Titel: Nieuwenhuis, Ferdinand - De algemene werkstaking van 1903 – wat zij was en wat zij ons leert
Ondertitel: Een beschouwing van de aprilbeweging
Onderwerpen: 1903, stakingen

Ferdinand Domela Nieuwenhuis

De algemene werkstaking van 1903 – wat zij was en wat zij ons leert

Een beschouwing van de aprilbeweging

 

Bron: brochure L. De Boer, Leliestraat 107, Amsterdam

Transcriptie: Rick Denkers

Deze versie: spelling

HTML en contact: Adrien Verlee, voor het Marxists Internet Archive

Laatste bewerking: 03 maart 2010

 

De algemene werkstaking is de ‘algemene krankzinnigheid’ (Auer), is een utopie, een droombeeld, het uitwas van een ziekelijke fantasie, een ‘anarchistisch avontuur’ – ziet daar enige benamingen, die er aan gegeven worden en na de werkstaking van het voorjaar 1903 en haar droevig uiteinde regent het smalende woorden en scheve oordeelvellingen daarover. Door hen, die eraan mee gedaan hebben, wordt zij nu genoemd een dwaasheid en er wordt gesproken van een “belachelijk fiasco” (mevr. Roland Holst in de Neue Zeit). Toch is het nodig eens en voor altijd te constateren dat hierheen sprake is geweest van een mislukking, daarvoor heeft men haar niet eens de tijd gelaten. Immers wanneer kan er gesproken worden van mislukking?

Alleen dan wanneer men door een nederlaag het onderspit heeft gedolven.

Kan dat hier gezegd worden?

Op 9 april werd de algemene werkstaking geproclameerd en in de nacht van 9 op 10 april reeds werd zij opgeheven. Toen de arbeiders dit vrijdagochtend 10 april bij hun ontwaken hoorden, wilden zij het niet geloven. Zij stonden als door de bliksem getroffen. Niemand wist er eigenlijk een verklaring van te geven en de stemming onder de arbeiders was bitter. Men mag het geloven of ontkennen, als een paal boven water moet het feit worden – geconstateerd, dat hetzij hardop met een vloek, hetzij fluisterend het woord ‘verraad’ werd genoemd en allen zochten het verraad in dezelfde richting, allen zeiden: de sociaaldemocraten hebben ons verraden! Wie durft dit ontkennen?

En geen wonder! Men had geen slag geleverd! Men had zich nog niet met elkaar kunnen meten! Er was geen tijd geweest om zelfs de uitwerking van de proclamatie te kunnen zien. Want het is zeer begrijpelijk dat enkele dagen nodig zijn om die uitwerking in het land te bespeuren, te meer daar de gemeenschapsmiddelen van de stakers zo gebrekkig waren. In Rotterdam wilde men het niet geloven en in een proclamatie, ondertekend door P. J. Helsdingen en L. M. Hermans, beiden sociaaldemocraten, werd het bericht van de opheffing verklaard te zijn een gemeen, leugenachtig bericht, dat door de tegenpartij verspreid werd om haar te doen mislukken. En men hield zelfs de staking in die stad de gehele vrijdag vol.

Nee, wat was hier gebeurd?

Men werd gestuit in zijn vaart nog vóórdat het tot een treffen kwam en zodoende werd verwarring gebracht in de gelederen. En welk leger kan, als er eenmaal paniek is gebracht, de nodige kalmte herkrijgen om verder te handelen?

Nu is de vraag, wie die verwarring bracht?

Dat waren zeer duidelijk de sociaaldemocraten.

Daartoe is het nodig te weten wat er op die donderdag gebeurd is. Toen waren de zogenaamde dwangwetten van de regering door de Tweede Kamer aangenomen. Men verwachtte dat de Eerste Kamer ze vrijdag zou aannemen en dat zij diezelfde avond nog in de Staatscourant getekend zouden staan, zodat zij dadelijk van kracht waren. Nu is het gedaan – zo hoorde men algemeen door de sociaaldemocraten zeggen. En men durft het eens ontkennen, dat verschillende diamantwerkers op de vrijdagmorgen spottend en met leedvermaak de anarchisten toeriepen: “nu, waar blijven jullie nu met je algemene werkstaking? Het is immers onzin! Nu moet je wel met ons de politieke weg op. Het economische wapen helpt niets!”

Bij zeer velen zat ook de vrees voor de gevangenis erin, zoals blijkt uit Pothuis, secretaris van de ABB die de vrijdag door Ebeling gevraagd om ’s avonds te spreken voor de gemeentewerklieden, omdat men geen spreker had, ten antwoord gaf: “ik zou je danken, want dan heb ik alle kans dat ik vanavond in de kast zit.”

