistische partij. De anarcho-syndicalisten, tegen wie de communistische acties in de eerste plaats waren gericht, wilden met het oog op antifascistische burgeroorlog een gewapende broederstrijd in het antifascistische kamp vermijden. Deze, van verantwoordelijkheid getuigende, toegeeflijke houding werd door de communisten als zwakte uitgelegd. De volgende aanval van de communisten was gericht tegen de onverminderde invloed, die de anarcho-syndicalisten sedert de juligebeurtenissen in de politie van Barcelona hadden uitgeoefend.

De communisten wilden de syndicalisten uit de belangrijkste sleutelposities en van de belangrijkste commandoposten bij de politie verdringen om er hun eigen mensen voor in de plaats te stellen. De toestand

kreeg een scherper karakter. Een botsing tussen de communisten en anarchisten scheen onvermijdelijk te worden. Companys, de president van Catalonië, die enkele maanden geleden de macht aan de anarchisten had aangeboden, koos nu de zijde van de communisten. Een communistische oplichtertruc legde de bedoelingen van de communisten voor ieder bloot.

Op 5 maart 1937 verschenen in het wapenarsenaal van Barcelona verschillende onbekende personen met een door de syndicalist Vallejas, de leider van de wapenfabricatie, getekende machtiging om hun tien pantserwagens mee te geven. Dit gebeurde, maar onmiddellijk daarna rees er in het arsenaal twijfel, of de zaak wel in orde was. Men belde Vallejas op, die niets van de machtiging afwist. zodat zij vals was. De oplichters waren er met de tanks vandoor, maar men zette hen na en kon waarnemen, dat ze aan de communistische Worosjilow-kazerne werden afgeleverd. Door tussenkomst van het ministerie van Oorlog moesten ze teruggegeven worden. De communistische partij verklaarde in de oplichterij niet de hand te hebben gehad, maar vastgesteld kon worden, dat ze op haar initiatief had plaatsgehad.

Deze misdadige streek had politieke gevolgen. Companys vaardigde een decreet uit, waarbij het lidmaatschap van politieke partijen en vakorganisaties werd verboden voor allen die tot het leger behoorden. Dit was voor de anarcho-syndicalisten, van wie honderdduizenden als milicianos deel van het volksleger uitmaakten, onaanvaardbaar. Zij verklaarden dat de president zijn bevoegdheden te buiten was gegaan en dat zij het decreet niet erkenden. Het gevolg was een nieuwe regeringscrisis op 27 maart 1937. Het vormen van een nieuwe regering leverde grote moeilijkheden op. Companys probeerde de dictator uit te hangen en stelde op eigen houtje een regering samen. Dit was een slag in het gezicht van de syndicalisten. Zij wilden echter het antifascistische eenheidsfront niet verbreken en legden zich er bij neer.

Nieuwe gebeurtenissen in de volgende week verscherpten de toestand nog meer. Op 25 april 1937 werd in de omgeving van Barcelona op de communist Roldan Cortada een aanslag gepleegd. Zijn partijgenoten beschuldigden de anarchisten, dat deze aanslag van hen was uitgegaan. De daders werden niet gevat. Het was klaarblijkelijk geen politieke moord. Niettemin trad de nieuwe commissaris van politie van Barcelona, Rodriguez Salas, tegen talrijke bekende anarchisten en syndicalisten op. Daarmee wilde hij de indruk wekken, alsof de aanslag op Cortada door anarchisten was gepleegd. Het optreden van de commissaris van politie verwekte onder de anarchisten grote verbittering.

Hierna had een aanslag plaats op de anarchistische burgemeester van de Catalaanse grensstad Puigcerda, Antonio Martin, en drie van zijn geestverwanten. Martin was het hoofd van de grensbewaking. Hij was in de streek geboren en kende alle plaatsen in de Pyreneeën, waar men de grens kon overschrijden. Talrijke communistische agenten, die in het belang van hun partij allerlei smokkelaffaires hadden uitgevoerd had hij dit verder weten te beletten. Daardoor hadden hij en zijn medewerkers zich de haat van de communisten op de hals gehaald. Zolang Antonio Martin de grens bewaakte was het zeer moeilijk van de kust tot aan Andorra de Pyreneeën te passeren. Martin was om zijn eerlijke karakter en om de door hem ten gunste van de bevolking getroffen maatregelen zeer populair. De op hem gepleegde moord verwekte grote verontwaardiging.

Al deze gebeurtenissen leidden tot een geweldige politieke spanning tussen de anarcho-syndicalistische c.n.t. en de door de communisten beheerste u.g.t. in Catalonië. De voorgenomen gemeenschappelijke demonstratie op 1 mei 1937 werd afgelast. De in de communistische partij opgenomen reactionaire elementen werden door hun succes aangemoedigd. Zij geloofden de anarchisten voor goed uit het openbare leven te kunnen uitschakelen. De syndicalisten waren echter niet bereid zich door de reactie terzijde te laten zetten. Zij namen de strijd op tegen de door de communisten geleide reactionaire krachten.

 

10

 

De meigebeurtenissen in Catalonië en hun gevolgen

 

In zijn waardevolle brochure De contrarevolutie in Spanje wijst Botert Louzon op de overeenkomst in het verloop van de revolutie van 1848 in Parijs en de gebeurtenissen van mei 1937 in Barcelona. Hij vergelijkt de 19de juli 1936 in Barcelona met de 25ste februari 1848 in Parijs. In beide gevallen was het volk meester van de toestand. Het leger was overwonnen en de revolutionaire bevolking hield de wapens in handen. De bourgeoisie was verslagen. De overwonnen burgerij probeerde zich echter opnieuw van de staatsmacht meester te maken. Om dit te bereiken organiseerde het een sterke politiemacht, om die op een geëigend moment in te zetten, teneinde haar voorrechten te heroveren.

Na de 19de juli was in Catalonië de staatspolitie ontbonden. Uit de arbeidersklasse werd onder de naam “controlepatrouilles” een nieuwe politiemacht ter bescherming van de nieuwe orde geschapen. De controlepatrouilles vervingen de vroegere plaatselijke politie.

De oude veiligheidspolitie bleef echter gehandhaafd. Er waren velerlei soorten politie. In de Guardia de Asalto, de “stormgarde” en in de door Negrin in het leven geroepen carabineros namen de communisten grotendeels de leidende posities in. De Catalaanse veiligheidsgarde (Mozos de Escuadra) stond onder de Links-Catalaanse partij. De uit de vakorganisaties gerekruteerde controlepatrouilles waren de politie van de syndicalisten en anarchisten, die de ordedienst in Barcelona onder zich had. De communisten zagen er een belemmering in voor hun streven naar de macht. Daarom zochten zij een voorwendsel om de controlepatrouilles op te heffen. Spoedig werd hun daartoe de gelegenheid geboden.

Ten gevolge van de oorlog was het brood in Barcelona schaars en voor de bakkerswinkels moest men in de rij staan. De controlepatrouilles hadden in overeenstemming met de gemeentelijke overheid broodkaarten uitgegeven. Toen de staatspolitie daarnaast nog andere broodkaarten uitgaf, ontstond verwarring. De leiding van de controlepatrouilles verklaarde, dat op de nieuwe broodbonnen geen brood mocht worden afgegeven, daar de gehele bevolking in het bezit van de oude broodbonnen was. Wie over de beide soorten bonnen beschikte zou twee maal brood krijgen, hetgeen onrechtvaardig was.

In februari 1937 verscheen op een goede dag in een bakkerswinkel van Barcelona een door een stormgardist vergezelde vrouw, die brood verlangde tegen een broodbon van de staatspolitie. Er ontstond een botsing tussen de controlepatrouille die bij de winkel de wacht had en leden van de staatspolitie. Er werd geschoten, waarbij een stormgardist om het leven kwam. Dit incident werd aangegrepen om een hetze te voeren tegen de leider van de controlepatrouilles, Aurelia Fernández. Om aan de zakelijke geschillen geen persoonlijk karakter te geven, legde Fernández zijn ambt neer. Zijn terugtrekken werd door de communisten als een nieuwe overwinning gevierd.

Een nieuw incident deed zich in april voor. De links-democratische minister van Binnenlandse Zaken van Catalonië Ayguadé, bereidde een decreet voor, waarbij het de controlepatrouilles zou worden verboden dienst te doen in de straten van Barcelona. De syndicalistische organisaties kregen van de inhoud van het decreet kennis vóór het was gepubliceerd en besloten de communisten voor te zijn. In drie nachten achtereen bezetten zij de strategische punten van Barcelona en ontwapenden zij 250 communistische leden van de storm- en van de civiele garde” De arbeiders verklaarden, dat zij het waren geweest, die Barcelona van de fascisten hadden bevrijd en dat zij zich door de communistische reactie niet opzij zouden laten dringen.

De minister van Binnenlandse Zaken had een nederlaag geleden. Hij liet zich echter niet afschrikken, maar bereidde zich voor op een nieuw optreden tegen de anarchisten. De telefoonmaatschappij was op 19 juli 1936 door de arbeiders in handen genomen en gecollectiviseerd, Overeenkomstig het collectiviseringsdecreet van 24 oktober 1936 was de leiding in handen van een bedrijfscomité gelegd, waarvan een vertegenwoordiger van de Catalaanse regering deel uitmaakte als commissaris. Het bedrijfscomité bestond uit leden van de c.n.t. en van de door de communisten beheerste u.g.t. Daar de meerderheid van het personeel uit syndicalisten bestond hadden deze laatsten ook de meerderheid in het bedrijfscomité. De technische leiding bestond uit ingenieurs en arbeiders. De telefoondienst had tot dusverre uitstekend gefunctioneerd en het net was uitgebreid. Er was niet de geringste reden tot klachten.

Onder druk van de communisten verklaarde de Catalaanse minister van Binnenlandse Zaken plotseling, dat de regering het gecollectiviseerde telefoonbedrijf niet langer kon dulden en dat dit onder controle van de staat moest worden gesteld. Zonder de zaak aan de regering voor te leggen verklaarde hij, dat de telefoondienst onder zijn departement viel.

Op 3 mei 1937 begaven zich drie grote met manschappen gevulde politieauto’s naar de telefooncentrale op de Plaza de Cataluña. De leiding was in handen van de communistische directeur van de veiligheidsdienst. Onder de kreet “handen omhoog” probeerden de manschappen het gebouw te bezetten. Zij kwamen echter niet verder dan de eerste verdieping. De bewakingsdienst van het gebouw beschikte over een machinegeweer, waarmee verder binnendringen van de politie werd verhinderd.

Het bericht van de overval ging als een lopend vuurtje door de stad. Het was een nieuwe provocatie van de communisten, die onder de arbeiders grote verontwaardiging opriep. De nieuwe staatsbureaucratie bleek er op uit te zijn, de collectieven van de arbeiders ten gunste van de staat te onteigenen. De provocaties van de communisten en van de kleine burgerij hadden hun hoogtepunt bereikt. De arbeidersklasse van Barcelona was besloten er eindelijk stelling tegen te nemen.

Enkele uren na de overval op de telefooncentrale stonden de anarcho-syndicalistische arbeiders gewapend gereed. Onmiddellijk tekenden zich twee fronten af. Aan de ene kant stonden de Catalaanse staatspolitie (Mozos de Escuadra), een gedeelte van de civiele en van de stormgarde, de partij van de Catalaanse separatisten (Etat Catalé) en de communistische partij. Aan de andere kant de syndicalistische organisaties van de c.n.t. en van de anarchistische f.a.i. De marxistische eenheidspartij (de p.o.u.m.) streed zelfstandig aan de zijde van de syndicalisten.

De syndicalistische commissaris van politie ging gemeenschappelijk met de leider van de controlepatrouilles naar het telefoongebouw om door overleg te bereiken, dat de staatspolitie het gebouw zou verlaten. Hun optreden had geen resultaat. De Catalaanse president Companys maakte bekend, dat hij en de regering van het optreden van de minister van Binnenlandse Zaken Ayguadé niet op de hoogte waren geweest. Hij scheen echter de overval op het telefoongebouw goed te keuren. Daardoor werd de spanning nog groter.

Barcelona bood intussen de aanblik van een oorlogstoneel. Op de Plaza de Cataluña kwam het tot bloedige botsingen. In geheel Barcelona werden barricades opgericht. In het centrum van de stad hadden zich de communisten met hun burgerlijke bondgenoten verschanst. Tweetiende van de bevolking stond aan hun zijde. In alle andere wijken van de stad hadden de anarcho-syndicalisten het overwicht. De stations waren door syndicalistische arbeiders bezet. De kustbatterijen en de artillerie op de vesting Montjuich, die de stad beheerste, waren eveneens in handen van de anarchisten. De syndicalistische vakorganisaties beschikten over tienduizenden strijders en de in de afgelopen negen maanden opgerichte wapenfabrieken waren eveneens in handen van de syndicalisten. In de arsenalen stonden de kanonnen en tanks onder controle van de anarcho-syndicalisten. Het zou voor de vrijheidslievende beweging een kleinigheid zijn geweest, het centrum van de stad te veroveren, de communisten uit te schakelen en de regeringsgebouwen te bezetten. De strijdwil van 19 juli 1936 was ongebroken.

In enkele uren hadden de anarcho-syndicalisten aan het communistische spook een einde kunnen maken. Maar zij aarzelden tot de aanval over te gaan. De opstand van de arbeiders tegen de communistische provocaties was spontaan uitgebroken. De vrijheidslievende jeugd wilde tot het uiterste gaan, maar de verenigde comités van de c.n.t. en de f.a.i. waren daar tegen. Zij wilden scheuring in het antifascistische front vermijden en hoopten het conflict door onderhandelingen te kunnen bijleggen. Voor dit doel was contact opgenomen met de regering in Valencia.

Gedurende de onderhandelingen richtten de c.n.t. en de f.a.i. zich ieder uur via de radio tot de bevolking, de partijen en de gewapende groepen om hen tot kalmte en bezonnenheid aan te manen. Het was merkwaardig uit de mond van anarchisten en syndicalisten iets dergelijks te horen. De c.n.t. en de f.a.i. wensten een vreedzame beslechting van het conflict en geen broederstrijd. Zij riepen hun leden op zich te beperken tot verdediging tegen aanvallen, maar niet zelf tot de aanval over te gaan. Beide strijdende partijen werden opgeroepen de wapens neer te leggen.

De onderhandelingen werden gerekt. De communisten verwachtten hulp uit Valencia van hun militaire bevelhebbers. Drie dagen lang bleef de toestand onbeslist. De syndicalistische arbeiders stonden op de barricaden, het geweer aan de voet, zonder tot de aanval over te gaan. Zij toonden een voorbeeldige discipline en volgden de aanwijzingen van hun comités.

Men was overeengekomen gedurende de onderhandelingen geen vijandelijkheden te plegen. De anarchisten en syndicalisten hielden zich hieraan. Niet echter de communisten. Binnen hun barricaden bevond zich het gebouw van de syndicalistische organisatie van typografen - waarin juist een schilderijententoonstelling werd gehouden - evenals het gebouw van de syndicalistische organisatie van het bioscoop- en theaterbedrijf. Beide gebouwen werden door de communisten bezet en een gedeelte van de schilderijen werd vernietigd. De syndicalisten hadden in de ochtend van de 4de mei enige duizenden storm- en civiele gardisten in de buitenwijken, die een arbeidersvijandelijke houding aannamen, ontwapend. De p.o.u.m., waarvan de zetel in het centrum van de stad lag, had eveneens barricades opgeworpen om zich tegen de stalinistische communisten te kunnen verdedigen.

Gedurende de onderhandelingen werden door de communisten talrijke daden van geweld gepleegd. Buitengewoon ergerlijk was de moord op prof. Berneri, de Italiaanse antifascist en anarchist, die in Barcelona het antifascistische blad Guerra di Classe (klassenstrijd) uitgaf. Hij had zich de haat van de communisten op de hals gehaald, omdat hij er in zijn tijdschrift op wees, dat de communistische dictatuur evenzeer een vijand van de vrijheid en daarom niet minder gevaarlijk is dan de fascistische. “Thans vechten wij tegen Burgos” - zo schreef hij - “morgen echter zullen wij tegen Moskou moeten strijden om onze vrijheid te verdedigen!” De Russische consul Owtsjenko had namens zijn regering in Moskou een protest tegen de artikelen van Berneri bij het regionale comité van de c.n.t. ingediend. De communistische pers had reeds veel eerder haar fanatieke aanhangers tegen Berneri opgehitst. Berneri woonde in het door de communisten bezette centrum van Barcelona. Hij was met literair werk bezig, toen hij door gewapende communisten werd gehaald. Des nachts vond het Rode Kruis zijn lijk met de lijken van twee van zijn Italiaanse vrienden die met hem waren gearresteerd, op straat liggen. De lijkschouwing wees uit, dat zij alle drie in de rug waren doodgeschoten.

De communisten zagen het geduld en de grootmoedigheid van de syndicalisten voor zwakte aan. De onderhandelingen werden gevoerd in het gebouw van de Catalaanse regering, dat door de communisten gebarricadeerd was. De Catalaanse president Companys was de spreekbuis van de Catalaanse veiligheidspolitie, waarvan zeer velen communist waren. Hij zei tot de anarcho-syndicalistische onderhandelaars, dat zijn garde hen als gijzelaars zou behandelen en doodschieten, wanneer het leven van de door hun geestverwanten gevangen genomen Catalaanse politiemannen werd bedreigd. De onderhandelaars antwoordden, dat hun kameraden bij de batterijen op Montjuich hun kanonnen op het paleis van de regering hadden gericht en zich er alle tien minuten van overtuigden of hun verantwoordelijke kameraden nog in leven waren. Wanneer zij de stemmen van hun kameraden niet meer zouden horen, zouden zij het regeringsgebouw, onder vuur nemen. Het ene dreigement werd met het andere beantwoord. Het dreigement met de kanonnen van Montjuich betekende een ernstig gevaar. Ten slotte verklaarde de president zich bereid de eisen van de anarchisten in te willigen en de minister van Binnenlandse Zaken en de communistische directeur van de veiligheidsdienst, die voor de gebeurtenissen verantwoordelijk waren, af te zetten. Er werd een nieuwe uit drie man bestaande regering gevormd. Zij bestond uit één vertegenwoordiger van de anarcho-syndicalistische c.n.t., één van de door de communisten beheerste u.g.t. en één van Links-Catalaanse Partij. Het conflict werd als opgelost beschouwd. Het normale leven keerde langzaam in Barcelona terug.