Mevr. Roland Holst spreekt het in de Neue Zeit openlijk uit: “de staking van de spoorwegarbeiders moest vóór zaterdag helemaal geëindigd zijn, zouden niet allen die er deel aan namen, alle stakers, alle leden van het landelijke en plaatselijke comités van verweer, allen die ten gunste van de beweging hadden gesproken of geschreven, veeljarige gevangenisstraffen oplopen”. Dus de vrees zat hier voor. Verbeeldt u dat de officieren vóór het aangaan van de slag in krijgsraad verzameld, besluiten hem maar liever niet aan te gaan uit vrees dat velen gedood zouden worden en anderen krijgsgevangenen gemaakt. Is het niet te dwaas om van te spreken? Officiers, die in oorlogstijden gehandeld hadden als de leden van het landelijk comité, zouden de kogel niet ontgaan zijn.

In elk geval waren zij het die de verwarring stichtten en wanneer het woord “verraad” hier gebruikt wordt, dan is het in deze zin. Gesteld dat de Transvalers en Vrijstaters – twee verbondenen in de Zuid-Afrikaanse oorlog evenals in deze aangelegenheid sociaaldemocraten en anarchisten als bondgenoten optrokken – gezamenlijk optrekken tegen de Engelsman en op een gegeven ogenblik zonder enige voorafgaande waarschuwing, houdt de ene partij op en zegt: wij gaan niet verder. Het gevolg daarvan is verwarring, zodat ook het andere gedeelte nu niet verder kan gaan en de strijd moet opgeven. Wat zou men nu wel zeggen van deze bondgenoot die zo handelde?

Geen twijfel of men zou spreken van verraad. Nu precies hetzelfde is hier geschied. De ene partij, de sociaaldemocraten, meent dat het uit is na de aanneming van de wetten. Dit is openlijk erkend door Troelstra, Vliegen, mevr. Roland Holst. Maar de andere partij wist daar niets van. In geen van de vergaderingen is ook maar met een enkel woord gekikt over de mening, dat het uit zou zijn na de aanneming van de wetsontwerpen. Zelfs is er sprake van geweest, om de algemene werkstaking pas te beginnen na de aanneming van de wetten. Daarom het verraad staat vast, want als de ene partij zonder voorafgaande kennisgeving de andere op een gegeven ogenblik in de steek laat, dan noemt men dat – en terecht – verraad. Dit nu deden de sociaaldemocraten en daarom zijn zij de verraders. En als er een commissie tot onderzoek benoemd is, dan geschiedde dit niet om deze zaak te onderzoeken want dat hoeft niet meer, daar het immers erkend is, maar wel om te zien of men ook bepaalde verraders op het spoor kon komen.

Het eigenaardige is dat Troelstra, die de algemene werkstaking een “anarchistisch avontuur” noemde, zelf de man is geweest die dat anarchistisch avontuur uitbroeide. In dat opzicht staat Oudegeest veel sterker, want hij is er altijd tegen geweest en zijn onvergeeflijke fout is alleen deze, dat hij als beslist tegenstander voorzitter bleef van het Comité van Verweer, de algemene werkstaking mede proclameerde en plechtig beloofde als het zover kwam, ondanks zijn eigen mening daarvoor met hart en ziel te werken.

Het was op de vergadering van de Ned. Vereniging van Spoor- en Tramwegpersoneel van 11 januari 1903, dat Oudegeest als voorzitter deze woorden sprak (zie het Volk van 13 januari): “langs de weg van de vakactie alleen kan het spoorwegpersoneel niets bereiken. We zouden niets anders kunnen doen dan adresseren of ... staken. Aan het laatste is echter, behoudens voor een enkel klein maatschappijtje, in de eerste tijd niet te denken”.

Hij meende dan ook die vereniging te moeten drijven op de politieke weg en dat “het er voor hen heel wat beter zou uitzien indien er in de kamer meer mensen zaten, die als Melchers c.s. optraden voor de spoorwegarbeiders” en noemde “het eventueel daarvoor uitgegeven geld uitmuntend besteed.”

De zesde januari breekt er een staking uit onder het spoorwegpersoneel, niet van een enkel klein maatschappijtje, maar van de beide grote spoorwegmaatschappijen, zo onverwachts, zo spontaan dat zij zelfs het hoofdbestuur overviel. Als dus ooit een profeet in een korte spanne tijds gelogenstraft werd, dan is dit het geval geweest met Oudegeest. Deze werkstaking, begonnen uit solidariteit met de stakende transportarbeiders en geëindigd met een schitterend succes, leerde dus overtuigend dat langs de weg van de vakactie alleen het spoorwegpersoneel schitterende resultaten kon verkrijgen. En nu werden dezelfde mannen, die geen heil zagen instaken, plotseling overmoedig. Er was sprake van, althans de pers drong er op aan, dat de regering door een wet zorg zou dragen om een herhaling te voorkomen.

En wat deed nu het hoofdbestuur?

Ondertekend door Oudegeest en Petter verscheen er een missive waarin gedreigd werd, dat als de regering zulke wetten durfde indienen, de spoorwegvereniging dit zou beantwoorden met een staking, zodat de kamerleden niet eens ter beraadslaging konden opgaan naar Den Haag. Als er ooit een dom stuk de wereld is ingezonden, dan kan dit getuigd worden van dit stuk. En het wordt vermakelijk om in een artikel van Oudegeest in de Nieuwe Tijd te lezen: “het durven, tot waaghalzerij, is eigendommelijk en het sterkst sprekende bij die categorieën van arbeiders, welke nog pas de steun voelen van enkele anderen in hun omgeving, zodat ze al zeer spoedig geneigd zijn te geloven de wereld te kunnen veroveren door hun stoutmoedigheid, waarbij maar al te veel het gemis aan kracht en bovenal, de sterkte van de vijand wordt over het hoofd gezien”.