De gebeurtenissen in de stad hadden aan het front grote ongerustheid veroorzaakt. Het bleek, dat de commandant van de Karl-Marx-colonne, José de Barrio, met zijn gehele staf en een deel van zijn manschappen reeds vóór het uitbreken van de onlusten het front had verlaten en naar Barcelona was gegaan, om bij de door de communistische partij voorbereide putsch behulpzaam te kunnen zijn. De anarcho-syndicalistische colonnes, die in Aragon een front van 300 km van de Pyreneeën tot Teruel bezet hielden, hadden uit verantwoordelijkheidsgevoel geen man van het front teruggetrokken. Zij hadden ook geen gebruik gemaakt van de door henzelf voor het front vervaardigde talrijke pantserwagens, waarvan zich enkele in het verenigingsgebouw van de c.n.t. aan de Via Durruti (Layetana) bevonden.

Deze terughoudendheid van de anarchisten en syndicalisten viel zelfs de burgerlijke pers in Frankrijk op, die van de machtsverhoudingen in Catalonië zeer goed op de hoogte was. De Fransen verklaarden deze terughoudendheid met de onder de anarcho-syndicalisten van Catalonië heersende vrees, dat zij, indien zij de macht geheel zelf in handen zouden nemen, niet alleen door de burgerlijke democratieën van het westen, maar ook door de Sovjet-Unie zouden worden geboycot en daardoor de strijd tegen het fascisme zouden verliezen. Een anarcho-syndicalistisch Catalonië zou de strijd op drie fronten hebben moeten voeren: tegen Franco, tegen het republikeinse, in hoge mate door de communisten en de Russische adviseurs beheerste Spanje en tegen de boycot van het westen.

 

Deze Franse opvatting was niet geheel uit de lucht gegrepen. Gedurende de meigebeurtenissen heb ik aan alle zittingen van de syndicalistische en anarchistische verantwoordelijke instanties deelgenomen. Verschillende kameraden hebben daar gewezen op de internationale verwikkelingen, welke eruit zouden kunnen voortvloeien, indien de anarcho-syndicalisten het conflict met de wapenen zouden oplossen. Deze nuchtere beoordeling van de toestand is niet zonder invloed geweest op de genomen besluiten.

De Spaanse regering in Valencia heeft op de gebeurtenissen in Barcelona en Catalonië prompt gereageerd. De anarcho-syndicalistische ministers begaven zich van Valencia naar Barcelona om het conflict bij te leggen. De regering besloot de Catalaanse troepen hun betrekkelijke zelfstandigheid te ontnemen en aan het ministerie van Oorlog ondergeschikt te maken. Door deze maatregel werden niet alleen de anarcho-syndicalisten, maar werd ook de Catalaanse onafhankelijkheid gevoelig getroffen. De Spaanse regering stuurde 5000 man van de Guardia de Asalto - de “stormgarde”- naar Barcelona. Nadat het conflict was bijgelegd trokken deze troepen de stad binnen. Toen zij het verenigingsgebouw van de c.n.t. passeerden, groette een deel van de manschappen de zwartrode vlag met geestdrift, terwijl een ander deel zich afzijdig hield. Uit dit verschillend optreden bleek de gemengde politieke samenstelling van de troepen.

Enige dagen na de meigebeurtenissen trad de regering in Valencia af. De communisten hadden een regeringscrisis uitgelokt en kregen hiermee eindelijk een welkome gelegenheid om Largo Caballero ten val te brengen. Juan Negrin was nu hun man. De nieuwe minister-president was weliswaar bij de socialistische partij aangesloten, maar hij was de communisten goed gezind. De koers van de nieuwe regering stond volledig onder communistische invloed. Minister van Buitenlandse Zaken werd Alvarez del Vayo, die met Negrin door dik en dun ging. Tot minister van Oorlog werd Indalecio Prieto benoemd, die toentertijd met de communisten en hun Russische adviseurs op de beste voet stond. Eerst veel later ontstonden onoverbrugbare tegenstellingen en vijandschap tussen Prieto en de communisten.

De strijd in Barcelona werd bijgelegd onder de voorwaarde, dat er overwinnaars noch overwonnenen zouden zijn. Gedurende de eerste weken na het conflict waren er nog geen grote politieke veranderingen te bespeuren. Maar steeds meer draaiden de nieuwe ministers de schroef aan. De controlepatrouilles waren uit de straten van Barcelona verdwenen. De orde werd gehandhaafd door zogenaamde neutrale manschappen, die echter, zoals spoedig zou blijken, in dienst van de reactie stonden. De grenscontrole aan de Pyreneeën, die tot de meigebeurtenissen door de anarcho-syndicalisten was uitgeoefend, ging in de handen van de regering te Valencia over. De vrijheidslievende elementen werden een voor een uit de verantwoordelijke posten van het leger en het staatsbestuur verwijderd en door ledenpoppen van de communisten vervangen. De c.n.t. en de f.a.i. kregen in de nieuwe regering het ministerie van Onderwijs en dat van Gezondheid. Voor beide ministeries tezamen werd slechts één minister aangewezen, namelijk Segundo Blanco uit Asturië.

De nieuwe regering was tegen de collectivisering. De collectieven op het land werd het leven moeilijk gemaakt. De collectieven in de industrie, vooral in Barcelona, waren zo stevig gegrondvest, dat er een volledige en zuivere fascistische contrarevolutie nodig zou zijn geweest om ze te vernietigen. Zolang de strijd tegen het fascisme werd gevoerd, was het niet mogelijk de economische veroveringen van het syndicalisme ongedaan te maken. De gecollectiviseerde bedrijven functioneerden zo uitstekend, dat hun vernietiging ernstige gevolgen voor het economisch leven zou hebben meegebracht. De oorlogsindustrie was door de arbeiders op collectivistische grondslag geheel nieuw opgebouwd. Daar de regering voor de meeste fabrieken het kapitaal had verstrekt, verlangde zij het aanstellen van een regeringscommissaris. Deze werd in overeenstemming met de vakorganisaties benoemd. Maar de arbeiders zelf hadden de leiding in de bedrijven.

Ook na de meigebeurtenissen bleef het economisch leven van Barcelona in handen van de arbeiders. Louzon geeft in zijn reeds genoemde brochure van het leven in Barcelona de volgende beschrijving.

“Je gaat naar Barcelona en huurt een kamer in een gecollectiviseerd hotel. Je gaat in een restaurant en je kunt er zeker van zijn, dat er van de tien restaurants negen zijn gecollectiviseerd. Je gaat in een café; het is gecollectiviseerd. Je koopt een krant, de dagbladen zijn in handen van de vakorganisatie van de typografen, waarbij de redacteuren, de zetters en de drukkers zijn aangesloten. Wil je je haar laten knippen, dan kom je noodzakelijkerwijze in een gesocialiseerd kappersbedrijf terecht, daar al deze bedrijven zijn gecollectiviseerd en wanneer de collectivisering de gehele bedrijfstak omvat, spreekt men van socialisatie. Wil je je een kostuum laten aanmeten, dan wordt je de maat genomen in een gecollectiviseerd kleermakersbedrijf. Je gaat een warenhuis binnen, ook dat is gecollectiviseerd. Op de warenhuizen staat “c.n.t.-u.g.t.”, omdat een deel van het personeel bij de socialistische vakorganisatie is aangesloten. Neem je een taxi, dan is het een wagen van het syndicalistische collectief. De autobussen, de tram en de ondergrondse zijn alle door de syndicalisten gecollectiviseerd. Ga je ’s avonds naar de bioscoop, naar het theater of naar een dancing, overal kom je in een gecollectiviseerd bedrijf van de c.n.t. terecht.”

“Wat voor het kleinbedrijf en de kleinhandel geldt, waarmee de consument dagelijks in aanraking komt, is vanzelfsprekend in nog grotere mate op de groothandel en op de industrie van toepassing. De textiel- en de metaalbedrijven zijn gecollectiviseerd of aan de controle van de arbeiders onderworpen. Het verschil tussen deze beide vormen is overigens niet groot. Niet alleen de industrie is gecollectiviseerd, met het land en de landbouwbedrijven is dit in nog veel sterkere mate het geval.”

Louzon geeft een getrouw beeld van Barcelona in het jaar 1937. De collectivisering was de kern van de economische revolutie, die zich na 19 juli 1936 heeft voltrokken. Zij was volledig het werk van de syndicalisten. De staat kon het niet wagen hieraan de hand te slaan en nam er voorlopig genoegen mee de politieke macht in handen te hebben, waarbij de aanwijzingen van Moskou zijn opgevolgd. De Echo de Paris, een burgerlijk blad, schreef op 17 mei 1937 naar aanleiding van de regeringscrisis in Valencia: “De opdracht van Moskou bestaat in het verwijderen van de anarchistische ministers - Garcia Oliver, Frederica Montseny en Juan López - uit de regering. Dat schijnt de voornaamste oorzaak van de crisis te zijn. Wanneer dit lukt, kan worden gezegd, dat Moskou heeft bereikt wat het wilde. Doch dan is er gewelddadig verzet van de c.n.t.-f.a.i. te verwachten.”

De anarcho-syndicalisten lieten zich uit de regering dringen zonder geweld te gebruiken. Zij wilden geen scheuring brengen in het antifascistische front. “Wij willen eerst de oorlog winnen” - zo redeneerden zij - “daarna zullen wij met de communisten afrekenen.” De vraag, of dit optimisme tegenover de communisten gerechtvaardigd was, is door de geschiedenis niet beantwoord. De overwinning van Franco stortte de republiek in de afgrond. En met de republiek werden al haar verdedigers, socialisten, communisten en anarcho-syndicalisten op dezelfde wijze getroffen.

De meigebeurtenissen, die vier dagen hebben geduurd, hebben 500 doden en 1500 gewonden gekost. Op 7 mei werd het weer rustig. De barricades werden opgeruimd. De bevolking van Barcelona was van een nachtmerrie verlost.

Voor het gebouw van de c.n.t. in Barcelona verschenen lange rijen vrachtauto’s en boerenkarren met levensmiddelen. Zij kwamen van de landarbeiderscollectieven uit de dorpen in de omtrek. De zorg van de landarbeiders voor hun kameraden in de stad was roerend. Zij wilden op hun manier de verdedigers van hun collectieven helpen.

De gebeurtenissen in Barcelona hadden hun terugslag in de provincie. Waar de anarcho-syndicalisten in de meerderheid waren, bleef alles rustig. In het noorden van Catalonië stonden 10.000 man van de kustbewaking onder de syndicalistische minister van Verdediging, Iglesias. Aan de kust was geen front. Het zou zeer gemakkelijk zijn geweest de grotendeels uit anarcho-syndicalisten bestaande troepen naar Barcelona te laten oprukken. Men zag daar echter van af. Uit het zuiden van Catalonië waren de anarcho-syndicalistische strijders grotendeels naar het front gegaan. Zij hadden geen rekening gehouden met de mogelijkheid, dat het noodzakelijk zou kunnen zijn, zich tegen een binnenlandse vijand te verdedigen. Deze toestand werd door de reactionaire krachten van de communisten uitgebuit om de collectieven te vernietigen.

Een buitengewoon gruwelijke daad werd op 4 mei door de communisten van de Karl-Marx-kazerne gepleegd. Twaalf leden van de vrijheidslievende jeugd - Juventudes Libertarias - begaven zich in een kleine vrachtauto van de voorstad Armonia del Palomar naar het centrum van de stad om het regionale comité van de c.n.t. te bezoeken. Toen zij voorbij de Karl-Marx-kazerne kwamen, werden zij door de wacht aangehouden en naar de binnenplaats van de kazerne gevoerd. Waar zij daarna zijn gebracht is niet bekend. Vier dagen later, op 8 mei, werden door een ziekenauto op de weg naar Ballaterra in de nabijheid van Sardanola-Hipollet twaalf ernstig verminkte lijken in een sloot geworpen. Het waren de lichamen van de verdwenen jonge anarchisten. Acht van hen waren niet meer te herkennen. Vier daarentegen werden geïdentificeerd. Het waren Cesar Fernandez, José Villena, Juan Antonio en Luis Carberas.

Volgens de gemaakte overeenkomst zouden alle gevangenen onmiddellijk worden vrijgelaten. De anarcho-syndicalisten hielden zich aan de afspraak. Honderden communistische gevangenen werden onmiddellijk na het einde van de strijd op vrije voeten gesteld. De communisten daarentegen hielden talrijke anarcho-syndicalisten gevangen en lieten hen pas na weken vrij. Vaak was het nodig met vergeldingsmaatregelen te dreigen om het vrijlaten van gevangenen te bereiken.

In de dorpen Montesquiu, Lafarga en Bisaura hadden de syndicalisten niet aan de noodzakelijkheid van verdediging gedacht. Zij waren ook niet bewapend. De communisten maakten er gebruik van om het syndicalistische vakvereniginglokaal en het anarchistische culturele centrum binnen te dringen. Beide lokalen werden vernield. In Vich waren zestig collectieve boeren gedwongen te vluchten om niet als slachtoffer van de reactie te vallen.

In de provincie Tortosa was de reactie tegen de syndicalisten en de collectiviseringen buitengewoon sterk. De door de c.n.t. gecollectiviseerde industriële bedrijven vormden een ernstige concurrentie voor de particuliere ondernemers. De meigebeurtenissen boden de laatsten een welkome gelegenheid om zich van deze concurrentie te ontdoen. Op 7 mei rukten tweehonderd stormgardisten onder communistisch bevel het dorp La Cenia binnen en bezetten er het syndicalistische vakvereniginglokaal, evenals de zetel van de vrijheidslievende jeugd en van de anarchistische culturele bond. De plaatselijke afdeling van de communisten nam aan het vernietigingswerk deel. De aanvallers drongen met geweld de pakhuizen en het bureau van de gecollectiviseerde onderneming binnen, die door de particuliere handelaren zeer werd gehaat. Zij namen in bezit wat hun van waarde scheen en vernietigden wat zij niet konden meenemen.

Het collectief in La Cenia was een voorbeeldige onderneming; zij genoot in de gehele omgeving groot aanzien. Zij bestond uit vierhonderd vrijwillig aangesloten leden, die hun vee en landbouwwerktuigen ter beschikking van het collectief hadden gesteld. Het loonstelsel hadden zij vervangen door een rechtvaardige verdeling van de opbrengst van hun arbeid. Zij hadden een gemeenschappelijke paardenstal, een grote kapsalon en een koffiehuis, dat als clubhuis werd gebruikt. Deze inrichting vertegenwoordigde met de voorraden aan levensmiddelen een waarde van 45.000 peseta’s. Alles werd geroofd of vernietigd. Alleen het depot met olijfolie met een voorraad ter waarde van 140.000 peseta’s kon worden gered.

In Villadalan werden de anarcho-syndicalistische leden van de gemeenteraad afgezet en door communisten vervangen. Het vakverenigingslokaal van de syndicalisten werd gesloten en het collectief van de arbeiders ontbonden.

In Amposta, het centrum van de Catalaanse rijstproductie, ontwapende de onder communistisch bevel staande stormgardisten onder medewerking van de plaatselijke communistische jeugdgroep de anarcho-syndicalisten. De plaatselijke vakorganisaties stuurden een delegatie naar Barcelona om te verlangen, dat de stormgardisten het dorp zouden verlaten. Gedurende het gehele jaar had het dorp grote hoeveelheden rijst gratis ter beschikking van de republikeinse troepen aan het front gesteld. De delegatie vertrouwde daarom, dat aan haar wensen gevolg zou worden gegeven. Op weg naar de hoofdstad werd zij door onder communistisch bevel staande stormgardisten bij Tortosa aangehouden en gearresteerd. Veertien dagen later zat zij nog gevangen. Eerst op herhaald aandringen van de beide vakcentrales werd zij in vrijheid gesteld. In Tarragona werd door onder communistisch commando staande stormgardisten de telefooncentrale bezet om intercommunaal telefoneren voor de syndicalisten onmogelijk te maken. De leider van de centrale Casanova, wist bij de militaire commandant het terugtrekken van de troepen te bewerkstelligen. Overeengekomen werd, dat alleen voor de ingang een wacht zou worden geplaatst. De communistische bevelhebber weigerde het bevel om af te trekken op te volgen. Hij verklaarde van zijn communistische meerderen in Barcelona het bevel te hebben gekregen om de centrale te bewaken.

Kort daarop werd het lokaal van de vrijheidslievende jeugd door communisten en Catalaanse nationalisten aangevallen. De aanvallers bedienden zich van geweren en handgranaten, maar zij werden teruggeslagen. De anarcho-syndicalisten ter plaatse stelden een bijeenkomst voor van alle antifascistische partijen en organisaties, waar iedere groep haar standpunt zou kunnen uiteenzetten om vast te stellen, waarover de strijd eigenlijk ging. De communisten waren tegen dit voorstel en moesten door de niet-communistische militaire commandant worden gedwongen het voorstel te aanvaarden. De commandant van het vliegveld verklaarde, dat hij van de centrale regering de opdracht had ontvangen, de anarcho-syndicalisten met geweld te ontwapenen, indien zij niet bereid bleken vrijwillig hun wapenen in te leveren. De syndicalisten wilden hun wapens slechts inleveren onder voorwaarde, dat de gearresteerde kameraden zouden worden vrijgelaten, dat de communistische stormgardisten de stad zouden verlaten en leven en vrijheid van alle antifascisten zouden worden gerespecteerd. De communisten verklaarden zich bereid deze voorwaarden te aanvaarden en de anarcho-syndicalisten leverden hun wapens in.

Een paar uur later bezetten niettemin de stormgardisten het gebouw van het militaire bestuur. Dit was een schending van de getroffen overeenkomst. In de buitenwijken van de stad werden bekende anarcho-syndicalisten door gewapende troepen neergeschoten. Op deze wijze werden o.a. vermoord Mario Berruti, Baltasar Vallejo, Mateo Freixas en Julian Martinez.

De anarcho-syndicalisten van Tarragona hadden na de 19de juli een verbruikscoöperatie gesticht, die bij de arbeidende bevolking grote instemming vond.

De winkel van de coöperatie werd door de kleine handelaren ter plaatse als concurrent gehaat. Toen bekend werd, dat de syndicalisten hun wapenen hadden ingeleverd, drongen verscheidene middenstanders onder aanvoering van de winkelier Gisbert de coöperatieve winkel binnen en dwongen, met de wapens in de hand, het personeel het lokaal te verlaten. De winkel werd geplunderd, een groot deel van de voorraden werd geroofd of vernietigd. Communistische stormgardisten drongen het vakverenigingslokaal van de syndicalisten binnen en

sloegen er de boel kort en klein. Dat de syndicalisten in goed vertrouwen hun wapens hadden afgegeven, kwam hun duur te staan.

Ook in Valencia werd de verzoenende houding van de anarcho-syndicalisten door de communisten voor zwakte aangezien. Largo Caballero kwam ten val als slachtoffer van de communistische intriges. Zijn regering werd afgezet en vervangen door die van Negrin. Negrin behoorde evenals Largo Caballero, tot de socialistische partij, maar hij stond dichter bij de communisten dan bij zijn partijgenoten. Hij handelde geheel overeenkomstig de wensen van de Russische adviseurs en van de Spaanse communisten. De politieke macht was in handen gekomen van een gewetenloze kliek. De krachten van het republikeinse Spanje werden op de meest onverantwoordelijke wijze verspild. De levensbelangen van het Spaanse volk werden achtergesteld bij die van partijpolitiek en zelfs bij persoonlijke belangen.

De gevolgen van de nieuwe politiek deden zich spoedig op noodlottige wijze gevoelen. De c.n.t. vestigde er in een verklaring de aandacht op, dat de communistische partij, die een zeer kleine minderheid van het antifascistische kamp uitmaakte, met behulp van buitenlandse agenten de regeringscrisis had uitgelokt. In de Catalaanse regering had de communistische partij van den beginne af aan de anarcho-syndicalisten op de meest perfide wijze bedrogen.

Negrin stelde zich aan het Spaanse volk voor als leider van de nieuwe “Gobierno de la Victoria”, de regering van de overwinning. Zij zou echter spoedig blijken een regering van nederlagen te zijn. De ene nederlaag volgde op de andere. De grootste slag was de val van Bilbao en Gijón. Daarmee ging het gebied van de ijzer- en staalindustrie voor de republiek verloren. Juventud Libre, het orgaan van de anarchistische jeugd, klaagde de politiek van Negrin in scherpe bewoordingen aan. Het schreef: “De val van Bilbao betekent een volledig tekortschieten van de regering”. In alle steden en dorpen van het republikeinse Spanje weerklonk de kreet: “Weg met de regering Negrin! Weg met de communistische partij, die de schuld is van alle militaire nederlagen. Wij hebben een regering nodig, die alle antifascistische krachten van het land vertegenwoordigt. Alleen zij zal de oorlog ten gunste kunnen doen keren.”

De door Negrin ten gunste van de communisten doorgevoerde dictatoriale maatregelen ondergroeven de strijdgeest van de antifascistische bevolking. De anarcho-syndicalistische leidende comités voorzagen de nederlaag en spanden zich in om hoe dan ook tot een andere politiek te komen. Op 10 augustus 1937 richtte het landelijk comité van de c.n.t. een brief aan Negrin, waarin de communistische geweldsdaden, de dictatoriale maatregelen van de regering en de onder communistische en Russische invloed gevoerde strategie aan de kaak werden gesteld. In deze brief staat o.a.:

“Alle militaire ondernemingen van de tegenwoordige regering zijn met een nederlaag geëindigd. Aan het front is geen enkele stelling veroverd. Duizenden en nog eens duizenden antifascistische strijders zijn nutteloos opgeofferd. Enorme hoeveelheden oorlogsmateriaal zijn in handen van de vijand gevallen. De oorzaak van deze nederlagen en tegenslagen is de onbekwaamheid van de opperste legerleiding. Het door de regering Negrin bevolen offensief in de richting van Segovia heeft 3000 gesneuvelden gekost op de 10.000 man die er zijn ingezet! Er werden niet de geringste strategische resultaten geboekt. De operaties aan het oostfront zijn op onverantwoordelijke wijze doorgevoerd en waren daardoor bij voorbaat tot mislukking gedoemd. Het offensief bij Brunete heeft uit zuiver politieke overwegingen plaatsgehad met als enig doel de communistische leiders op de voorgrond te plaatsen. Het is een catastrofe geworden, die met een verlies van 23.000 gesneuvelden is geëindigd. Talrijke brigades hebben tot 70% van hun manschappen verloren! De operatie bij Teruel is op onverantwoordelijke wijze ingezet. De militaire deskundigen van de anarcho-syndicalistische confederatie hadden deze operatie ontraden. Toen Negrin aan de regering kwam, beschikte de republiek over een leger van 550.000 man, die militair goed waren opgeleid. Het beschikbare oorlogsmateriaal zou het mogelijk hebben gemaakt, op strategisch belangrijke punten militaire successen te behalen. De rampzalige invloed van de Russische adviseurs, die het offensief in Estremadura hebben gesaboteerd door vliegtuigen te weigeren, gaat voort. Alle militaire operaties zijn zonder samenwerking met het luchtwapen ingezet. Toch zijn er voldoende vliegtuigen beschikbaar! De militaire bevelhebbers zijn volkomen ongedisciplineerd. De talrijke communisten die zich onder hen bevinden kennen meer belang toe aan de parolen van hun partij dan aan de eisen van de militaire noodzakelijkheid. Het meest overtuigende voorbeeld daarvan is de reeds genoemde operatie bij Brunete, die niet heeft plaatsgehad om het fascisme te verslaan, maar enkel en alleen in het belang van de communistische partij, tot schade van de gemeenschappelijke zaak van het antifascisme.

Wanneer niet onmiddellijk grondig wijziging wordt gebracht in de gehele leiding van de oorlogsvoering, is de ineenstorting onvermijdelijk.”

Deze brief ontving Negrin achttien maanden vóór het tragische einde van de burgeroorlog. Hij is van historische betekenis. De anarcho-syndicalisten voorzagen de nederlaag en bezwoeren Negrin als hoofd van de regering maatregelen te treffen om de catastrofe te voorkomen. Negrin heeft de brief niet beantwoord. Hij had zich aan zijn communistische adviseurs overgeleverd en voerde de republiek ten verderve. De hoop, die in juli 1936 door de heldhaftige strijd van het Spaanse volk in het internationale proletariaat was gewekt, werd door machtsbegerige partijgangers in dienst van de Sovjet-Unie op smadelijke wijze de bodem ingeslagen. De Spaanse communisten waren niets anders dan handlangers van Stalins politiek. Zij stelden de imperialistische doeleinden van de sovjetpolitiek boven de belangen van het Spaanse volk. De antifascistische frases van de communisten waren verachtelijke huichelarij. De machtspositie van hun partij was voor hen belangrijker dan al het andere. Bij het zegevieren van de antifascisten hadden zij slechts in zoverre belang, dat zij hoopten daaraan de overwinning van hun partij over alle andere richtingen te kunnen verbinden.

De rechtse socialist Indalecio Prieto maakte als minister van Oorlog deel uit van het kabinet Wegren. Aanvankelijk trad hij op overeenkomstig de wensen van de Russische adviseurs en hun Spaanse handlangers. Een jaar lang heeft hij aan de misdadige politiek van de communisten meegewerkt en deze gedekt. Eerst veel later is hij van zijn onwaardige rol bewust geworden. Toen hij tenslotte aftrad, was het reeds te laat om de situatie nog te redden. Overigens is hij door de communisten uit het ministerie van Oorlog weggewerkt. Over de redenen voor zijn aftreden heeft hij op 9 augustus 1938 verslag uitgebracht op een bestuursvergadering van de Spaanse socialistische partij. Later heeft hij dit verslag als brochure uitgegeven. Prieto beschuldigt zijn partijgenoot Juan Negrin, enorme bedragen aan de Franse communistische partij te hebben afgestaan zonder over het besteden van deze gelden rekening en verantwoording te verlangen. De Franse communistische partij gebruikte het geld van de Spaanse republiek voor partijpropaganda. Het communistische dagblad Le Soir is met Spaans geld opgericht en uitgegeven.

Door Negrin werden allerlei zaken aan de Franse communistische partij opgedragen, die daarbij steeds op haar eigen propaganda was bedacht. Onder de naam “France Navigation” richtte zij een scheepvaartmaatschappij op. Deze maatschappij bezat twaalf handelsschepen, die met Spaans geld waren gekocht. Eigenaar van de schepen was de Spaanse republiek. De communistische directeuren van de “France Navigation” hebben later geweigerd de schepen terug te geven. Toen de republikeinse troepen Catalonië moesten ontruimen, is het overschot van de goudvoorraad van de Spaanse Bank aan de Franse communistische partij overgedragen. Ook daarover is nooit rekening en verantwoording afgelegd.

De frases over de internationale solidariteit waren voor de onwetende proletariërs bestemd. De wapenleveranties van de Sovjet-Unie aan het republikeinse Spanje zijn tot de laatste cent met Spaans goud betaald. De Sovjet-Unie heeft van de Spaanse burgeroorlog voor zichzelf een goed zaakje gemaakt. De vele duizenden Russische agenten in Spanje ontvingen hoge traktementen van de Spaanse republiek. Bovendien had Negrin toen hij in de regering van Largo Caballero nog minister van Financiën was, het grootste deel van de Spaanse goudvoorraad naar de Sovjet-Unie verscheept. Op 25 oktober 1936 reeds werd het goud in de haven van Cartagena ingescheept. Niet minder dan 500 ton goud in de vorm van munten en staven werd in 7800 kisten naar Odessa vervoerd1.

Negrin had aan Largo Caballero als minister-president slechts meegedeeld, dat hij de goudvoorraad voor de oprukkende fascisten in veiligheid zou brengen. De overige ministers werden er buiten gehouden. Zelfs Prieto, de minister van Oorlog, kreeg er slechts bij toeval kennis van. Vier vertrouwensmannen van de Bank van Spanje hebben het transport vergezeld, maar hadden geen idee van de koers van het schip. Zij dachten, dat het schip naar een Franse Middellandse Zeehaven zou gaan. Tot hun verbazing kwam het schip na geruime tijd in Odessa aan. Op 6 november arriveerde het goud in Moskou. De overdracht van het goud en het tellen van de muntstukken werd door de Russen maandenlang gerekt. Aan de Spaanse bankbeambten werd niet toegestaan naar Spanje terug te keren. De gehele zaak werd streng geheim gehouden. Men was bevreesd voor de ergernis, die de overdracht van het Spaanse goud aan de Sovjet-Unie overal moest wekken. Toen hun Spaanse familieleden zich over de bankbeambten ongerust begonnen te maken, heeft Negrin ook hen naar Rusland gestuurd zonder dat zij van tevoren van het doel hunner reis op de hoogte waren gesteld.

1 Een medewerker van de Nieuwe Rotterdamse Courant in Madrid heeft in het nummer van dit blad van 2 november 1955 medegedeeld, dat Moskou over 400 miljoen dollar goud uit Spanje beschikt, dat tijdens de burgeroorlog naar Odessa is verscheept. Dit was viervijfde van het Spaanse bezit aan goud in 1938, terwijl de Spaanse goudvoorraad op het ogenblik slechts 116 miljoen dollar bedraagt.

De Spaanse beambten wilden niet in Rusland blijven. Maar noch zij, noch hun familieleden kregen verlof de Sovjet-Unie te verlaten. Al hun pogingen bij de Spaanse zaakgelastigde in Moskou, Sr. Marcelino Pascua, om daartoe verlof te krijgen, waren tevergeefs. Eerst twee jaar na het einde van de burgeroorlog is het de nieuwe Spaanse zaakgelastigde, Sr. Manuel Martines Pedroso, gelukt hun vertrek te bewerkstelligen. Zij werden echter niet naar Spanje teruggebracht maar over de gehele wereld verspreid. Een hunner is naar Stockholm gebracht, een ander naar Washington, de derde naar Buenos Aires en de vierde naar Mexico. De hoge Russische ambtenaren die met de zaak te doen hebben gehad, zijn geheel verdwenen. De minister van Financiën, Grinko, is gefusilleerd. De directeur van de Gosbank Margulitz, de bankdirecteur Kogan, een directeur van het Kredietinstituut, Ivanowsky genaamd, en de bankdirecteur Martinson werden uit hun ambt gezet en gearresteerd. Zij allen waren getuige geweest van de Russische goudroof, waaraan Negrin had meegewerkt. Korte tijd later bevatte het geïllustreerde tijdschrift De USSR in opbouw een speciaal nummer over de stijging van de goudvoorraad van de Sovjet-Unie. Deze stijging werd in het tijdschrift toegeschreven aan de verhoogde productie van de goudmijnen in Oost-Siberië; de werkelijke oorzaak was het Spaanse goud.

Een belangrijke getuige in de aangelegenheid van het goud is in de internationale communistische pers gedurende de burgeroorlog gevierde generaal “El Campesino”, die na de burgeroorlog naar de Sovjet-Unie is vertrokken. Hij viel in ongenade en bracht vele jaren in Russische concentratiekampen door. Naar het buitenland gevlucht, publiceerde hij een boek onder de titel Leven en dood in de Sovjet-Unie. Daarin deelt hij mee, een van de vertrouwenslieden van Negrin te zijn geweest, die het goudtransport van Madrid naar Albacete hebben bewaakt. Zijn mededelingen komen in elk opzicht overeen met de lezing van Prieto. De zaak is op het ogenblik volkomen duidelijk.

Prieto vermeldt enige voorbeelden van de wijze, waarop de Spaanse en Russische communisten op de niet-communistische ministers druk uitoefenden:

1. Op een goede dag kwamen de beide communistische ministers Uribé en Hernandez bij hem en verklaarden gaarne bereid te zijn hem, de minister van Oorlog, dagelijks mededelingen te doen van de opvattingen en de voorstellen van het politieke bureau van hun partij over het voeren van de oorlog. Prieto antwoordde, er niet aan te denken particuliere adviezen van de communistische partij te accepteren. De communistische ministers konden, evenals alle andere ministers hun voorstellen aan de ministerraad voorleggen. Dit afwijzende antwoord leidde tot een verwijdering tussen Prieto en de communisten.

2. In augustus 1937 werd op voorstel van de Russische adviseurs van de minister van Oorlog een organisatie voor de contraspionage in het leven geroepen, de Servicio de Investigación Militar (s.i.m.). Prieto plaatste een socialistische vertrouwensman aan het hoofd van deze organisatie. Na korte tijd stond de s.i.m. volledig onder communistische invloed. De communistische partij maakte van de s.i.m. een instrument tot het vervolgen van politieke tegenstanders.

3. De Russische adviseur eiste, dat aan het hoofd van de s.i.m. in Midden-Spanje, waar viervijfde van de gehele republikeinse weermacht was gelegen, de communist Durán zou worden geplaatst. De minister van Oorlog deed dit. Durán benoemde tot ambtenaren en agenten, met uitzondering van vijf socialisten, uitsluitend communisten. Anarcho-syndicalisten, die de helft van de weermacht uitmaakten, werden door Durán in de s.i.m. niet aangesteld. Ook de andere richtingen waren niet vertegenwoordigd. In Barcelona was de s.i.m. op dezelfde wijze samengesteld als in Madrid. Wegens deze partijdigheid werd Durán door Prieto afgezet. De volgende dag wendde de Russische raadgever zich tot Prieto om de terugroeping van Durán te eisen.

4. In de haven van Gijon bevond zich het republikeinse oorlogsschip Ciscar. De luchtaanvallen op de haven stelden het schip aan het gevaar bloot in de grond te worden geboord. Prieto gaf de kapitein telegrafisch bevel het schip naar Casablanca over te brengen. De Russische militaire adviseur gaf eigenmachtig en zonder er de minister van Oorlog van in kennis te stellen het tegenbevel om in de haven van Gijon te blijven! De kapitein wist niet wat hij moest doen en verzocht de minister van Oorlog telegrafisch om een definitieve en ondubbelzinnige opdracht. Het telegram van de kapitein werd door de Russische adviseur vijf dagen achtergehouden! Intussen werd de Ciscar door de fascisten in de grond geboord.

5. Onder druk van de Russische adviseurs werden aan het hoofd van de republikeinse luchtmacht de communisten Hidalgo de Cisneros en Nunez Maza geplaatst. Het gehele leger wist, dat de beide communisten voor deze taak volkomen ongeschikt waren en hun benoeming slechts aan hun lidmaatschap van de communistische partij hadden te danken. Het tekortschieten van het republikeinse luchtwapen gedurende de burgeroorlog is voor het grootste deel aan hun onbekwaamheid en slaafse ondergeschiktheid aan de Russische adviseurs toe te schrijven. Op een gegeven ogenblik was het nodig de troepenconcentratie van de fascisten in Zaragossa, Pamplona, Vitoria en andere plaatsen aan het front te bombarderen. De minister van Oorlog gaf daartoe opdracht. Maar deze opdracht werd niet uitgevoerd. De vliegers bombardeerden daarentegen Valladolid en Oud-Castilië. Door de minister van Oorlog ter verantwoording geroepen, verklaarden zij, van de Russische adviseurs een tegenbevel te hebben ontvangen! De Russen hadden geen besef van de feitelijke verhoudingen in Spanje. Het bombardement van Valladolid had de burgerlijke bevolking getroffen. Het gevolg was een gevoelig verlies aan sympathie voor de republikeinen onder de burgerbevolking in Franco-Spanje.

6. Op een ander tijdstip kregen de vliegers opdracht Córdoba, waar belangrijke wapenfabrieken waren gevestigd, te bombarderen. De vliegers wierpen de bommen niet op de fabrieken, maar in het vrije veld. Toen zij daarover werden verhoord, verklaarden zij, dat de Russische vliegers, die hen hadden vergezeld, hen tot deze zinloze daad hadden gedwongen ...!

7. De Russische adviseurs stelden de minister van Oorlog voor, twee van hun beschermelingen tot commissaris op twee onderzeeërs te benoemen. De minister van Oorlog had over beide personen ongunstige inlichtingen ontvangen en aarzelde aan de wens van de Russen te voldoen. Nog voor de zaak was opgelost, was een van de beide kandidaten naar Franco overgelopen.