En wanneer hij als algemene regel stelt voorzichtigheid, “een deugd, welke in de Nederlandse arbeidersbeweging vrijwel onbekend is”, dan schijnt hij te vergeten dat hij zelf op de roekelooste wijze gezondigd heeft tegen deze regel en dus allerminst gerechtigd is als zedenmeester tegenover anderen op te treden! Juist hij immers was het – die proclamatie bewees het – die de grootste onvoorzichtigheid beging, die denkbaar was, juist hij toonde tot dat soort mensen te behoren, die nu plotseling alles meenden te kunnen bereiken en oppermachtig in de staat de lakens uit te delen. Men heeft het een “idiote” proclamatie genoemd en terecht! – en als men dan zo iemand die doorslaande bewijzen van onbekwaamheid heeft gegeven, hoort praten over de bekwaamheid, nodig om een vakvereniging te leiden en bruikbaar te zijn voor zijn taak, dan zouden we menen dat de spoorwegvereniging krachtens de opgedane ervaring verstandig zal doen, Oudegeest wegens gebleken bewijzen van onbekwaamheid voortaan buiten de leiding van haar zaken te houden. Bovendien Oudegeest is geen arbeider, hij is ambtenaar, hij is dus niet de aangewezen man voor zulk een werk. Het was een domheid om de leiding van spoorwegarbeiders te geven aan een ambtenaar. Het was een domheid ambtenaren in de vereniging op te nemen, want de belangen van de spoorwegarbeiders en van de ambtenaren zijn niet hetzelfde.

Die domme onvoorzichtigheid van Oudegeest heeft al wat kwaad gebrouwen. Zij heeft ongetwijfeld meegewerkt tot de oproeping van de twee lichtingen, zij heeft de regering geprikkeld lot spoedig handelen, tot krachtdadige maatregelen. Wij willen niet alle fouten bespreken die gemaakt werden, maar het is merkwaardig dat geen enkel van de fouten, door mevr. Roland Holst en Oudegeest voor de mislukking aangegeven, iets pleiten tegen de algemene werkstaking. De eerste noemt als oorzaken: gebrekkige economische organisatie, onvoldoende voorbereiding en leiding, gering politiek bewustzijn. Oudegeest schrijft de mislukking toe aan:

1° gebrek aan kracht van de vakbeweging;

2° gebrek aan inzicht;

3° gebrek aan organisatievermogen;

4° gebrek aan leiding van de vakbeweging;

5° gebrek aan kennis bij de leiders van de vakbeweging.

Immers wanneer dit alles waar is, dan zou hieruit de consequente conclusie zijn, dat men al die gebreken moet zien te verhelpen door grotere kracht van de vakbeweging, door meer inzicht erin, door meer organisatievermogen, door betere leiding en meer kennis. Maar wat heeft men nu aangevoerd tegen de algemene werkstaking als beginsel?

Niets, absoluut niets!

En toch trekt men nu van sociaaldemocratische zijde te velde tegen de algemene werkstaking als ware zij een dwaasheid en domheid.

Wat mag toch wel de reden hiervan zijn?

Wel, de sociaaldemocraten zeggen wel voor de vakbeweging te zijn, maar in waarheid zijn zij het niet, tenzij deze hen helpt in de politieke strijd. En dat kan niet anders krachtens hun beginsel. Zij voeren de politieke strijd als hoofdzaak. Bij hun vergelijking dat de politieke en economische actie de twee armen zijn waarmee men vecht en die men beiden nodig heeft, vergeten zij dat als zij waar is juist de ondergeschiktheid van de ene arm aan de anderen door gebrek aan oefening aantoont, hoe zij de ene als hoofdzaak en de anderen als bijzaak beschouwen. De politieke actie is de rechterarm die van jongs af aan geoefend wordt en de economische de linkerarm, die ongeoefend blijft en daarom alleen nut doet als steun van de eerste, maar niet in staat om dezelfde arbeid te verrichten.

Eigenlijk hebben zij drie wapenen, namelijk: de politiek, de vakbeweging en de coöperatie. Maar in welke verhouding staan zij tot elkander? Wel, de vakbeweging mag de stemmen bezorgen, de coöperatie moet de centen leveren en dan zal de politieke vereniging wel zo vriendelijk zijn om de voogden te verschaffen, die in de wetgevende lichamen de leiding over de arbeiders op zich nemen. Soms neemt men ook een vakmannetje, om zo de vaklui te lijmen, maar in hoofdzaak houdt men de leiding in eigen handen.