8. Op een goede dag verzocht de Russische handelsvertegenwoordiger de minister van Oorlog een cheque van 1.400.000 dollar te ondertekenen. De Rus kon geen verklaring geven omtrent het doel, waarvoor dit bedrag was bestemd, zodat de minister de ondertekening weigerde. De Russische handelsvertegenwoordiger moest onverrichterzake vertrekken, maar heeft nooit een verklaring voor de cheque gegeven. Het bedrag zou bestemd zijn geweest voor Russische ambtenaren, die iedere maand een bijzondere toelage ontvingen.

Een bevoegd oordeel over de ongeschiktheid van de Russische militaire deskundigen in de Spaanse burgeroorlog werd door de Spaanse defensieleider Manzana uitgesproken. Hij verklaarde: ‘’Voor zover ik met de Russen te maken heb gehad, heb ik de indruk gekregen, dat zij even slechte adviseurs als militaire deskundigen zijn. Ons tegenwoordige front en het mislukken van alle door hen geïnspireerde offensieven bewijzen afdoende hun minderwaardigheid. De Russen zijn zwaar op de hand. Hun gebrek aan tegenwoordigheid van geest als zij voor onvoorziene problemen worden gesteld, springt in het oog. Wanneer een militaire operatie, die zijzelf hadden voorbereid en geleid niet gelukte, waren zij hulpeloos en lieten zij de maatregelen, die snel moesten worden getroffen om de situatie te veranderen, aan het toeval over. De vele oversten en generaals, die men ons uit Rusland heeft gestuurd staan op geen hoger militair niveau dan een doorsnee-kapitein van het Spaanse leger.”

 

11

 

De regering Negrin

 

Indalecio Prieto trof hetzelfde lot als Largo Caballero; ook hij werd door de intriges van de Russische en de Spaanse communisten ten val gebracht. Na de afzetting van Prieto nam Negrin het ministerie van Oorlog over. Zo had hij als minister-president alle draden van de oorlogsvoering in handen. Hij oefende een dictatuur over het antifascistische Spaanse volk uit. Naar buiten trad hij op als de sterke man.

Ingewijden wisten echter, dat hij volledig onder invloed van de Russische communisten stond. Hij heeft op het lot van de Spaanse Republiek, vooral in de laatste fase van de burgeroorlog, een beslissende invloed gehad.

Hoe was Negrin als mens? Diego A. de Santillàn, de vroegere minister van Economische Zaken in Catalonië, heeft in zijn in 1940 in Buenos Aires verschenen boek “Waardoor wij de oorlog hebben verloren” een rapport opgenomen van het Peninsulaire comité van de F. A. I., gericht aan de antifascistische partijen in Spanje. Dit rapport van september 1938 behelst ook enige korte mededelingen over de persoonlijkheid van Negrin.

Negrin stamt uit een reactionaire familie. Een van zijn broers is monnik, een van zijn zusters non. Negrin studeerde medicijnen en bracht als student enige tijd in Duitsland door. Zijn benoeming tot professor in de fysiologie moet voornamelijk te danken zijn geweest aan een zekere bibliografische kennis. Hij heeft geen enkel geschrift op het gebied van zijn vak en ook geen enkel op politiek terrein geschreven.

In de jaren vóór de monarchie was Negrin de slippendrager van Araquistain, de latere Spaanse ambassadeur in Berlijn. Toen deze zich in 1930 bij de socialistische partij aansloot, deed Negrin hetzelfde. Na het uitroepen van de republiek maakte de socialistische partij goede kansen bij de verkiezingen voor de Cortes. Negrin had op het goede paard gewed. De partij voelde zich gestreeld een professor onder haar leden te tellen. Negrin werd kandidaat gesteld voor de Cortes, de partij kreeg meer dan honderd zetels, en ook Negrin, die nog slechts kort lid van de partij was, werd gekozen.

In de Cortes was Negrin een volgeling van Prieto. Prieto was de schitterendste parlementariër van de socialisten. In september 1936 werd de leider van de socialisten, Largo Caballero, minister-president. Hij nodigde zijn partij uit, drie kandidaten voor een ministerzetel aan te wijzen. Onder hen bevond zich behalve Prieto ook Negrin.

Negrin is een man met goede omgangsvormen. Dit is een van de oorzaken van zijn carrière. In zijn persoonlijke leven is hij een Pantagruel. Over zijn losbandig leven gedurende de burgeroorlog werd in Barcelona openlijk gesproken. Voor hem was er geen rantsoenering van levensmiddelen. Op zijn tafel prijkten steeds de meest uitgezochte spijzen en de duurste wijnen. Zijn liefjes vormden een hoofdstuk op zichzelf.

Een merkwaardig voorval, dat op het karakter van Negrin een bijzonder licht werpt, wordt door Prieto geschilderd. Als minister van Oorlog gaf Prieto een afscheidsfeest voor de naar zijn land terugkerende hoogste Russische militaire deskundige. Vóór het banket wendde Negrin zich tot Prieto met het voorstel een buitgemaakt, onbeschadigd Messerschmittvliegtuig als afscheidsgeschenk aan de vertrekkende Rus aan te bieden. Prieto wees erop, dat het vliegtuig de republikeinen goede diensten zou kunnen bewijzen, zodat hij het niet verantwoord achtte, het weg te geven. “Ach wat!” antwoordde Negrin, nam Prieto bij de arm, ging met hem naar de Rus en zei tot deze: “Onze minister van Oorlog biedt u als afscheidsgeschenk de Messerschmitt aan, die u kunt meenemen.” Prieto bleef niets anders over dan zich goed te houden en het te aanvaarden.

Negrins “regering van de overwinning” is voor het antifascistische Spanje noodlottig geworden. Elf maanden na zijn benoeming verloor de Republiek de slag aan de Ebro. Op 14 april 1938 drongen de legers van Franco tot de Middellandse Zee door. Daardoor werd het republikeinse Spanje in twee helften gescheiden. De voornaamste oorzaak van deze catastrofe was de onbekwaamheid van Negrin en van de door de Russische adviseurs aangewezen legerleiding.

Er rees zeer grote ontevredenheid over de wijze van oorlogsvoering door Negrin, ook onder zijn eigen partijgenoten. De verdeeldheid van de socialistische partij, waarin drie richtingen bestonden, maakte het onmogelijk Negrin ten val te brengen. Op de partijconferentie is het Negrin telkens weer gelukt, de verschillende richtingen tegen elkander uit te spelen en daardoor aan de macht te blijven. Ook vreesden de socialisten, dat Rusland geen wapens meer zou sturen, wanneer Negrin werd afgezet en de communisten werden uitgeschakeld. De republikeinse dictator wist, dat zijn kracht was gelegen in de vrees voor het uitblijven van de Russische wapenzendingen. Hij verstond de kunst deze situatie uit te buiten en zijn dictatoriale volmachten uit te breiden.

Op 11 augustus 1938 vaardigde Negrin een verordening uit, waarmee een einde werd gemaakt aan de autonomie van Catalonië. Ook de rechten van de Basken werden beperkt. Eerder was een dergelijke verordening wegens haar reactionair karakter door de ministerraad afgewezen. Op initiatief van de Russische raadgevers verhief Negrin het ontwerp eigenmachtig tot wet zonder naar de mening van de overige ministers te vragen. Het gevolg was, dat de Catalaanse en de Baskische minister in het kabinet Negrin aftraden. Zij werden vervangen door twee onder communistische invloed staande ministers. Zij voegden zich in ieder opzicht naar de wil van Negrin.

Als argument voor het beperken van de rechten van de Catalanen en de Basken voerde Negrin aan, dat de oorlogsvoering het noodzakelijk maakte, het gehele economische leven van het land in één te hand te concentreren. Spoedig bleek echter, dat de verordening in feite een andere bedoeling had: het was er de communisten om begonnen de wapenindustrie van Catalonië in handen te krijgen. Deze industrie was uitsluitend het werk van syndicalistische arbeiders. Vóór de burgeroorlog bestond er in Catalonië geen oorlogsindustrie. De intelligente Catalaanse arbeiders hebben ze met energie en geestdrift als het ware uit de grond gestampt. Geheel Catalonië was trots op deze buitengewone prestatie van de syndicalistische arbeiders. Maar dat juist wekte de afgunst op van de communisten. Zij wilden het syndicalisme in diskrediet brengen en zetten alles op alles om de oorlogsindustrie onder hun controle te brengen. Dat was ook het doel van de verordening van Negrin. De syndicalistische directeuren werden door communistische vervangen, die door de Russische adviseurs waren aanbevolen.

De partijen van het volksfront slikten de bittere pil uit vrees de Russische kanonnen en vliegtuigen te moeten ontberen. De f.a.i. richtte een brief aan Negrin en aan de partijen van het volksfront, waarin o.a.het volgende werd gezegd.

“De verordening, waarbij de gehele oorlogsindustrie onder de centrale regering is gebracht, treft in het bijzonder de oorlogsindustrie van Catalonië. Deze is echter een onvergelijkelijke schepping van het Catalaanse volk. Aan deze schepping is het voor het grootste gedeelte te danken, dat de militie in staat is geweest weerstand te bieden. De verordening is een door niets te verdedigen onrecht tegenover de vrijheidslievende arbeiders, die deze industrie hebben opgebouwd. Bovendien dreigt het gevaar, dat de nieuwe leiding in handen van een centrale staatscommissaris tot hetzelfde fiasco zal leiden als zich bij de overige door de staat overgenomen industrieën heeft voorgedaan. De genationaliseerde industrieën hebben tot dusverre zeker geen goed voorbeeld van activiteit gegeven.

Op grond van deze ervaringen en steunende op de tradities van het Spaanse volk, ziet de f.a.i. in de verordening van 11 augustus een aanval op de rechten en de vrijheden van het Spaanse volk. Zij roept daarom de partijen en organisaties van het volksfront op, de verordening niet te erkennen.”

De oppositie tegen deze en andere dictatoriale verordeningen werd in alle partijen groter. Een uitzondering vormden slechts de communisten. Niemand waagde het echter openlijk tegen Negrin stelling te nemen, uit vrees dat men de Russen zou verbitteren.

Negrin voelde zich veilig. Zijn aanval was gelukt en nu meende hij zich alles te kunnen veroorloven. In deze opvatting werd hij door de Russische en de Spaanse communisten gesterkt. Wel werd de oppositie in zijn eigen partij steeds groter, maar de socialisten waagden het niet, openlijk de strijd tegen hem aan te binden.

In dezelfde brief aan de partijen van het volksfront schreven de anarchisten hetgeen volgt.

“Het volksfront heeft zich tot taak gesteld, de democratische instellingen krachtens de grondwet te verdedigen. Wij achten het noodzakelijk te wijzen op de schandelijke manier, waarop deze grondwettelijke, democratische instellingen worden miskend.

Kritiek, toezicht en controle op de regeringsorganen door de vertegenwoordigers van het volk is de voorwaarde voor iedere democratie. Het recht op kritiek is een van de grootste veroveringen van de negentiende eeuw op de aanmatigingen van het vroegere absolutisme. Spanje is hiervoor het beste voorbeeld. De beroemde grondwet van 1812, welke in die tijd de grootste politieke vooruitgang ter wereld betekende, kwam midden in de onafhankelijkheidsoorlog en om zo te zeggen onder het gedonder van het geschut van de oorlogsvloot tot stand. Gedurende de onrustige jaren van onze burgeroorlog in de vorige eeuw kwam niet alleen de Cortes bijeen, maar werden ook verkiezingen uitgeschreven. Ook de constituerende vergadering van 1837 is onder onrustige politieke omstandigheden bijeengekomen. Onze volksoorlog tegen Napoleon en onze burgeroorlogen in vorige eeuwen waren dus geen periodes van politieke achteruitgang, maar van democratische en liberale vooruitgang.

Het toezicht, de controle en de kritiek op de regering worden in alle democratische landen door het volk uitgeoefend door middel van pers, volksvertegenwoordiging, politieke en economische organisaties. Een democratische republiek kan zonder deze grondwettelijke instellingen niet bestaan. Zal een regering werkelijk de wil van het volk tot uitdrukking brengen, dan eist de democratie, dat haar maatregelen door het volk worden gecontroleerd. Het volk moet het recht hebben, maatregelen van de regering te erkennen of af te wijzen. Inperking van de volksvrijheden is in alle landen gebleken onvruchtbaar te zijn voor de vooruitgang.

Slechts zulke regeringen waren ermee gediend, die redenen hadden maatregelen voor de openbare mening te verbergen. Afstand doen van kritiek, controle en toezicht op de openbare aangelegenheden betekent: afstand doen van de democratie.

Geheimhouding van militaire operaties en van hun voorbereiding is in oorlogstijd gerechtvaardigd. Maar de kritiek op verloren veldslagen en nederlagen is in alle oorlogen een belangrijke factor geweest. De oorlog is, volgens een uitspraak van een Franse militaire deskundige, een veel te belangrijke zaak dan dat men hem uitsluitend aan de militairen zou kunnen overlaten. Na een verloren slag heeft men, om psychologische en praktische redenen, steeds de verantwoordelijke bevelhebbers afgezet en dikwijls de regering veranderd. Dat men slechts de gewone soldaten en niet de bevelhebbers ter verantwoording roept en straft, is een novum, dat door de regering Negrin is ingevoerd. Het heeft zich nog in geen enkel land en in geen enkele oorlog voorgedaan.

Onder de regering Negrin zijn de verantwoordelijke bevelhebbers volkomen onaantastbaar. Dit kan onmogelijk in het belang zijn van een gelukkige afloop van de oorlog. En het is ook ontoelaatbaar in de Spaanse Republiek, die tegen het fascisme strijdt, juist omdat zij zich verzet tegen het politieke totalitarisme en de democratie verdedigt, waarbij het volk zelf over alle openbare aangelegenheden heeft te beslissen.

Wat de financiën betreft, tast men volkomen in het duister. De aankoop van oorlogsmateriaal, waarbij het gevaar groot is dat speculanten en zwendelaars een plek veroveren, heeft zonder enige controle en zonder toezicht plaats. De hierbij belang hebbende antifascistische organisaties weten van deze dingen niets af. Het gevolg is, dat de wildste geruchten over de ergste zwendelarijen in het land de ronde doen. De dictatuur van de minister van Financiën is noch met de grondwet, noch met de democratie verenigbaar.

De begroting van de gewone en van de buitengewone uitgaven, evenals de periodieke afrekeningen van de Bank van Spanje, behoren aan alle antifascistische partijen en organisaties ter controle en goedkeuring te worden voorgelegd, indien de regering wil voorkomen, dat zij in de ogen van het volk geen vertrouwen verdient. In alle democratische landen heeft het volk het recht inzage te nemen van het financieel beheer van de staat. Zelfs in het keizerlijke Duitsland en in het tsaristische Rusland werden de oorlogskredieten ter goedkeuring aan het parlement of aan de partijen voorgelegd. In de Spaanse Republiek daarentegen weet men van niets!”

Op grond van deze democratische overwegingen eiste de f.a.i. herstel van het recht op kritiek, controle en toezicht op de maatregelen van de regering met betrekking tot de financiën, de binnen- en buitenlandse politiek en vooral: de oorlogsvoering. Zij stelde voor, dat de partijen en organisaties van het volksfront een gemeenschappelijke controlecommissie in het leven zouden roepen. Deze commissie zou het recht moeten hebben alle maatregelen van de regering te controleren en er zo nodig bezwaar tegen te maken.

De communistische partij wees deze democratische eis af. De linkervleugel van de socialisten was er voor. Negrin gebruikte al zijn invloed om de socialistische partij te bewegen de controlecommissie af te wijzen. De overige kleinere groepen waagden het niet het voorstel van de anarchisten tot democratisering van het land te ondersteunen. Negrin en de communisten hadden in de regeringscoalitie gezegevierd. De dictatuur ging verder. Het enige middel om aan het wanbeheer van Negrin een einde te maken zou zijn geweest het gebruiken van geweld. De anarchisten waren daartoe wellicht bij machte geweest. De vrijheidslievende jeugd heeft er zich bij verschillende gelegenheden voor uitgesproken. De syndicalistische vakorganisaties wilden echter de zware verantwoording voor een gewapende botsing in het antifascistische kamp gedurende de burgeroorlog niet op zich nemen. En zo kon Negrin ongehinderd het antifascistische Spanje de ondergang tegemoet voeren.

De nederlaag van de oostelijke strijdkrachten was een catastrofe voor de republiek. Voor een groot deel was generaal Rojo, de chef van de opperste legerleiding, hiervoor verantwoordelijk. De syndicalisten eisten, dat Rojo zou worden afgezet. Maar Rojo was communist en hij werd door zijn partij en door de Russische adviseurs gesteund. Dus bleef hij op zijn post en het noodlot schreed voort.

De slag aan de Ebro had grote verliezen aan mensenlevens en oorlogsmateriaal gekost. Generaal Rojo heeft na de val van de republiek een boek uitgegeven, waarin hij zich persoonlijk poogt te rechtvaardigen. Volgens dit boek hebben de republikeinen in de slag aan de Ebro 15.000 man aan doden, gevangenen en gewonden verloren. Negrin had reeds eerder een verliescijfer van 90.000 genoemd. De militaire deskundigen van de f.a.i. spraken van 70.000 man. Volgens de voorzichtige schattingen van overste Jesus Pérez Salas zou het 50.000 zijn. Het werkelijke cijfer ligt waarschijnlijk tussen 50.000 en 60.000.

Bij het begin van de slag aan het oostfront waren alle hoge commandoposten in handen van communisten. Ook de meerderheid van de politieke commissarissen in het leger was communist. Voorts waren er een groot aantal geheime leden van de communistische partij. Het volk stond wantrouwend tegenover de openlijke communisten en de geheime leden van hun partij dienden de partij als spionnen.

Overste Cordón, de onderstaatssecretaris van het veldleger, was eveneens communist. Beroepsofficieren werden slechts bevorderd, indien zij lid werden van de communistische partij. Daardoor had deze partij grote invloed in het leger verkregen. Nadat de militie in een volksleger was omgezet, werden bijna alleen nog communisten tot officier benoemd. Niet-communisten werden van leidende functies ontheven. Honderden socialistische en anarchistische officieren zijn met list en geweld, soms zelfs door moord, uitgeschakeld.

De soldaten werden door dit alles gedemoraliseerd. Zij wendden zich tot hun partijen en organisaties, die zich tot de minister van Oorlog, tot de minister-president en zelfs tot de president van de republiek hebben gericht. Maar alles bleef bij het oude. Ieder wist, dat de Spaanse communisten, zodra zij de steun van de Russen zouden missen, al hun invloed zouden verliezen.

Maar ieder vreesde, dat men de oorlog zonder de kanonnen en de vliegtuigen van de Sovjet-Unie niet zou kunnen winnen.

Het tiende legercorps, dat de rechtervleugel van het oostfront tot aan de Pyreneeën bezet had, stond onder bevel van de communist Gallo. Deze had alle commandoposten met partijgenoten bezet zonder op hun militaire bekwaamheden te letten. Officieren die geen lid van de communistische partij wilden worden, werden uit hun functie gezet. In de loop van het offensief van Franco werd het corps van Gallo van de overige troepen afgesneden. Het gehele corps werd vernietigd. De soldaten lieten hun wapens in de steek en vluchtten over de Pyreneeën naar Frankrijk. Al het oorlogsmateriaal viel in handen van Franco. Dit was het gevolg van de communistische politiek, die het partijbelang stelde boven de belangen van de strijd tegen het fascisme.

In de andere legercorpsen heerste dezelfde toestand. Na de nederlaag aan het oostfront richtte de f.a.i. een nota aan het comité van de volksfrontpartijen, waarin op de betreurenswaardige toestanden in het leger werd gewezen.

In het buitenland werden Lister, Modesto en “El Campesino” als helden en militaire genieën voorgesteld. In werkelijkheid hadden zij van militaire strategie geen flauwe notie.

Een van de bekendste hogere officieren, die door de communistische leiding werd uitgeschakeld, was generaal Asencio, die in Spanje als een uitstekend artillerieofficier bekend stond. Hij schaarde zich bij het uitbreken van de burgeroorlog zonder aarzelen aan de zijde van de republiek en heeft veel gedaan voor de organisatie van het republikeinse leger. Daar hij geen lid wilde worden van de communistische partij, werd hij ontslagen. Maanden lang liep hij werkeloos rond. Later werd hij als militair attaché naar Washington gestuurd. Ook generaal Sandio, het hoofd van de Catalaanse luchtmacht, had zich op de 19de juli aan de zijde van de republiek geschaard. Reeds tijdens de monarchie stond hij als republikeins officier bekend. Maar hij had geen sympathie voor de communistische partij en ofschoon hij zich herhaaldelijk beschikbaar heeft gesteld voor het republikeinse leger, was daarin voor hem geen plaats.

Officieren met een twijfelachtig verleden of die onvoldoende opleiding hadden genoten, werden daarentegen op verantwoordelijke posten geplaatst. Een hoge functie werd een piloot toevertrouwd, die in oktober 1934 de strijdende arbeiders in Pastorie met bommen had bestookt, waarvoor hij een ridderorde had gekregen. Carrasco, officier bij de luchtmacht, streed op 19 juli 1936 in Catalonië aan de zijde van Franco. Toen hij na twee dagen bemerkte, dat het mis ging, liep hij naar de republikeinen over. Hij werd lid van de communistische partij en tot adjudant van de onderstaatssecretaris van de republikeinse luchtmacht benoemd. Toen hij de kans kreeg, liep hij met zijn vliegtuig weer naar Franco over.

De onjuiste benoemingen hebben er veel toe bijgedragen, de geest in het republikeinse leger te demoraliseren. Zij begonnen onder Prieto, die aanvankelijk de communisten en de Russen begunstigde. Nadat hij met hen gebroken had, heeft hij de catastrofale politiek van de communisten onthuld.

Het vervolgen en zelfs het vermoorden van niet-communistische bevelhebbers was aan de orde van. de dag. Zelfs de socialistische minister van Binnenlandse Zaken, Zugazagoitia, een trouw aanhanger van Juan Negrin, ging het te ver. In een zitting van de ministerraad riep hij Negrin toe: Don Juan, wij moeten eindelijk eens openlijk zeggen, hoe de zaken staan. Aan het front vermoordt men onze eigen kameraden, omdat zij weigeren lid te worden van de communistische partij. En in de communistische bladen Rood Front en Voorhoede schrijft een communistische minister ophitsende artikelen onder een andere naam, waarin de m

inister van Oorlog, partijgenoot Indalecio Prieto, op de hatelijkste wijze wordt aangevallen.1

 

12

 

De val van Barcelona

 

In de decemberdagen van 1938 deed de f.a.i. een laatste poging de militaire toestand te redden. Vele duizenden onverschrokken anarchisten waren bereid naar de door Franco bezette delen van Spanje te gaan om er de verzetsbeweging te organiseren. Deze beweging moest echter zeer groot worden opgezet om kans van slagen te hebben. Daartoe ontbrak het de anarchisten aan de vereiste middelen. Alleen de regering was bij machte deze middelen te verschaffen. In een in december 1938 tot Negrin als minister-president gerichte brief schreef de f.a.i. o.a. het volgende.

“Na de verloren slag aan de Ebro, over de draagwijdte waarvan wij ons geen illusies behoeven te maken, alsook met het oog op de internationale toestand zijn wij van mening, dat een van de meest effectieve strijdmaatregelen tegen de fascisten een met alle middelen doorgevoerde en gecoördineerde actie in het achterland van Franco is, die het karakter moet dragen van de klassieke Spaanse guerrilla.

De anarchistische federatie heeft geen krachten gespaard in de strijd tegen het internationale fascisme. Deze oorlog tegen het fascisme in Spanje is trouwens voor één groot deel aan het optreden van de anarchisten te danken. Het is de f.a.i. geweest, die er het meeste toe heeft bijgedragen, de fascistische opstand neer te slaan. Het is ook bekend, dat het eerste georganiseerde verzet in geheel Spanje van de f.a.i. is uitgegaan, die zonder wapenen en zonder geldelijke middelen de strijd tegen de fascistische vijand heeft aangebonden.

Wij zijn uitvoerig op de hoogte van de toestand in de door Franco bezette delen van Spanje. Wij hebben er talrijke kameraden achtergelaten, die passief en actief verzet plegen. Wij overdrijven niet, wanneer wij beweren, dat de f.a.i. de enige organisatie is, die de mogelijkheid, de wil en de krachten bezit om achter het front, in het hart van het fascistische Spanje, een groot opgezette strijd te ontketenen, die vernietigend voor de vijandelijke krachten is en die van onberekenbare gevolgen kan zijn.”

In de brief werd op de uitstekend functionerende geheime organisatie in het gebied van Franco gewezen. De anarchisten bezaten in de ondergrondse strijd en in de guerrillaoorlog een ervaring van tientallen jaren. In dit opzicht kon geen enkele antifascistische organisatie zich met hen meten. Zij waren bereid deze ervaringen en hun strijdgroepen in te zetten en verlangden van de regering de hiertoe vereiste materiële middelen en wapenen.

De chef van de generale staf, generaal Rojo, was van deze dingen op de hoogte. Hij zag in het aanbod van de anarchisten een belangrijke factor om de oorlog van de republiek tegen Franco te ondersteunen. Hij wist ook, dat noch de Spaanse communisten noch enige andere partij over dergelijke strijdgroepen, ervaringen en verzetskernen beschikte. Hij adviseerde Negrin het voorstel van de f.a.i. te aanvaarden. Negrin echter liet zich adviseren door het centrale comité van de communistische partij. Dit echter was er tegen uit de overweging, dat het politieke prestige van de anarchisten erdoor zou stijgen. Zij vreesden, dat het aanzien van de anarchisten versterkt en dat van de communisten verzwakt zou worden. Negrin liet door zijn minister Zugazagoitia een afwijzend antwoord aan de f.a.i. sturen. Daarmee was de laatste mogelijkheid om de oorlog een nieuwe wending te geven, tenietgedaan.

Kerstmis 1938 was voor Barcelona geen feest. Dagelijks verwachtte men de algemene aanval van de fascisten op Catalonië en de opmars tegen de hoofdstad. In de laatste weken van december verbreidde zich in Barcelona het gerucht, dat Rojo vervangen zou worden door generaal Asencio. Dit zou ertoe hebben bijgedragen de stemming te verbeteren. Maar de Vanguardia, het orgaan van Negrin, lanceerde een artikel tegen Asencio. Dit was een duidelijk bewijs, dat Negrin niet bereid was, Rojo te laten vallen.

Intussen namen de luchtaanvallen toe. De havenwijk van Barcelona, de “Barrio Chino”, en Barceloneta hadden in het bijzonder te lijden onder de luchtaanvallen van de Duitse en Italiaanse eskaders. De Spaanse republikeinen waren proefkonijntjes voor de Duitse luchtmacht. Hitler had een prachtige gelegenheid zijn nieuwste wapens te testen, als voorbereiding tot de Tweede Wereldoorlog.

Barcelona was veranderd. Het Catalaanse spreekwoord “Barcelona es bona, si la bolsa sona; si sona o no sona, Barcelona es bona”1 was niet meer van toepassing op de parel van de Middellandse Zee. Het gebrek aan levensmiddelen deed zich steeds ernstiger gevoelen. Brood, vlees, aardappelen, erwten, olie en wijn waren sedert jaren op de bon en slechts in kleine hoeveelheden verkrijgbaar. De zwarte handel bloeide, maar de prijzen op de zwarte markt waren door de bevolking niet te betalen. Het aantal speculanten nam toe. Alleen de hogere regeringsambtenaren en de militaire bevelhebbers leden geen gebrek.

De geestdrift van zomer 1936 was uitgedoofd. De hoofdstad van Catalonië, sedert tientallen jaren de vesting van het syndicalisme, was het centrum van de regeringsbureaucratie uit Madrid geworden. De volksfrontregering was voor de massa’s van de anarcho-syndicalistische vakorganisaties een teleurstelling. De bureaucratische routine had het initiatief van onderop verdrongen. Het ideaal van de sociale bevrijding was door het centrale staatsapparaat, dat in twee en een half jaar burgeroorlog tot een nieuw onderdrukkingsinstituut was uitgegroeid, uitgeschakeld. In de plaats van de strijdgeest was onverschilligheid gekomen. Duizenden arbeiders, die in 1936 met de hoop op de overwinning van sociale gerechtigheid en vrijheid hadden gestreden, waren teleurgesteld, ontmoedigd en terneergeslagen.

In januari 1939 opende Franco het offensief tegen Barcelona. Op 15 januari rukten de fascistische troepen op naar Tarragona. Tussen 17 en 24 januari werd het republikeinse oostfront uiteengeslagen. Op 18 januari viel Reus. Spoedig daarop Vendrell en Villafranca, Calaf en Manresa. Tegelijkertijd rukten de fascisten in Noord-Catalonië op. De republikeinse legers werden tot Seo de Urgel teruggeslagen. Vele eenheden vielen uit elkander, verspreidden zich in de Pyreneeën en overschreden de grens, waar zij door de Franse grenswacht werden ontwapend. Het zou mogelijk zijn geweest, aan de kust bij de rotsen van Garraf, 30 kilometer ten zuiden van Barcelona, een nieuwe verdedigingslinie te vormen. Maar de nederlaagstemming was zozeer in de officiële kringen doorgedrongen, dat niemand daaraan nog dacht.

De regering was in de nacht op 25 januari naar Gerona, dicht bij de grens gevlucht. De bevolking was op zichzelf aangewezen. Op 26 januari stelde generaal Asencio de f.a.i. voor, de stad te verdedigen en hij bood zich aan als militair vakman. Hij wilde echter toestemming hebben van minister-president Negrin. Al was de oorlog ook verloren, het was toch nodig de eer van de Catalaanse hoofdstad te redden. De f.a.i. zegde Asencio haar medewerking toe, ofschoon een dergelijke poging, gezien de algemene moedeloosheid, een gewaagde onderneming was. Tevergeefs wachtten de leden van het comité van de f.a.i. op het verschijnen van Asencio. Negrin was nergens te vinden. Barcelona was overgeleverd aan het noodlot.

Een algemene paniek had de gehele stad aangegrepen. Wie in zijn buurt als antifascist bekend stond, poogde het leven te redden door over de grens te vluchten.

Op de ochtend van de 25ste januari lagen op de straten van de stad stapels antifascistische documenten van alle partijen en allerlei verbrande papieren. De leiders waren gevlogen. Duizenden en nog eens duizenden onbetekenende vakbondsbestuurders poogden zich voor de oprukkende fascistische legers te redden.

Auto’s met achtergeblevenen raasden door de stad. Vrachtauto’s tot aan de rand gevuld met mannen, vrouwen en kinderen, sloegen de richting naar de grens in. De trams en de autobussen reden niet meer. Op de gezichten van de bevolking tekenden zich neerslachtigheid en vrees af. Maar hier en daar zag men gezichten met nauw verholen blijdschap. Het waren de leden van de vijfde colonne, die op hun caudillo wachtten.

Laat in de middag sprong ik op een met vluchtelingen gevulde vrachtauto. De straten van Barcelona waren leeg. De auto sloeg de weg naar het noorden in. Enkele uren later rukte de voorhoede van Franco de stad binnen.

In de straten in het noorden van Barcelona begon de grote tragedie van de vlucht. Militairen en burgers mengden zich door elkander tot een onbeschrijflijke chaos. Tweehonderdduizend man poogde over de grens te komen. Het was een algemene paniek. Soldaten dwongen vrouwen en kinderen voor hen plaats te maken in vrachtauto’s. “Redde zich wie kan” was de leus.

Het zuidelijke legercorps van de republikeinse strijdkrachten stond onder bevel van de communist Modesto. De terugtocht kon nauwelijks nog ordelijk worden genoemd. Slechts in het noorden bood de 26ste divisie van de voormalige colonne Durruti, onder de anarchist Ricardo Sans, nog zwak verzet. Zij dekte de aftocht naar de grens. Aan haar is het te danken, dat de stroom vluchtelingen de grens heeft kunnen bereiken.

De intocht van Franco in Barcelona begon van twee kanten. Een colonne Moren bezette de vesting Montjuich aan de kust. Een colonne Italianen rukte van Tibidabo uit het zuiden de stad binnen. Beide colonnes marcheerden op naar het centrum van de stad. Mussolini pochte op zijn overwinning. Op de Plaza Venezia sprak hij voor de verzamelde fascisten: “Negrin, deze pion van de vermolmde democratieën, heeft ons een “No pasaran” toegeroepen, maar wij zijn er door gekomen. En wij roepen de wereld toe, dat wij verder zullen opmarcheren.”

De republikeinse regering had in Barcelona geweldige hoeveelheden oorlogsmateriaal achtergelaten. Alles viel in handen van de fascisten. Nog vóór Franco Barcelona binnenrukte, hadden de gevangenbewaarders de poorten geopend voor zijn ingesloten aanhangers. De archieven van de spionageafdeling, geheime stukken van het ministerie van Justitie en van het ministerie van Buitenlandse Zaken, sleutels voor het ontcijferen van telegrammen, documenten over internationale betrekkingen van de Spaanse Republiek, het viel alles in handen van Franco.

De regering was te rechter tijd gewaarschuwd, maar zij had lichtvaardig alle waarschuwingen in de wind geslagen. Dat Franco het offensief voorbereidde was bekend. Maar Negrin deed niets om de republiek te redden. Slechts enkele dagen voor de ontruiming van Barcelona had Negrin de bevolking over de radio verzekerd, dat inname van de stad was uitgesloten. Hij heeft daarbij opnieuw gewezen op het falen van de westelijke democratieën en verklaard, dat zijn regering 500 vliegtuigen, 2000 machinegeweren, een groot aantal kanonnen en veel ander oorlogsmateriaal had gekocht, dat reeds in Frankrijk was aangekomen. Van al dit oorlogsmateriaal heeft niemand ooit iets gezien.

Op haar vlucht naar de Franse grens heeft de regering Negrin zich één dag in de grensplaats Figueras opgehouden. In een oud slot kwam een aantal leden van de Cortes voor de laatste maal op Spaanse bodem bijeen. De afgevaardigden hadden hun koffers gepakt en hun chauffeurs wachtten hen met de auto. Negrin hield de laatste rede. Hij eiste algemene amnestie en een volksstemming. Het volk zou bij vrije verkiezingen moeten beslissen, of het Franco wenste dan wel de republiek.

Negrin’s rede was tot het gehele volk gericht. Maar Franco had, dank zij de Italiaanse en Duitse hulp, gezegevierd. In gezelschap van zijn officiële adviseurs, van de communistische ministers Uribe en Alvarez del Vayo passeerde Negrin met het laatste goud van de Bank van Spanje de Franse grens.

Glansloos en roemloos eindigde een strijd, die twee en een half jaar lang de wereld in spanning had gehouden. Met de nederlaag van de Spaanse Republiek was de laatste hoop op behoud van de wereldvrede vervlogen.

 

13

 

Het laatste bedrijf

 

Toen Negrin en zijn regering Catalonië in januari 1939 verlieten, verkeerde het land in dezelfde toestand als tijdens de Napoleontische oorlogen. Het volk was op zichzelf aangewezen. In de vorige eeuw had de burgemeester van de kleine stad Mostela aan Napoleon de oorlog verklaard. “Het vaderland is in gevaar”, zo riep hij uit, “Spanjaarden, staat op om het te redden!” Dit was het begin van de beroemde guerrillaoorlog, waarin de legers van Napoleon uit Spanje werden verdreven.

In november 1936 had het ministerie Largo Caballero Madrid verlaten; het was naar Valencia gevlucht. Madrid werd door de fascisten belegerd. En de bevolking riep uit: Leve Madrid zonder de regering! Het voorbeeld van 1809 herhaalde zich. Het volk nam de strijd tegen de vijand alleen op. In beide gevallen bleef het overwinnaar.

In januari 1939 was die toestand volkomen anders. Madrid, NieuwCastilië, een deel van centraal Spanje en een strook van de Middellandse Zeekust waren door de vijand ingesloten. De bevolking in Franco-Spanje leefde in angst voor de terreur.

Van geen enkele zijde was hulp te verwachten. Madrid zou in korte tijd door uithongering tot overgave kunnen worden gedwongen. Het wapen van de honger kan niemand weerstaan.