Wat zouden de politiekers ook doen, als de vakorganisatie op eigen benen stond en machtig genoeg was alles ter hand te nemen? Zij zou de productie, de arbeid, de verdeling regelen. En dus het politieke lichaam, de kamer, zou blijken het vijfde rad aan de wagen te zijn. De vraag rijst dus bij deze heren: en waar zouden wij dan heen? waar wij blijven?

Het is daarom dat zij een onafhankelijke vakorganisatie met lede ogen aanzien. Terecht zei een vakman: maar de sociaaldemocraten moesten wel tegen het gelukken van de algemene werkstaking zijn, want als zij slaagde, dan zagen de arbeiders maar al te goed de hele overbodigheid van de politieke actie in. En de gedachte ligt voor de hand, dat zij de mislukking in hun ziel met vreugde begroet hebben – niet allen, dat zij verre! maar de kopstukken! – om daaruit een argument te putten tegen de economische actie en te zeggen: ziet ge wel hoe gij gedwongen bent ons te helpen in de politieke strijd! Daarom kunnen zij Kuyper en de regering dankbaar zijn, want deze waren het, die hen hielpen in hun strijd. Immers wat deed de regering? Zij trachtte de arbeiders het economische wapen uit de handen te slaan en wat bleef hun dan over? Het politieke. Kuiper heeft dus met zijn wetten gewerkt, als ware hij een sociaaldemocraat!

De algemene werkstaking zit dus de sociaaldemocraten dwars in de maag, omdat als zij slaagt hun hele appelenkraampje op straat uit elkaar valt. Onvergeeflijk is het dan ook én van Oudegeest én van Troelstra én van mevr. Roland Holst én van alle sociaaldemocraten die zo dachten, om mee te doen aan zo’n algemene staking, die zij eigenlijk afkeurden, die zij beschouwden als een anarchistisch avontuur. Immers wie niet met hart en ziel meedoet, die geeft zich niet geheel aan een zaak. En daarom verwondert het ons niet dat een Oudegeest in plaats van kracht en moed in de beweging te blazen, ontmoedigend werkte en geneigd was de zwarte, de donkere zijde meer te zien dan de lichtzijde. Hoe bespottelijk bijvoorbeeld is zijn bewering, dat toen er nog treinen reden na het uitroepen van de staking, in zijn ogen de zaak verloren was! Maar was hij dan zo onnozel om ook maar één ogenblik te onderstellen dat er helemaal geen treinen zouden rijden? Was hij zo dom om te onderstellen dat de tegenpartij twee volle maanden stil zou hebben gezeten zonder zich voor te bereiden? Wij kunnen ons niet voorstellen hoe iemand, die op hoge toon spreekt over de vakbeweging hier te lande, zulk een enormiteit verkondigt, waarvan de bespottelijkheid een ieder in het oog moet springen. Men wist dat alles tegen was. Men wist hoe er gewerkt werd door kapitaal en kerk. Men wist hoe ordebonden en dergelijke verenigingen als paddenstoelen uit de grond schoten. Men wist hoe geen enkel middel ontzien zou worden om de arbeiders een geduchte nederlaag toe te brengen. En dus men wist ook dat er in elk geval treinen zouden lopen. Neemt men dit alles in aanmerking, bedenkt men dat twee maanden lang geïntrigeerd en gewerkt was op alle mogelijke en onmogelijke wijzen, dat de soldaten op waren gekomen en klaar stonden, dan staat men verbaasd over de kracht van de vakbeweging, die trots dat alles in staat was te volbrengen wat zij deed. Laat men dit eens nadoen in onverschillig welk land ook, waar de hooggeroemde organisatie dan zoveel verder gevorderd is dan in het achterlijke Nederland, en men zal zien hoe wij ons niet tegenover het buitenland behoeven te schamen over deze poging, die niet eens mislukt is en hoe wie hier durft spreken van een belachelijk fiasco, eigenlijk alleen zichzelf belachelijk maakt.[1]

Zeker zwakte is geen misdaad en nooit kan het iemand worden kwalijk genomen dat hij het onderspit delft, wanneer hij niet op kan tegen de overmacht. Maar is het niet eervoller na hardnekkige strijd overwonnen te worden, zoals de boeren in Zuid-Afrika, dan dat men zich zonder verzet overgeeft?

Oudegeest schrijft: “schande is het wel, als men een zwakkeling aanhitst om een reus te lijf te gaan onder de leuze: wilt ge omeletten bakken, sla dan de eieren stuk”.[2] Maar wat te zeggen van een man, die als voorzitter van de spoorwegvereniging van de beginne af overtuigd is dat een staking moet mislukken en die zich laat kiezen om als leider van zo’n staking op te treden, die dus zelf de eerste is om de zwakkeling op te hitsen en die later anderen verwijt dit gedaan te hebben? Hij handelt dus tegen zijn overtuiging, tegen beter weten in en als men dan nog durft spreken van een gewetenloos demagoog, dan laten wij het gerust ter beoordeling over aan de toekomst om uit te maken of die titel niet allermeest en allerbest past op Oudegeest zelf.