De republikeinse oorlogsvloot in de haven van Cartagena bezat nog verschillende strijdvaardige schepen. Tegen de fascisten en vooral tegen de Italiaanse Middellandse-Zeevloot was zij echter niet opgewassen. De republikeinse vloot stond onder bevel van de socialistische commissaris Bruno Alonso. Onder de manschappen op de vloot heerste grote ontevredenheid over de regering. Alle onderbevelhebbers, met uitzondering van de communistische commissarissen, waren tegen Negrin.

De vrijheidslievende beweging, in de nog bevrijde delen van Spanje de grootste macht, riep een landelijke conferentie in Valencia bijeen. Op haar drukte de voornaamste verantwoordelijkheid voor de door de vijand veroverde delen van het land. Met de regering Negrin waren ook de leden van de Cortes gevlucht. De president van de Republiek, Azaña, bevond zich in het buitenland. Onder deze omstandigheden kon niemand op de gedachte komen, de regering om raad of toestemming te vragen. Het volk was op zichzelf aangewezen. De vrijheidslievende conferentie besloot de leiding van het land in handen te leggen van het Comité van het Volksfront. De bedoeling was van dit comité een organisatie te maken in de geest van de verdedigingsjunta van Madrid in november 1936. In de tweede plaats werd besloten de door Negrin ingestelde staat van beleg op te heffen. Het derde belangrijke besluit was het intrekken van het bevel van Negrin om de mannen boven 45 jaar te mobiliseren. De akkers en de munitiefabrieken mochten niet van arbeidskrachten worden ontbloot.

Spoedig kwam het tot wrijvingen tussen de door Negrin aangestelde communistische commissarissen en het door de vrijheidslievende beweging geleide Volksfrontcomité. De hoogste commissaris in de vrije zone was de communist Jesus Hernandez. Hij vaardigde verordeningen uit zonder er het Volksfrontcomité in te kennen. Zijn eerste daad was de radio onder zijn gezag te brengen. Voor de bewaking wees hij zijn partijgenoot, de officier Felix Montiel aan. Tegelijkertijd gaf hij de bevolking bevel alle wapens in te leveren, opdat zij slechts aan “ware antifascisten” konden worden gegeven. De vrijheidslievende beweging verklaarde deze maatregel, die ten doel had de dictatuur van de communistische partij over alle andere antifascistische richtingen in te stellen, niet te erkennen.

Terwijl de conferentie in Valencia zitting hield, verscheen Negrin in de stad. Hij was per vliegtuig van Frankrijk naar Spanje gekomen. De vrijheidslievende conferentie benoemde een commissie om haar besluiten aan Negrin voor te leggen. Negrin weigerde de besluiten te erkennen. Ook weigerde hij van zijn politiek, van zijn financieel beheer en van zijn catastrofale oorlogsvoering tegenover de vertegenwoordigers van het volksfront rekenschap af te leggen. Het ging er heftig aan toe. Na felle discussies was de breuk tussen hem en de vrijheidslievende beweging een feit. Negrin had zich uitsluitend met openlijke of geheime communisten omringd, ofschoon hij officieel bij de socialistische partij was aangesloten. Hij meende met behulp van de communisten op dictatoriale wijze verder te kunnen regeren zoals hij tot dusverre in Barcelona had gedaan. Door het verlies van Catalonië had hij echter zijn laatste aanzien bij de bevolking verspeeld. Alleen de communisten bleven aan zijn zijde.

De vrijheidslievende beweging verklaarde van nu af aan uitsluitend in het belang van het Spaanse volk te zullen handelen en met partijbelangen, van welke aard ook, geen rekening meer te zullen houden.

Na het verlies van Catalonië was de burgeroorlog voor de republikeinen verloren. Het halvemaanvormige gedeelte, dat in Madrid zijn top had en zich naar de kust van de Middellandse Zee langzamerhand verbreedde tot het tussen Valencia en Murcia eindigde, was niet te behouden. Om dit te begrijpen behoefde men geen strateeg te zijn. Er was voor de republikeinen geen andere keuze dan zo spoedig mogelijk aan de vijandelijkheden een zo gunstig mogelijk einde te maken. Franco had, gelijk te verwachten was, op voorstel van Negrin inzake amnestie en volksstemming niet geantwoord. Hij voelde zich overwinnaar en verlangde onvoorwaardelijke overgave.

Het was ook een ieder duidelijk, dat Negrin niet de aangewezen man was om voor de republikeinen gunstige voorwaarden te verkrijgen. De zegevierende fascisten zouden nooit bereid zijn geweest met hem te onderhandelen. Negrin was naar Spanje teruggekeerd om zich tegenover de wereld als de moedige strijder tegen het fascisme voor te doen, die bereid was om tot het uiterste vol te houden. Hij had het parool tot voortzetting van de oorlog gegeven. Dit was struisvogelpolitiek. De communistische pers ging voort, Negrin als de ziel van het verzet van de Spaanse antifascisten voor te stellen. In het bijzonder het Parijse avondblad Ce Soir, dat met Spaans geld was opgericht en door de Franse communistische partij werd uitgegeven, stelde Negrin als een volksheld voor. Dit was een grove vervalsing en niets dan bluf. Negrin hield zijn vliegtuig gereed om in het uur van gevaar naar Frankrijk te vliegen. Ook voor de aftocht van de communistische leiders en van vooraanstaande partijleden waren transportmiddelen te water en door de lucht in gereedheid gebracht. De niet-communistische antifascistische strijders waren hulpeloos aan de wraak van de fascisten overgeleverd. J. Garcia Pradas, een van de meest bekwame journalisten en tijdens de burgeroorlog redacteur van het Madrileense dagblad CNT, heeft in zijn in 1940 in New York verschenen geschrift La traición de Stalin (Het verraad van Stalin) op boeiende wijze de tragedie van het einde van de burgeroorlog geschilderd.1

Toen Negrin met zijn vliegtuig in de vrije zone van Spanje was aangekomen, zo vertelt Pradas, vestigde hij zich met zijn bedienden in een prachtig landhuis in Elche, in de provincie Alicante. Ofschoon het gehele ministerie met hem was meegekomen, namen slechts de minister van Buitenlandse Zaken Alvarez del Vayo, die tot dezelfde afgescheiden groep behoorde als Negrin, en de communistische minister Vicente Uribe in hetzelfde huis hun intrek. De overige ministers moesten in Madrid of in andere ver verwijderde plaatsen een onderdak zoeken. De residentie van Negrin werd door vijfhonderd communistische, met handgranaten en machinegeweren gewapende soldaten bewaakt. Niets wees er op, dat deze residentie de zetel van de regering was. Er waren geen kantoren en er werden geen regeringszaken afgedaan. Het geheel maakte de indruk van een vrolijk jachtgezelschap. Het ontbrak er niet aan wijnen en likeuren en aan schone vrouwen evenmin.

De overige ministers woonden in hotels. Zij zagen Negrin slechts zelden en wisten van niets. De syndicalistische minister Segundo Blanco ging naar Madrid om zijn organisatie rapport uit te brengen over de doeleinden en voornemens van Negrin. Hij verklaarde, dat Negrin en de regering niet naar Spanje gekomen waren om de oorlog voort te zetten, die zij als verloren beschouwden, maar om de “geestelijke en materiële waarden van het antifascisme te redden.”

De socialisten, de communisten en de leden van de republikeinse partij waren er slechts op uit de aftocht van hun kameraden uit de belegerde zone voor te bereiden. Ook de anarchisten en syndicalisten moesten maatregelen treffen om alle bedreigde kameraden in veiligheid te brengen en hun passen te verschaffen. Negrin had reeds maanden tevoren pogingen gedaan om vredesonderhandelingen met Franco te openen, maar deze ging hierop niet in. Na de val van Catalonië was er voor de republikeinen geen redding meer mogelijk. Ook Rusland verkocht geen wapens meer aan de regering Negrin. Het instituut, dat de aankoop van wapens in handen had, was ontbonden. Aan de Spaanse gezant in Londen was opgedragen door tussenkomst van de Britse minister van buitenlandse zaken onderhandelingen met Franco te openen. Lord Halifax moest het zo inkleden, dat Franco niet zou bemerken, dat het initiatief van de regering Negrin was uitgegaan.

Aldus het rapport van Blanco, dat in overeenstemming was met de feiten. De volgende dag kreeg de staatsdrukkerij in Madrid opdracht 60.000passen te drukken. Duizenden antifascisten hoopten het land te kunnen verlaten, teneinde niet in handen van Franco te vallen. Maar Negrin bepaalde dat slechts door hem persoonlijk ondertekende passen geldig waren. Zelfs de minister van Justitie, Paulino Gómiz, lid van de socialistische partij, mocht geen passen ondertekenen.

Intussen had Franco zijn strijdkrachten kunnen reorganiseren. Op Madrid hadden nieuwe luchtaanvallen plaats. Dit werd als de voorbode van een algemene aanval beschouwd. Van de bevolking maakte zich grote onrust meester. Niemand wist wanneer en hoe het einde zou komen. Maar ieder was er van overtuigd dat deze onzekere toestand niet lang kon duren.

Aldus was de toestand, toen Negrin de opperbevelhebbers voor een bespreking naar Albacete liet komen. De chef van de generale staf, generaal Matallana, bracht verslag uit over de vertwijfelde militaire toestand. De republikeinen beschikten over 800 kanonnen van verschillend kaliber en over 75 vliegtuigen, waarvan de meeste niet geschikt waren voor de strijd. De oorlogsvloot in Cartagena was voor een zeeslag niet uitgerust. Het afweergeschut had slechts voor één dag munitie. Er waren slechts 50 pantserwagens en niet meer dan 350.000 geweren. In de havensteden waren slechts voor twee weken levensmiddelen voor de bevolking en de militairen. Daarbij kwam het gebrek aan transportmiddelen. Na de val van Catalonië waren er geen autobanden meer te verkrijgen. In het leger zelf was de strijdgeest volkomen uitgedoofd. Dagelijks liepen duizenden naar de vijand over. Daartegenover beschikte Franco over 700 bombardementsvliegtuigen en over tienmaal zoveel wapens van allerlei soort. Zijn vloot was gemakkelijk in staat met behulp van de Italianen de republikeinse havens te blokkeren. Onder deze omstandigheden was voortzetting van de oorlog een volkomen nutteloze zelfopoffering.

De overige officieren deelden de mening van hun chef. Slechts Miaja was er voor, de strijd voort te zetten. De overste Casado zei hem, dat de bevelhebbers die de oorlog wilden voortzetten en die hun gezinnen naar Frankrijk hadden gestuurd, hun vrouwen en kinderen moesten laten terugkomen om daarmee hun vertrouwen in het voortzetten van de oorlog te bewijzen. Hierop volgde een verlegen zwijgen. Ook Miaja had vrouw en kinderen naar Frankrijk gezonden.

Negrin had het verslag van de leiders van het leger zwijgend aangehoord. De generaals hoopten, dat de minister-president zou aftreden en de vorming van een verdedigings-, respectievelijk van een onderhandelingsjunta zou voorstellen om aan de oorlog een einde te maken. Maar Negrin verklaarde dat, nu Franco vredesonderhandelingen voortdurend had afgewezen, er niets anders overbleef dan de oorlog voort te zetten.

De generaals achtten het standpunt van Negrin onverenigbaar met de levensbelangen van het Spaanse volk. Maar niemand waagde het hem tegen te spreken. Zij gingen naar hun posten terug. Hun bespreking met de ministerraad had geen enkele invloed op de gang van zaken.

De eis van Negrin “volhouden tot het uiterste” had eigenaardige materiële achtergronden. Er moesten belangrijke stukken worden gered. Er moesten schatten van grote waarde over de grens worden gebracht. De gpu-agenten moesten worden geëvacueerd. De hoogste communistische leiders moesten een goed heenkomen vinden. Schepen, oorlogsmateriaal en vliegtuigen moesten in veiligheid worden gebracht. Aan de oorlog moest een voor de regering voordelig einde komen.

Daartoe moest Negrin de politieke macht in handen houden. Daardoor kon hij over de transportmiddelen beschikken en verhinderen, dat andere antifascistische organisaties er gebruik van maakten. De leuze “volhouden tot het uiterste” was een dekmantel voor het organiseren van de vlucht van Negrin en de zijnen met de communisten. Terwijl de troepen werden blootgesteld aan de aanval van een overmachtige vijand, organiseerde de regering de vlucht.

De communistische partij stelde niet langer voldoende vertrouwen in het gezag van Negrin. De Russische wapens, waarover de partij beschikte, moesten niet slechts dienst doen tegenover de fascisten, maar ook om de communisten tegenover de ontevreden elementen in het antifascistische kamp te beschermen.

De partij ontwikkelde een koortsachtige activiteit. Het bestuur in Madrid was voortdurend in verschillende lokalen in zitting bijeen. Kinderen van tien en twaalf jaar werden de straat op gestuurd om oproepen van de partij aan te plakken, waarin tot het voortzetten van de oorlog werd aangespoord. De communistische bevelhebbers werden in geheime conferenties bijeengeroepen. Functionarissen van de partij bezochten het front om instructies te geven. In geheime circulaires aan de militaire bevelhebbers deed het partijbestuur mededeling van zijn vrees, dat de opperste legerleiding en de generale staf van Centraal Spanje de bevelen van Negrin niet zouden uitvoeren. Daarom moesten de communistische bevelhebbers de aanwijzingen van de partij stellen boven de bevelen van de legerleiding.

Deze activiteit wees er op, dat de communisten zich op een dictatuur van Negrin voorbereidden. In een circulaire werd over de noodzakelijkheid gesproken de anarchisten neer te slaan, de enigen die in staat waren zich tegen de plannen van Negrin en de communisten te verzetten. De communistische pers in Madrid sprak openlijk over de noodzakelijkheid om in deze kritieke toestand een dictatuur in te stellen. Op de voorbereiding volgde de eerste daad. Het vliegveld Los Llanos bij Albacete werd door een afdeling communistische soldaten bezet.

De generaals van de opperste legerleiding waren er van overtuigd, dat Negrin’s leuze “volhouden tot het uiterste” onoprecht was. Zij wisten, dat Negrin maatregelen had getroffen om zichzelf en enkele dozijnen naaste aanhangers per vliegtuig en verscheidene honderden communisten over zee in veiligheid te brengen. Zijzelf en de overige antifascisten waren bestemd om ter ere van de verzetsbeweging te worden opgeofferd. Maar de antifascisten waren niet bereid zich als werktuigen te laten gebruiken en nutteloos hun leven te offeren. Grote aantallen functionarissen en ambtenaren vluchtten uit Madrid. Onder hen waren partijfunctionarissen, journalisten en propagandisten, die enkele dagen geleden in de kranten of over de radio tot “volhouden tot het uiterste” hadden opgeroepen. Met de levensmiddelen stond het er zeer slecht voor.

De anarchisten en syndicalisten, die in Centraal-Spanje gewoonlijk de “confederalen” worden genoemd, bleven in de gegeven situatie niet werkeloos. Half februari hielden zij in Madrid een congres, waaraan 250 gedelegeerden uit de gehele nog vrije zone van de republiek deelnamen. Het congres besloot een confederaal verdedigingscomité op te richten met o.a. een militaire organisatie, een politieke politie, een economische controlecommissie, een commissie voor het transportwezen.

In een oproep aan de bevolking verklaarden de vrijheidslievende beweging en de confederale eenheden, dat zij de “antifascistische eer”, waarover Negrin zoveel had gesproken, zouden redden. De oproep citeerde de volgende woorden van Negrin: “Ofwel wij gaan gezamenlijk te gronde of wij worden allen gered.” En voegde er aan toe, dat de anarchisten er voor zouden zorgen, dat degenen die deze woorden zo vaak in de mond hadden genomen, zich er ook aan zouden houden.

De oproep was voor Negrin en zijn aanhangers een verrassing. Hij wist dat de confederalen bereid waren zijn plannen te verijdelen en daartoe ook bij machte waren. Hij besloot zijn tegenstanders voor te zijn. Er ontstond een soort wedloop tussen Negrin en de communisten aan de ene en de vrijheidslievende beweging aan de andere kant. Negrin beschikte over het staatsapparaat, de vrijheidslievende beweging steunde op de confederale militaire eenheden en op de arbeidersbevolking. Bij een ernstige botsing zou een groot deel van de generaals en de hogere militaire bevelhebbers zich aan de kant van de anarchisten hebben geschaard.

De anarcho-syndicalisten hadden de sympathie van de bevolking. Voorzitter van het Verdedigingscomité was Eduardo Val uit Madrid, een man van 35 jaar die reeds onder de monarchie de leiding van de ondergrondse anarchistische verdedigingsorganisatie had gehad. Om zijn voorzichtigheid en organisatietalent, om de rust en de zwijgzaamheid waarmee hij zijn plannen voorbereidde en de koelbloedigheid waarmee hij ze uitvoerde, stond Val in hoog aanzien. In de verdediging van Madrid in november 1936 had hij een belangrijk aandeel gehad. Ook thans hield hij alle draden van de organisatie in handen.

De politieke plannen, ontwerpen, oproepen en rapporten werden door Garcia Pradas, de redacteur van het Madrileense dagblad cnt, geschreven. Pradas was een nog jonge energieke en ontwikkelde journalist met veel talent.

Een andere belangrijke figuur onder de confederalen was de metselaar Cipriano Mera. Als kind van een proletarisch gezin in Madrid had hij nooit de school bezocht. Lezen en schrijven had hij zichzelf geleerd en met ijzeren energie had hij zijn kennis door het bezoeken van volkshogescholen en door lezen uitgebreid. Reeds op jeugdige leeftijd sloot hij zich bij de anarchisten aan en in het syndicaat van de bouwvakarbeiders nam hij een vooraanstaande plaats in. In juli 1936 zat hij in een gevangenis in Madrid in verband met een botsing met de politie tijdens een staking in het bouwvak. De arbeiders haalden hem eruit en stelden hem aan het hoofd van een confederale strijdeenheid.

Na de organisatie van het volksleger was deze tot een divisie uitgegroeid onder bevel van Mera in de rang van generaal. Hij leidde de slag van de republikeinen tegen de fascisten voor Madrid en zijn overwinning op de Italianen in Guadalajara was een van de belangrijkste wapenfeiten van het republikeinse leger. Maar omdat Mera geen communist was werd hij niet in de buitenlandse pers bewierookt.