De uitdrukking “men bakt geen omelet zonder eieren stuk te slaan” schijnt Oudegeest al bijzonder geërgerd te hebben, waarschijnlijk omdat zij zo juist is. Hij zegt: “hier zijn eieren stuk geslagen en is toch geen omelet gebakken”. Alweer stellen wij de vraag: wie heeft de schuld? Als een ander de eieren weggooit en vertrapt, dan valt het niet moeilijk te begrijpen dat er geen omelet gebakken kan worden. En juist dat hebben Oudegeest en zijn vrienden op hun debet-rekening staan. Voegt hij er bij: “dat was te voorzien, ook door D. N.”, dan zegt hij meer dan hij bewijzen kan. Neen, hij (Oudegeest) voorzag het en toch ging hij mee! Dat is juist het onverantwoordelijke, maar daarom voorzagen anderen dit niet en nog minder, dat zij verraden [3] zouden worden door hun eigen bondgenoten!

Er wordt ontzaglijk geschermd met de slachtoffers, en zo iemand dan ben ik begaan met hun lot, want gelijk altijd zijn het niet de minste, maar de beste die als slachtoffers vielen. Maar is hun aantal niet ontzettend vermeerderd juist door het intrekken van de staking? Daar zijn mensen slachtoffers, die maar één uur gestaakt hebben en dit zeker niet gedaan zouden hebben, als zij die intrekking ook maar even hadden kunnen vermoeden. En dan, wist men niet van te voren dat er slachtoffers zouden vallen? Oorlog voeren gaat steeds vergezeld met doden en gekwetsten. Verbeeldt u dat men de strijd opgeeft, omdat dit het geval is! Zou men zo iemand niet voor laf uitmaken? Welnu, een werkstaking is een oorlog, al wordt er niet gevochten met bloedige wapenen. En dus ook in deze strijd moeten noodzakelijk slachtoffers vallen. Wat een bekrompen, onnozel verstand hebben sociaaldemocraten toch! Oudegeest acht een spoorwegstaking alleen dan gelukt, als er geen enkele trein meer rijdt! De sociaaldemocraten willen wel werkstaking, maar er moet geen kans zijn om haar te verliezen. Zeg dan liever dat men tegen werkstaking is, dan weet men precies waar men aan toe is, maar praat er niet altijd omheen. Wie strijden wil maar zonder slachtoffers, die staat dus gelijk aan hem, die een omelet wil bakken maar geen eieren stukslaan. En ons komt het voor dat het heel wat beter is als eierenklopper op te treden, dus als voorbereider van het omelet bakken, dan dat men de rol vervult van het weggooien en onbruikbaar maken van de eieren. Eierenbederver is minder eervol dan eierenklopper.

Maar wat mag toch wel de reden zijn dat de sociaaldemocraten meededen aan zo’n algemene staking – en sommigen met ijver en geestdrift? Deze toch is door hen steeds bespot en belachelijk gemaakt! Deze toch is door hen veroordeeld! Als wij die reden opsporen, dan zal het blijken hoe het hun in deze veel minder te doen was om de belangen te behartigen van de arbeidersbeweging dan wel die van hun partij.

Heeft niet mevr. Roland Holst in haar brochure De grote spoorwegstaking, de vakbeweging en de SDAP het geheim verklapt, waar zij aan het einde schreef: “wat ons tot de een zei: hoeveel zou hij daar wel aan verdienen? Een ander: het zal wel teruggevonden worden op het bureau van politie of op de redactie van het volk.”

Een elk dacht er het zijne van, maar veel goeds was het niet. Toen nu de wetten in de Kamer in behandeling kwamen, zei minister Kuyper, dat de regering wist hoe men hier te doen had met een goed georganiseerd verzet, dat tot in de kleinste bijzonderheden was geregeld. Men mag van kwaaddenkendheid of wat ook spreken zoveel als men wil, maar vreemd is het zeker niet dat wij – en velen met ons! – verband zochten tussen het verlies van dat paketje met stukken en de woorden van de minister. Was Vliegen een homo integer, zoals de Romeinen zeggen, een man waar men op aan kan, een man van onbesproken gedrag, men zou dit niet aldus hebben opgevat, maar dat kwade vermoedens rezen, nu het iemand gold met zo’n zwart verleden als Vliegen, dat ligt voor de hand. Geheel opgehelderd zal deze zaak nooit worden, maar het is goed dat zulke dingen bekend worden gemaakt, omdat velen het woord “verraad” wat sterk vinden en alles trachten te vergoelijken. Nu ontbrak, om waar het nodig is snel en krachtig te kunnen handelen, zal dan tot stand komen: er zal gelegd worden een vaste band tussen de vakbeweging en de SDAP. Dus met andere woorden: wij, sociaaldemocraten, hebben tot dusver geen vat kunnen krijgen op de vakbeweging, door de spoorwegstaking moeten wij dit verkrijgen. Men begreep dat de kloof tussen de vakbeweging en de SDAP groter zou worden, als men niet meedeed. Men vreesde dat Domela Nieuwenhuis met de eer zou strijken en hem beentje te lichten was en is nog steeds het ideaal van elk goed geaard en gedisciplineerd sociaaldemocraat. Erkende Troelstra niet op het congres te Enschede dat, “de arbeidersbeweging in haar geheel grotendeels vijandig staat tegenover hem en zijn partij?” Welnu, men hoopte door mee te doen die vijandschap te overwinnen en in de pas te komen bij de arbeiders.

Was het niet eigenaardig om in die dagen sociaaldemocratische sprekers, gisteren nog verwoede tegenstanders van de algemene werkstaking, pleidooien ervoor te horen houden, soms met een geestdrift die zou doen vermoeden dat zij het werkelijk meenden? Was het niet karakteristiek zo’n machtige, grote partij als de SDAP is volgens haar eigen verklaring, te zien op sleeptouw nemen door een stuk of wat reeds herhaalde malen doodverklaarde anarchisten? Het zou een eigenaardige verzameling kunnen worden, als men eens uit die dagen alle uitspraken bijeenbracht, gebruikt door sociaaldemocratische sprekers, om daaruit af te leiden hoe de sociaaldemocratie in die dagen al heel aardig opschoof in de richting van de anarchie. Nu zijn de borden verhangen en nu is het oude geraas en gescheld weer begonnen. Dit is ook alweer zeer natuurlijk. De SDAP begon nog al aardig in de pas te komen bij een deel van de bourgeoisie. Nu hebben zij echter een lelijke klap gekregen en om nu weer in de pas te komen tegen de volgende verkiezingen, moeten zij vooral goed afgeven op de anarchisten en ten slotte zelfs deemoedig erkennen, dat zij er eigenlijk zijn ingelopen en – dat zij het nooit weer zullen doen.

Eén ding hebben wij hieruit geleerd, namelijk dat het denkbeeld van de algemene werkstaking[4] reeds veel dieper wortel heeft geschoten bij de arbeiders dan wij zelf vermoedden en eenmaal erin zal het er zo gemakkelijk niet weer uitgaan. En dan hebben wij bemerkt de ontzettende, de meeslepende kracht van het denkbeeld, dat in staat was eigenlijke tegenstanders zodanig te verlokken, dat zij erdoor werden gedreven tot meedoen, tot handelen. Maar te goed van vertrouwen hebben de anarchisten op hun beurt de fout begaan zich met de sociaaldemocraten in roerende eenheid te verbroederen en nu hebben zij moeten ondervinden, tot hun schade en schande, dat zogenaamde vrienden, die in het beslissende uur u tussen de benen lopen, om u te doen vallen, veel gevaarlijker zijn dan besliste vijanden van wie men weet wat men aan hen heeft.

Al verft de SDAP haar politieke mantel ook nog zo rood, dat is maar een dun vernisje waar reeds een hele andere kleur door schemert, als men maar goed oplet. Al klinkt het ook oratorisch schoon, dat als men door de mantel heen ziet, men komt aan haar hart en dat dit klopt op dezelfde maat als dat van de vakbeweging: proletarisch-revolutionair, de werkelijkheid leert dat het revolutionair karakter reeds lang verloren is geraakt in de internationale sociaaldemocratische beweging en dat ook het proletarisch karakter in en door de parlementaire strijd te veel een kleinburgerlijk aanzien heeft gekregen. De politiek verdeelt altijd en overal en in plaats van eenheid in de beweging te brengen, zal zij juist de twistappel brengen van de verdeeldheid, gelijk nu reeds op overtuigende wijze gebleken is aan elk, die ogen heeft om te zien en oren om te horen.

Het meegaan met de algemene werkstaking geschiedde dus niet uit overtuiging, met hart en ziel, maar gedwongen en uit vrees anders nog het kleine beetje invloed te verliezen, dat de partij heeft op de vaklieden. Het was om te trachten D. N. toch vooral niet groter te maken en hem niet de eer te laten bij een eventuele overwinning. Al het geschetter tijdens de staking was dus bij velen niets anders dan aanstellerij en huichelarij en het is een goede les voor de anarchisten om nooit weer iets samen te doen met de sociaaldemocraten, want het is slecht werken met lieden die niet te vertrouwen zijn en die zoveel draaien kunnen nemen in een kort tijdsbestek als zij maar lust hebben.[5]