Vaklieden als de technicus Manuel Salgado en Gonzales Marin, deskundigen op het gebied van het transportwezen, alsmede een groot aantal ervaren strijders uit de rijen van de anarchistische groepen en de syndicalistische vakorganisaties, waaronder technici en ingenieurs, voltooiden de groep mannen, die het waagden het verzet tegen de door de communisten voorgenomen staatsgreep en tegen de dictatuur van Negrin te organiseren.

Het congres had het Verdedigingscomité opdracht gegeven een plan van actie op te stellen, dat door Garcia Pradas werd ontworpen. Deze stelde een verdedigingsjunta voor zoals in november 1936 had bestaan. Van Negrin werd verlangd, dat hij de uitvoerende macht aan deze junta zou overdragen, waarin alle antifascistische partijen en organisaties vertegenwoordigd zouden zijn. De Spaanse Republiek, zo verklaarde Pradas in zijn ontwerp, bestaat niet meer, daar de Cortes niet meer bijeen kan komen en Azaña, de president, in het buitenland is afgetreden. Talrijke landen, waaronder zelfs Engeland en Frankrijk, hadden Franco reeds de facto erkend. Het grootste deel van Spanje was in handen van Franco. Negrin, wiens regering weigerde tegenover de antifascistische organisatie verantwoording af te leggen en die de vlucht voorbereidde, kon - aldus het ontwerp - niet langer als minister-president worden erkend. Het program werd aan alle partijen van het volksfront ter goedkeuring voorgelegd. Het werd door alle partijen, door de u.g.t. en zelfs door de socialistische arbeiderspartij, waartoe Negrin behoorde, aanvaard. Ook professor Juan Besteiro, de vader van het Spaanse socialisme, ging met het program akkoord. Alleen de communistische partij deed niet mee. Haar leiders in Madrid, Arturo Giménez en Isidoro Diéguez, vroegen bedenktijd en stelden Negrin op de hoogte.

Het program werd ook door de opperbevelhebbers van het leger aanvaard. Een uitzondering maakten een aantal communisten. Vele communistische officieren waren echter met tegenzin of uit onbekendheid met het ware karakter van de communistische partij tot haar toegetreden. Tot hen behoorde ook Miaja, de opperbevelhebber van Madrid, die nooit een overtuigd communist was geworden. Hij onderschreef het plan van de confederalen. Dit betekende breuk met de communisten.

De plaatselijke commandant van Madrid, overste Sigismundo Casado, was de eerste hoge officier, die met het program geestdriftig instemde. Hij had grote invloed op de beroepsofficieren en nam de taak op zich, zijn collega’s voor de zaak te winnen.

Negrin besloot door snel op te treden de plannen van het Verdedigingscomité te verijdelen. Hij bezette alle hoge commandoposten in het leger met hem toegewijde communisten. Daar hij niet over voldoende militaire vaklieden beschikte, stelde hij leken aan. Onder hen bevond zich Lister en zelfs Modesto, de onbekwame opperbevelhebbers van het vroegere leger in Zuid-Catalonië. De voorgenomen benoeming van Modesto verwekte grote verontwaardiging onder de militaire vaklieden en vooral bij Miaja. Maar toen hij met generaal Matallana, de opperbevelhebber van de strijdkrachten in Centraal-Spanje, door Negrin naar Valencia werd geroepen, achtte hij het noodzakelijk met het oog op de militaire discipline zijn plicht te gehoorzamen. Beide generaals werden op non-actief gesteld.

Negrin had bekend gemaakt, dat hij op 6 maart een proclamatie zou uitgeven. Het Verdedigingscomité van de confederalen spande alle krachten in om de dictator vóór te zijn. Op 4 maart werden alle beschikbare vrijheidslievende strijdkrachten in de gebouwen van de syndicalistische vakorganisaties en van de anarchistische clubs samengetrokken. Van het front van Madrid, dat op vijf meter afstand in de buitenwijken van de stad begon werd echter geen man weggenomen. De confederale legergroepen aan de fronten in Andalusië, Estremadura en de Levante werden van de plannen op de hoogte gesteld. Het vierde legercorps in de Jaramabergen met het hoofdkwartier in Guadalajara, onder leiding van Cipriano Mera, verklaarde zich bereid zo nodig enkele eenheden naar Madrid te zenden.

Op 5 maart werd de plaatselijke commandant van Madrid, overste Casado, die kort tevoren van Negrin de titel van generaal had gekregen, opgedragen zich voor een bespreking naar Elche te begeven. Maar Casado bleef in Madrid. Dezelfde dag maakte het ministerie van Oorlog bekend, dat hij door Modesto was vervangen. De man die in Catalonië de nederlaag had geleden, aan het hoofd van de verdediging van Madrid te zien gesteld, was voor het trotse Madrid onverdraaglijk. Indien hij het gewaagd zou hebben zich op zijn nieuwe post te begeven, zou het misschien zonder de voorbereiding door de anarcho-syndicalisten tot een opstand zijn gekomen.

In Cartagena, het steunpunt van de Middellandse Zeevloot, had de poging van Negrin om een staatsgreep door te voeren tot een tragedie geleid. Negrin wilde zijn eigen partijgenoten, de socialistische commissaris Bruno Alonso en admiraal Bernal, afzetten en door de communist Galán vervangen. Galán kwam met een groot aantal communistische troepen naar Cartagena en eiste van Bernal, dat deze hem het opperbevel zou overdragen. Aan Bernal was niet meegedeeld, dat hij was afgezet. Hij belde Negrin op, die hem meedeelde, dat hij inderdaad van zijn functie was ontheven.

De officieren en de manschappen van de vloot, grotendeels socialisten en anarchisten, gingen hiermee niet akkoord en verklaarden deze daad van willekeur niet te zullen dulden. Om te voorkomen, dat hun schepen door de kustbatterijen zouden worden bestookt, kozen zij zee. Hun vrees was ongegrond. De officieren en de manschappen van de kustbatterijen stelden zich aan de kant van Bernal en Alonso. Zij konden zich echter niet met de schepen in verbinding stellen. Bovendien lieten de communisten het gerucht verspreiden, dat zij spoedig belangrijke versterkingen zouden krijgen om de opstand op de vloot te onderdrukken.

Van deze verwarring maakte de vijfde colonne van Franco gebruik. Gewapende fascistische troepen bezetten het station van de radio. Zij richtten zich door de ether tot de havens van Ceuta, Cadiz en Mallorca, die in handen van Franco waren, om hulp te vragen. Zij verklaarden, dat alle opstanden in Cartagena een fascistisch karakter hadden. Dit was in strijd met de feiten. De fascisten werden spoedig weer uit het radiostation verdreven. Hun oproep had echter ten gevolge, dat Italiaanse eskaders vliegtuigen over de stad vlogen en dreigden in de strijd te zullen ingrijpen. Er ontstonden straatgevechten tussen fascisten en republikeinen, waarbij vele antifascisten om het leven kwamen.

Op de schepen was men omtrent de toestand in de stad niet op de hoogte. Manschappen en officieren besloten niet naar Cartagena terug te gaan. Zij zetten koers naar Bizerte, de Noord-Afrikaanse haven van Frankrijk, en lieten er de schepen door de Fransen interneren. Zo ging de republikeinse oorlogsvloot verloren.

In Madrid had het Verdedigingscomité van de confederalen besloten zijn plannen door te zetten vóór de nieuwe, door Negrin benoemde bevelhebbers hun functies hadden kunnen aanvaarden. In de nacht van 5 op 6maart bezetten de confederale milicianos alle openbare gebouwen en daaronder ook het radiostation, dat in handen van de stalinisten was. De communisten waren niet bij machte verzet te bieden. Het oppercommando van Madrid met Casado aan het hoofd had zijn zetel in de bunker van het ministerie van Financiën. Casado had zijn post niet verlaten. Enkele uren na het bezetten van het radiostation vond hier een bijeenkomst plaats van de anarcho-syndicalistische organisatoren van de actie met de vertegenwoordigers van het volksfront. Onder hen bevond zich de oude socialistische leider Juan Besteiro. Besloten werd het door Pradas ontworpen program te aanvaarden. Er werd een junta gevormd voor de landsverdediging. Als voorzitter van deze junta werd generaal Miaja voorgesteld. Deze verklaarde telefonisch onmiddellijk naar Madrid te zullen komen. Tot commissaris voor buitenlandse aangelegenheden werd professor Juan Besteiro benoemd, die als jurist in het buitenland groot aanzien genoot. Met de leiding van de verdediging werd Casado belast. Financiën, landbouw, industrie, verkeerswezen en openbare werken kwamen in handen van de anarcho-syndicalisten Gonzales en Eduard Val.

Besteiro deed via de radio mededeling van de vorming van de junta voor de verdediging. Op de ochtend van 6 maart publiceerde de internationale pers berichten over de gebeurtenissen in Madrid. Overste Casado, de anarchist Mera en de links-republikein San Andrés hielden via de ether toespraken tot het Spaanse volk.

In het programma van de junta van Verdediging werd gezegd: “Als revolutionairen, proletariërs, antifascisten en Spanjaarden kunnen wij het gebrek aan vooruitziende blik, de ordeloosheid en het gebrek aan verantwoordelijkheid van de regering niet langer dulden. De oorlog in Catalonië is met een algemene ineenstorting geëindigd. Daarna zijn het volk grote en plechtige beloften gedaan, die slechts bluf bleken te zijn. Terwijl de zonen van het volk bij duizenden op de slagvelden worden opgeofferd, hebben talrijke leiders, die zich als helden hadden laten vieren, hun post verlaten en zich door de vlucht op smadelijke wijze in veiligheid gesteld.

Om verdere schaamteloosheden en desertie in deze moeilijke tijd te verhinderen, is het comité voor de landsverdediging gevormd. Het comité verzekert alle arbeiders, antifascisten en Spanjaarden, dat niemand zich aan het vervullen van zijn plichten en aan zijn verantwoordelijkheid kan onttrekken.

Het comité zal zich inspannen om het noodlot te keren en is bereid met alle Spanjaarden één gemeenschappelijke weg te gaan. Wij zullen niet deserteren en ook geen desertie dulden. Niemand mag Spanje verlaten, die de plicht heeft hier te blijven. Indien er echter ten slotte geen andere weg overblijft, zal iedereen moeten kunnen vertrekken die dit wenst.

Het comité heeft zich tot taak gesteld de tegenstand voort te zetten, want de grote zaak van de bloedige en opofferingsgezinde antifascistische strijd mag niet een roemloos en smadelijk einde hebben. Om deze taak te kunnen vervullen, hebben wij de medewerking van alle Spanjaarden nodig. Ieder blijve op zijn post. Wij zullen het parool van Negrin ‘Wij zullen allen gered worden of gezamenlijk de ondergang tegemoet gaan’ tot werkelijkheid maken.”

De proclamatie was nauwelijks openbaar gemaakt, of Negrin belde uit Elche op en wenste Casado te spreken. Het gesprek verliep als volgt:1

“Met minister-president Negrin.”

“Met overste Casado.”

“Ik heb zo even het manifest door de radio gehoord. Wat mankeert jullie? Zoiets is toch niet mogelijk! Wat gebeurt er bij jullie?”

“De zaak is duidelijk. Wat u heeft gehoord is in overeenstemming met de werkelijkheid. Wij verdedigen ons en hebben ons teweergesteld tegen de door u voorbereide staatsgreep.”

“Maar de zaak had toch langs vriendschappelijke weg geregeld kunnen worden?”

“Alles is reeds geregeld, met name wat u betreft. Men heeft u afgezet.”

“Maar sta mij toe ... de regering is bereid ...”

“Ik sta u niets toe. Uw regering bestaat niet meer. Het comité voor de landsverdediging is de gevolmachtigde van de republiek.”

“Ik waarschuw u. Wij zijn sterk en ...”

“Past u maar op; de macht hebben wij.”

“Maar generaal, luister toch ...”

“Overste, alstublieft.”

“Zo kan het toch niet blijven. Wij kunnen de zaak regelen, doordat de regering de macht in handen geeft van het comité voor de landsverdediging.”

“De regering bestaat niet meer en heeft geen macht te vergeven. Zij heeft slechts een ernstige schuld op zich geladen en draagt een zware verantwoordelijkheid.”

“Maar wat moet er dan gebeuren?”

“Daarom hoeft u zich niet te bekommeren. Ik verlang van u slechts, dat u generaal Matallana vrijlaat.”

“Maakt u zich daarover niet bezorgd.”

Casado hing de haak op.

Dezelfde nacht vertrok Negrin met zijn getrouwen per vliegtuig naar Frankrijk. Enkele dagen later werd hij in Madrid als lid van de socialistische partij geroyeerd.

Reeds spoedig kwam generaal Miaja uit Valencia in Madrid aan om het voorzitterschap van het verdedigingscomité op zich te nemen. Zijn breuk met de communisten was definitief.

De volgende dag bleef het in Madrid nog rustig. Maar spoedig herstelden de communisten zich van hun verrassing. Zij verklaarden zich tegen het verdedigingscomité en boden het gewapend verzet. Zij trokken hun aanhangers en communistische troepenafdelingen uit de loopgraven terug en troffen voorbereidingen om de bunker van het hoofdkwartier, waarin de zetel van het verdedigingscomité was gevestigd, te bestormen. Hun pogingen werden door de maatregelen van de confederalen verijdeld.

Madrid was intussen het toneel geworden van strijd tussen de antifascisten onderling. De communisten wierpen in het centrum van de stad barricades op en verschansten hun verenigingslokalen met zakken koffie, rijst en conserven. Er kwamen levensmiddelen te voorschijn, die de bevolking van Madrid sedert lang niet meer had gezien. Het verdedigingscomité was genoodzaakt de strijd tegen de communistische barricades te aanvaarden. Voor het terugtrekken van troepen aan het front wilde het de verantwoordelijkheid niet aanvaarden. Confederale krachten sprongen in de bres om de communistische opstand neer te slaan.

Er was een merkwaardige toestand ontstaan. Terwijl op een halve kilometer van de stad de fascisten gelegerd waren en ieder ogenblik met verse troepen tegen de uitgeputte bevolking konden optreden, was er in de stad zelf een bloedige strijd tussen de antifascisten onderling. De communisten stonden op tegen het verdedigingscomité. De anarchisten plaatsten zich tegenover de communisten, omdat zij de dictatuur van de aanhangers van Moskou niet langer wensten te dulden. De syndicalistische vakorganisaties en de anarchistische groepen organiseerden stoottroepen tegen de communistische barricades. Het ene communistische bolwerk na het andere werd bestormd. Anarcho-syndicalisten, wier leven in de strijd tegen Franco was gespaard, vielen door de kogels van de aanhangers van Stalin.

De strijd duurde van 6 tot 13 maart. Hij eindigde met de volledige nederlaag van de communisten. De afloop van de strijd heeft bewezen, dat het communisme in Spanje, ondanks de hulp en de wapenleveranties van de Sovjet-Unie, een minderheid was gebleven. Zelfs in hun bolwerk Madrid, waar de communisten de socialistische vakorganisaties voor hun standpunt hadden gewonnen, waren zij niet bij machte zich tegenover de anarchisten en de syndicalisten te handhaven.

Het neerslaan van de communistische opstand had de laatste krachten van het antifascisme uitgeput en bespoedigde de ondergang van de republiek. De communistische bevelhebbers hadden de loopgraven verlaten om zich te scharen aan de zijde van hun partijgenoten in de strijd tegen het verdedigingscomité. De troepen waren aan zichzelf overgelaten. Bij duizenden maakten zij van de gelegenheid gebruik, zich straffeloosheid te verzekeren door naar Franco over te lopen. De ontbinding van het front betekende het staken van de vijandelijkheden en het einde van de burgeroorlog.

De levensmiddelenvoorziening van Madrid was catastrofaal. De socialist Trifón Gómez werd naar Parijs gestuurd om van Negrin de beschikking over de aangekochte levensmiddelen te verkrijgen en nieuwe levensmiddelen in te kopen. Het bleek niet mogelijk van Negrin iets gedaan te krijgen. Nu hij niet meer aan de macht was, scheen bij zijn belangstelling voor zijn volk te hebben verloren.

De bevolking van Madrid werd de strijd moede. Zij wilde eindelijk bevrijd worden van de angst en de ellende, de ontberingen en het luchtgevaar. De vurige wens naar vrede vervulde aller harten.

Het verdedigingscomité stelde een deel van de schaarse transportmiddelen ter beschikking van de overwonnen communisten om naar de kust te kunnen gaan en het land per schip te verlaten. De communisten die niet aan de gewapende strijd hadden deelgenomen, waren niet gearresteerd. De lokalen van de communistische partij werden niet gesloten. De achtergebleven communisten gaven een vlugschrift uit, waarin zij verklaarden, het verdedigingscomité niet te willen bestrijden, maar vurig naar de vrede te verlangen.

De bevolking verwachtte van het verdedigingscomité, dat het stappen zou doen om tot vredesonderhandelingen te komen. Franco had gedurende de straatgevechten in Madrid niet ingegrepen. Hij liet zijn tegenstanders elkander vernietigen. Hij was zeker van de overwinning en kon zijn manschappen en zijn kruit sparen. Van de stemming onder de bevolking in de republikeinse zone was hij nauwkeurig op de hoogte. Hij wachtte af. Het definitieve einde van de burgeroorlog was een kwestie van enkele dagen.

Op 20 maart stelde het verdedigingscomité in het openbaar aan Franco voor de strijd te staken. De fascisten eisten onvoorwaardelijke onderwerping. Het verdedigingscomité zond per vliegtuig twee afgevaardigden naar de regering van Franco in Burgos. Franco had de voorwaarden van overgave in acht punten geformuleerd. Het verdedigingscomité deed tegenvoorstellen en men begon te onderhandelen. Na enkele uren brak Franco de onderhandelingen af. Later bleek, dat Mussolini en Hitler hem hadden geadviseerd geen concessie te doen. De onderhandelaren vlogen naar Madrid terug. Franco bleek niet bereid de republikeinen vrije aftocht te verzekeren. Ook weigerde hij het leven en de vrijheid van vooraanstaande antifascisten te garanderen.