Treurig is in dit opzicht de lezing in de Neue Zeit van het artikel van mevr. Roland-Holst, de vrouw die tijdens de staking zo geestdriftig wist te spreken, zodat men dacht: nu, die meent het althans, en die na de afloop toont dat haar betere natuur, die een ogenblik sprak, weer verdreven is door haar partijbewustzijn en die nu geen woorden genoeg heeft om die staking af te takelen en tegenover het buitenland onze Nederlandse vakbeweging te kleineren. En toch, dat heeft deze niet verdiend. Integendeel, men moest blij zijn over de kracht die die beweging heeft ontwikkeld, een kracht die zelfs de pessimisten onder ons dwong tot de erkentenis: neen, dat hadden wij niet gedacht dat de vakbeweging ten onzent zo sterk was! Overigens onze vakbeweging mag gezien worden en men tracht het elders dan eens na te doen wat wij hier te lande deden. In talrijkheid doet zij niet onder noch voor Engeland, noch voor Duitsland, noch voor Frankrijk. En in degelijkheid kan zij ook gerust de toets van de kritiek doorstaan. Zeker, wij kennen haar te goed om niet te weten welke fouten aan haar kleven. Wij weten zeer goed dat zij nog veel kan winnen in kracht, want nooit kan men zeggen dat zij sterk genoeg is. Maar alles bijeengenomen is het een verblijdend teken dat zoveel arbeiders staakten alleen uit solidariteit, zonder dat zij er materieel iets bij konden winnen. Vergelijkt eens de houding van de havenarbeiders te Bremen, die door de Lloyd aldaar gedwongen werden hun lidmaatschap van de organisatie op te zeggen, zonder staking en zonder protest schier zich onderwierpen aan deze eis, met die te Amsterdam, die niet aarzelden bij elke aanranding van hun rechten en lonen liever tot staking over te gaan dan zich zo maar te laten knevelen. De Nederlandse vakbeweging heeft de vuurdoop ondergaan en bewezen, dat als zij zo voortgaat en zich niet door het gevlei van de sociaaldemocraten laat inpalmen om niet anders te worden als de bijwagen van een politieke partij, zoals zij het in Duitsland reeds is, dan kunnen wij met het oog op de toekomst nog grote dingen van haar beleven, zo ooit, dan is het nu gebleken dat het denkbeeld van een algemene werkstaking wel verre van een domheid en dwaasheid te zijn, proefondervindelijk gebleken is een van de krachtigste middelen te zijn, die de arbeiders in hun strijd tegen het kapitalisme kunnen aanwenden en dat zij dus vooral in die richting werken moeten.

Voorop staat de verklaring, dat de anarchisten de algemene werkstaking nooit beschouwen als doel, maar als middel om tot hun doel te komen. En de dwaze beschuldiging, dat zij zouden willen staken alleen om te staken, zoals zeker redacteurtje van het Volk, Verbrugge met zijn pennetje inkt op papier kladde, om dit de sociaaldemocraten te willen wijsmaken, bewijst alleen hoe men geen argumenten heeft om ons te bestrijden en dus deze vervangt door onzinnige praatjes, die in niemands gezond brein zullen opkomen. Economisch is de algemene werkstaking de sluitsteen van de premissen waarvan die wetenschap uitgaat.

Arbeid is de bron of liever de voorwaarde van alle rijkdom. De bron toch is de aarde met al wat er in is en wat er op groeit. Maar zonder de arbeid is ook die bron waardeloos en dus de voorwaarde ervan is de arbeid. Wij kennen geen juister en tevens poëtischer uitdrukking dan die van Petty: de arbeid is de vader en de aarde is de moeder van alle rijkdom. Het zijn nu de loonarbeiders, die de arbeid verrichten. Leggen zij de arbeid neer, dan ontstaat er dus geen rijkdom, dan stoppen zij de bron, waaruit de rijkdom opwelt.

Wat is dus praktischer dan dat de arbeiders de genieters dwingen te luisteren naar hun wensen en dat doen zij door het verstoppen van die bron. Maar, zo zegt men, daar treft men de arbeiders ook mee en die wel het meest, want de anderen hebben genoeg voorraad om het enige tijd uit te houden en de arbeiders zijn dus in de eerste plaats de dupe van dit middel.

Zeer zeker, de arbeiders worden er door getroffen, maar noemt ons eens één middel, waardoor dit niet het geval is? Bij elke strijd lijden beide partijen, het is maar de vraag wie er het meeste bij lijdt. En dan beweren wij dat dit niet de arbeiders zijn, die gewoon zijn zichzelf te helpen, maar de genieters die totaal afhankelijk zijn van de arbeiders. Vooreerst de arbeiders zijn gewoon aan het hongerlijden, hun valt het dus minder hard. Als men ziet hoeveel arbeiders met hun gezin wekenlang werkloos zijn en er toch komen, men moet niet vragen hoe, dan zullen zij dit lijden te liever dragen, als zij het vooruitzicht, ja de zekerheid hebben voorgoed verlost te worden uit hun ellende.