Met het aannemen van de voorwaarden van Franco zou het verdedigingscomité zichzelf hebben prijsgegeven. Franco verlangde dat alle antifascistische strijders zich op genade of ongenade zouden overgeven. Het comité besloot de strijd voort te zetten. Men bereidde zich voor op de eindstrijd. Op 27 maart vond een conferentie van de vrijheidslievende beweging plaats, waaraan werd deelgenomen door vertegenwoordigers uit het gehele republikeinse gebied, voor zover zij transportmiddelen hadden kunnen vinden om de bijeenkomst te bereiken. Op deze conferentie werd besloten een laatste poging te wagen. Met de nog beschikbare vliegtuigen zouden miljoenen strooibiljetten over het fascistische gebied worden uitgeworpen met een oproep tot opstand tegen Franco. De anarchisten verklaarden zich bereid een guerrillaleger van 10.000 man te organiseren en over de gebergten in het gehele land te verdelen. De strijd zou naar oud Spaans gebruik als “Guerrilla”, d.w.z. als “kleine oorlog” worden voortgezet.

De genomen besluiten waren niet meer uit te voeren. Het front was ontbonden. In de loopgraven voor Madrid kwam het tot verbroedering tussen de republikeinse en de fascistische soldaten. Aan beide zijden bestond sedert bijna twee jaar de meerderheid van de soldaten uit rekruten, die op grond van dienstplicht in het leger waren ingelijfd, De soldaten kwamen uit hun schuilplaatsen te voorschijn, omarmden elkander en noemden elkander wederkerig “rode” en “fascistische” kameraad. Zij gingen gearmd naar de cafés van Madrid om onder een glas wijn het einde van de oorlog te vieren.

Tegenover deze mentaliteit was het voor het verdedigingscomité niet langer mogelijk het verzet te organiseren. De oorlog was definitief verloren. De leden van het verdedigingscomité moesten aan hun eigen veiligheid gaan denken. Zij verlieten Madrid op 29 maart. De nacht daarop rukten de fascisten Madrid binnen. Op 30 maart hield Franco zijn feestelijke intocht in de hoofdstad.

Niet alle antifascisten hadden Madrid kunnen of willen verlaten. De oude professor Juan Besteiro bijvoorbeeld bleef achter. Hij werd tot dertig jaar veroordeeld en stierf in de gevangenis. De anarchisten Melchor Baztan en Manuel Amin werden onmiddellijk doodgeschoten, evenals de socialistische burgerlijke gouverneur van Madrid, Javier Bueno, en de overste Ortega. Generaal Aranguén, een oprecht republikein, viel eveneens onder de kogels van een executiepeloton. Zijn laatste woorden waren: “Door Franco doodgeschoten te worden is de laatste dienst die ik mijn land en mijn volk kan bewijzen.”

Een romantische dood stierf de Madrileen Mauro Bajatierra, vegetariër, aanhanger van Tolstoj en voorstander van geweldloosheid.

Bij het uitbreken van de burgeroorlog - hij was toen in de vijftig - sloot hij zich bij de confederale militie aan. Toen het fascistische leger paraderend Madrid binnentrok, schoot Bajatierra vanuit zijn woning op de voorbijmarcherende officieren. Bajatierra werd naar buiten gehaald en ter plaatse doodgeschoten. Dit was overeenkomstig hetgeen hij wenste. Nu Madrid in handen van de fascisten was, had het leven voor hem geen waarde meer.

Door geheel Centraal-Spanje bewoog zich een grote massa vluchtelingen in de richting van de kust. De Franse rederij “Mid Atlantic” had beloofd schepen voor hen ter beschikking te stellen. Er werd verteld, dat onder Alicante met toestemming van de Italiaanse legioenen een neutrale zone voor vluchtelingen zou worden gemaakt. Tegen achtduizend antifascisten hadden zich met vrouwen en kinderen naar Alicante begeven. De quakers en het internationale hulpcomité voor hulpverlening aan het republikeinse Spanje voorzagen de vluchtelingen van het allernodigste. Beide organisaties verzekerden, dat de schepen voor Alicante het anker zouden uitwerpen en dat de vluchtelingen Spanje onder bescherming van de Franse vlag zouden kunnen verlaten.

De schepen kwamen niet. Maar wel de gemotoriseerde Italiaanse divisie Littori. Zij had van Mussolini opdracht gekregen de kust “van vijanden te zuiveren.” Zij richtte machinegeweren op de vluchtelingen. Allen moesten zich binnen twee uur onder het inleveren van alle wapenen onvoorwaardelijk overgeven. De Franse consul en de vertegenwoordigers van het internationale hulpcomité herhaalden hun verzekeringen, dat de schepen onderweg waren. De vluchtelingen deden afstand van hun wapenen. Maar er kwam geen schip. Wel verscheen er twee dagen later een Spaans oorlogsschip van Franco voor de haven. Het richtte zijn batterijen op het kamp. Alle vluchtelingen vielen in handen van Franco.

Van de gevangengenomen antifascisten werden honderden doodgeschoten. Duizenden kwamen in concentratiekampen, waar velen door ondervoeding en de ongunstige levensomstandigheden zijn gestorven.

Franco had slechts met behulp van Hitler en Mussolini kunnen overwinnen. Beide dictatoren meenden, dat een fascistisch Spanje zich in de komende wereldoorlog aan hun zijde zou scharen. De overwinning in Spanje had hun weg vrijgemaakt.

Zes maanden later brak de Tweede Wereldoorlog uit. Zes jaar daarna waren Hitler en Mussolini verslagen. Maar Franco, die door hun hulp aan de macht is gekomen, heeft nog heden het heft in handen. Spanje is de laatste toevlucht voor het totalitarisme in West-Europa.

  1. De lokalen van de Spaanse c.n.t. zijn niet de bureaus van de vakverenigingbestuurders, maar de gebouwen, waar de actieve arbeiders, de “militanten” elkander na afloop van de dagelijkse arbeid treffen, om er de toestand van de dag met elkander te bespreken, het initiatief te nemen tot maatregelen, de kranten te lezen of, voor zover zij analfabeet zijn, zich die te laten voorlezen en er kennis te nemen van de revolutionaire en wetenschappelijke lectuur, die zij in hun bibliotheken verzameld hebben. Deze lokalen, die steeds het brandpunt waren van de activiteit, werden herhaaldelijk door de politie gesloten. De arbeiders konden elkander dan slechts treffen in verschillende cafés waarvan de eigenaars meermalen een zo grote sympathie voor de c.n.t. en voor het anarchisme hadden, dat zij de arbeiders ontvingen zonder dat deze verplicht werden verteringen te maken. (Noot van de vertaler) **

2. Met dit Spaanse woord, dat letterlijk “uitspraak” betekent, worden in Spanje en Zuid-Amerika oproerige bewegingen tegen de regering, meestal door het leger, aangeduid. (Noot van de vertaler)

3. Deze mensen verhuren zich als arbeiders met hun ossen, muilezels of paarden aan de landeigenaren.

4. De anarchistische federatie van het Iberische schiereiland: Federación Anarquista Iberica

5. De eenheidspartij van marxistische arbeiders, een trotskistische partij.

6. Hetzelfde geldt ook voor de hedendaagse Nederlandse sociaal-democraten, terwijl ook de Engelse Arbeiderspartij niet marxistisch kan worden genoemd.

7. Een comunero is een medebezitter van een huis of een landgoed, iemand die aandelen heeft in het gemeenterecht en ook een aanhanger van de opstandbeweging onder Karel V.

8. In de oogsttijd van 1937 reden wij met Fenner Brockway, de leider van de onafhankelijke arbeiderspartij in Engeland, in een auto door de sinaasappelplantages van de provincie Valencia. Fenner wilde enige sinaasappelen kopen. Wij verkopen de sinaasappelen niet, zeiden de boeren. Is het dan niet mogelijk in een sinaasappelplantage sinaasappelen te verkrijgen? Zoveel u maar wilt, maar niet tegen betaling, was het antwoord. Brockway kreeg daarop ongeveer 50 kg sinaasappelen ten geschenke. Pogingen om er iets voor te betalen hadden geen resultaat. Wanneer wij in Barcelona komen, zeiden de boeren, kunt u ons iets geven uit de overvloed van Uw eigen producten. Deze boeren hadden het vrijheidslievende communisme ingevoerd.

9. Op het voorbeeld van de syndicalisten werden ook door socialisten en communisten bedrijven gecollectiviseerd, maar hun aantal was gering.

10. In het begin van augustus 1936, veertien dagen na het uitbreken van de opstand, was ik in opdracht van de c.n.t. en van het antifascistische militiecomité in Catalonië met een Spaanse kameraad naar Parijs gegaan om de hulp in te roepen van de Franse vakorganisaties en van de socialist Leon Blum. Toen wij tezamen met Jouhaux, de algemeen secretaris van de Franse c.g.t. in huize Matignon, waar de Franse regering haar zetel had, op Leon Blum wachtten, verklaarde een vertegenwoordiger van de Franse generale staf, die uitgenodigd was om aan de bespreking deel te nemen, dat de overwinning van Franco voor Frankrijk een gevaar zou betekenen, aangezien verwacht mocht worden, dat Franco zich in een Tweede Wereldoorlog aan de zijde van Hitler zou stellen. Hij was, zo verklaarde deze officier van de generale staf geenszins een vriend van de Spaanse anarchisten, maar hij beschouwde een Spaanse volksfrontrepubliek voor Frankrijk een betere buur dan een fascistisch Spanje. Op grond van deze overweging bepleitte hij de ondersteuning van de Spaanse republiek door Frankrijk.

11.In deze tijd verscheen Ludwig Renn aan de Spaanse grens en verlangde in het land te worden toegelaten. Iemand van de grenswacht begeleidde hem naar Barcelona en bracht hem bij mij in het regionale comité van de c.n.t. Het was op een zaterdagmiddag. Ik had hem weer naar Frankrijk kunnen terugsturen of hem zelfs kunnen laten arresteren, zoals men in de Sovjet-Unie met een anarchist zeker zou hebben gedaan. Ik gaf Ludwig Renn echter een lesje in anarchistische vrijheid en stuurde hem naar Hotel Colón, waar de communistische partij zetelde. Een jaar later floreerden de communistische wervingsbureaus in Frankrijk. Toen ik voor een opdracht in Parijs vertoefde kwamen drie syndicalisten uit mijn geboorteplaats Rabitor bij mij met het verzoek hen mee te nemen naar Spanje. Zij waren uit Hitler-Duitsland gevlucht en wilden met hun Spaanse geestverwanten tegen het fascisme strijden. Ik moest nog dezelfde dag naar Barcelona terug en had geen tijd hun de vereiste papieren te bezorgen. Ik gaf hun de raad mij in Barcelona op te zoeken, opdat ik de zaak voor hen in orde zou kunnen maken. Zij zagen geen andere mogelijkheid dan via een communistisch wervingsbureau in Spanje te komen. Het was hun bedoeling zich in Barcelona met mij in verbinding te stellen. Zij reisden met een groep communisten en mochten in Barcelona het station niet verlaten. Zij werden regelrecht naar Albacete gestuurd. Daar is een van hen wegens zijn anticommunistische gezindheid - zogenaamd wegens ondisciplinair optreden - door de communisten doodgeschoten. De tweede sneuvelde in de strijd tegen Franco. De derde werd krijgsgevangene van Franco en na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog met andere lotgenoten naar Duitsland gebracht, waar hij tot het einde van de oorlog in een concentratiekamp heeft gezeten. Nadat hij door de Amerikanen was bevrijd, schreef hij mij de bovenstaande inlichtingen. Op het ogenblik woont hij in Lübeck.

12.Owtsjenko is later bij de grote zuivering in Moskou terechtgesteld. Hij werd er o.a. van beschuldigd in Barcelona te vriendelijk tegenover de anarchisten te zijn geweest.

13. Een medewerker van de Nieuwe Rotterdamse Courant in Madrid heeft in het nummer van dit blad van 2 november 1955 medegedeeld, dat Moskou over 400 miljoen dollar goud uit Spanje beschikt, dat tijdens de burgeroorlog naar Odessa is verscheept. Dit was viervijfde van het Spaanse bezit aan goud in 1938, terwijl de Spaanse goudvoorraad op het ogenblik slechts 116 miljoen dollar bedraagt.

14. (1) Prieto deelt dit mede in zijn geschrift Hoe en waarom ik het ambt van minister van Oorlog heb neergelegd. Zugazagoitia is na de bezetting van Frankrijk door Hitler aan Franco uitgeleverd en in hun nota wezen de anarchisten op het eigenaardige feit, dat de vermoorde soldaten en officieren bijna altijd leden waren van de c.n.t. of de f.a.i. en de moordenaars steeds leden van de communistische partij. Een officier van de 153ste brigade, die van 19 juli 1936 af aan de zijde van de republiek had gestreden werd door een communistische patrouille gearresteerd. Na een verhoor in de communistische kazerne werd hij met andere gearresteerde soldaten naar Pons gebracht. Men zei hun, dat zij in vrijheid werden gesteld, maar zich voortaan loyaal tegenover de communisten moesten gedragen. Zij werden in een vrachtauto gezet, zogenaamd om naar hun legerafdelingen teruggebracht te worden. De soldaten behoorden tot de 26ste divisie van de voormalige colonne Durruti. Achter de vrachtauto reed een bewakingsauto onder bevel van een communistische officier. Plotseling werd er vanuit deze auto met machinepistolen op de vrachtauto geschoten. De officier van de 153ste brigade sprong uit de auto en wierp zich op de grond. Onmiddellijk daarna vielen de andere gevangenen op de weg. De bezetting van de bewakingsauto steeg uit om zich ervan te vergewissen, of de gevangenen werkelijk dood waren. Zij bemerkten niet, dat een van hun slachtoffers leefde. Toen zij vertrokken waren, begaf de officier zich te voet naar Barcelona. Deze moord werd gepleegd dicht bij de rivier Mollerusa. De officier bracht over het gebeurde verslag uit aan de militaire afdeling van de f.a.i. Het verslag werd schriftelijk vastgelegd en onder vermelding van andere soortgelijke misdaden aan de minister-president voorgelegd. Negrin weigerde de schuldigen ter verantwoording te roepen. De f.a.i. eiste een paritair samengestelde commissie van onderzoek om het verleden van alle vooraanstaande leden van de antifascistische partijen en organisaties te controleren en elementen met een fascistisch verleden uit te schakelen. De communisten waren tegen een dergelijke commissie, omdat zij bevreesd waren voor de resultaten. Talrijke fascistische elementen hadden zich na de 19de juli een antifascistisch alibi verschaft door tot de communistische partij toe te treden. Ook het voorstel van de anarchisten om een onderzoek in te stellen naar het afzetten van bekwame militaire bevelhebbers en naar de militaire geschiktheid van de in dienst zijnde militaire commandanten werd door de communisten afgewezen. Het resultaat zou in beide gevallen een vernietigende slag voor de communisten zijn geweest. Begin december 1938 werd het offensief van Franco tegen Barcelona verwacht. Het was duidelijk, dat het verlies van Catalonië de nederlaag van de republiek zou betekenen. De verzetsgeest van de bevolking en ook in het leger was in de laatste maanden ten gevolge van de militaire nederlagen in ernstige mate verzwakt. De f.a.i. stelde maatregelen voor om de verzetsgeest aan te wakkeren. De voornaamste eis was de afzetting van Rojo, de opperbevelhebber. Rojo had twee jaar aan het hoofd van de militaire operaties gestaan en geen enkele overwinning behaald. Zijn onbekwaamheid was overtuigend gebleken. Ook de afzetting van de communistische overste Camacho, de onderstaatssecretaris van de luchtmacht, en van de communistische overste Cordón werd geëist. Zij waren de voornaamste verantwoordelijken voor de noodlottige communistische politiek in het leger. Hun afzetting zou met één slag een einde hebben gemaakt aan de bolsjewistische overmacht. Het voorstel van de f.a.i. werd voorgelegd aan het comité van de volksfrontpartijen, bij welk comité alle antifascistische partijen en organisaties waren aangesloten. Het stond aan de spits van het antifascistische Spanje. Door energiek op te treden had het zijn wil aan Negrin kunnen opleggen. De afzonderlijke groepen in het comité hadden het recht van veto. Daarvan maakten de bolsjewiki een ruim gebruik. Zij stemden het voorstel van de anarchisten af. De overige organisaties en partijen waren het innerlijk met het anarchistische voorstel eens, maar zij misten de moed kleur te bekennen. Uitschakeling van de communisten had het noodlot wellicht nog kunnen keren. In het leger en onder de burgerbevolking zou een nieuwe strijdgeest zijn ontbrand en het buitenland zou voor een van de bolsjewiki bevrijd Spanje meer sympathie hebben gehad. Door gebrek aan burgermoed bij de socialisten en republikeinen was de laatste poging van de anarchisten tot redding van de republiek veroordeeld schipbreuk te lijden. Negrin en zijn bolsjewistische kliek kon nu nog slechts met geweld verwijderd worden. Zonder een opstand binnen het volksfront tegen de regering zou het niet mogelijk zijn geweest. Franco stond reeds in de Catalaanse provincies. Met het oog op de militaire situatie wilden de anarchisten de historische verantwoordelijkheid voor een breuk in het volksfront en het gebruiken van geweld niet aanvaarden. Rojo bleef, de onbekwame bolsjewistische bevelhebbers bleven. De bevolking van Catalonië had het laatste vertrouwen in de republikeinse legerleiding verloren. Franco opende het offensief. De beslissing naderde en het noodlot nam zijn weg.

15. In Barcelona is het goed, als de beurs klinkt. Maar of zij klinkt of niet klinkt, in Barcelona is het goed.

16. De schrijver van dit boek is na de val van Barcelona naar Frankrijk gegaan en niet meer in Spanje teruggekeerd. Hetgeen hier volgt over de gebeurtenissen tussen 29 januari en 30 maart 1939 is in hoofdzaak aan het geschrift van Garcia Pradas ontleend.

17. De schrijver van dit boek is na de val van Barcelona naar Frankrijk gegaan en niet meer in Spanje teruggekeerd. Hetgeen hier volgt over de gebeurtenissen tussen 29 januari en 30 maart 1939 is in hoofdzaak aan het geschrift van Garcia Pradas ontleend.

18.

Laatste inzendingen

Loading...