Maar zou het zelfs zo moeilijk zijn om voor één week het nodige in te slaan, niet meer dan het nodige? Langer dan één week kan de bezittende klasse het toch niet volhouden. Als men het vooraf weet en men rekent er een beetje op, dan is men toch enigermate gedekt, wat vooral met het oog op de kinderen moet worden gedaan. En dan kunnen de coöperatieve zaken, zoals de bakkerijen, voortgaan te werken. Een van de domste zaken, die men tijdens de jongste staking heeft uitgehaald, is het uitroepen van de algemene werkstaking onder de bakkers te Amsterdam. Toen wij dat hoorden, zeiden we direct: Zijn ze nu helemaal mal? Nu gaan ze zichzelf de pas afsnijden voor de voeding, terwijl de tegenpartij wel brood zal hebben! Immers, het lag voor de hand, dat de staking het getrouwst zou worden doorgedreven in arbeiderszaken, dus in de coöperatie. En dit bleek inderdaad zo te zijn! Terwijl de meeste broodfabrieken doorwerkten, staakten de arbeidersbakkerijen en dus men beging de onvergeeflijke domheid – Te Boekhorst gaat ook al door voor een van de knappe koppen van de vakbeweging, omdat hij een rappe tong ter zijner beschikking heeft. Welnu, hij is een van de slimmerts, die aan deze proclamatie deelnam! – om het brood te onthouden aan de arbeiders en het te laten aan de andere mensen! Wij menen integendeel zelfs dat de coöperatieve bakkerijen moeten doorbakken, terwijl de anderen staken, om zorg te dragen dat de arbeiders steeds brood krijgen, terwijl zij op de hoogte gebracht van het voornemen van de staking, voldoende voorraad kunnen inslaan, om het uit te kunnen houden. En zelfs al is de staking dan ook verraden, zodat de andere bakkerijen ook haar voorzorgsmaatregelen konden nemen, wat zou het haar baten? Zij zaten dan wel met grote voorraden meel, maar wie zal het bakken? De arbeiders staken immers en dus zij zitten verlegen te midden van hun voorraad. Dr. Kuyper heeft de organisaties zo mooi de weg gewezen toen hij schreef: “de beste organisatie baat niet, zo slechts een deel meedoet en een ander deel van verre blijft staan. Deden allen mee, dan was de zaak op eenmaal beklonken.”

Juist, zo is het! Maar te onderstellen ook maar één ogenblik dat allen meedoen, dat is te dwaas; het is alleen maar de zaak dat het aantal dat staakt, groot genoeg is om de storing voldoende te maken. En nu moeten wij er tot recht verstand van de zaak goed op letten dat het nooit de meerderheid is, die het meest de vooruitgang bevordert, maar de minderheid. Alle grootse denkbeelden gingen uit van een kleine minderheid. Te Parijs waren vóór 1789 geen twaalf republikeinen en slechts enkele jaren later werd de koning vervallen verklaard van de troon, de republiek uitgeroepen, ja zelfs met overgrote meerderheid van stemmen werd de koning ter dood veroordeeld om onder de sympathie van verreweg tot grootste deel van de bevolking te worden terechtgesteld. Echter zo’n minderheid, die weet wat zij wil, is energiek en sleept een grote massa mee. Wij weten heel goed dat de meeste stakers geen zelfbewuste, flinke lieden zijn, volkomen op de hoogte van hetgeen zij willen; de tegenpartij heeft volkomen gelijk, wanneer zij beweert dat velen meegesleept worden. Niemand behoeft ons dit te zeggen. Er zijn meer zwakkelingen dan sterke mensen, meer lafaards dan helden. Maar dat doet er niet toe, als de pressie, door die energieke minderheid uitgeoefend, slechts groot genoeg is om de wankelmoedigen niet te doen terugvallen. Dus te wachten tot allen meededen, is niet nodig, want is dit het geval, dan is staken niet eens meer nodig.

Het zou ook niet verstandig zijn, om opeens alle bedrijven te doen stilstaan. Het karakter van een algemene werkstaking kan ruimer en minder ruim worden opgevat. Een werkstaking in één bedrijf is algemeen, wanneer zij zich niet bepaalt tot één fabriek, tot één werkplaats maar tot allen. En niet alleen in één stad, maar door een geheel land. En niet alleen in één land, maar in vele of alle landen. Nu rent men niet maar als een wilde door, zonder op te letten wat men doet. Men zal tactisch te werk gaan en dan zal men eerst die takken van dienst, die bedrijven doen staken, die het onontbeerlijkst zijn, die de zenuwen van handel of industrie doorsnijden. En telkens zal men haar uitbreiden, zodat het karakter van algemeen steeds meer wordt verkregen. Natuurlijk is daarvoor organisatie nodig en de anarchisten hebben daar niets op tegen, mits deze niet centralistisch is, dat wil zeggen van boven naar beneden werkt. Het is zelfs gebleken, dat het een fout was om aan het Comité van Verweer zulk een macht te verlenen als het had. Elkeen keek naar en wachtte op de bevelen van het Comité van Verweer. Het eigen initiatief werd vernietigd. Men durfde zelf niets te doen uit vrees daardoor het comité tot last te zijn. Het bezit van macht leidt tot misbruik ervan en zo moest men het beleven, dat dit comité, dat het wel nodig had geacht de hoofdbesturen bij elkaar te roepen om te komen tot uitroeping van de algemene werkstaking, het niet nodig achtte die hoofdbesturen te doen beslissen over de opheffing. Er was zo’n haast achter het werk – en het is een feit dat Vliegen, de secretaris van het Comité van Verweer, een sociaaldemocraat, nooit zo’n bijzondere ijver ontwikkelde als om het besluit van de opheffing zo spoedig mogelijk wereldkundig te maken – dat men niet eens de tijd had die besturen tot een vergadering samen te roepen. Een onvergeeflijke fout mag deze machtsoverschrijding heten, die zo noodlottig werkte. Organisatie behoeft niet altijd centralistisch te zijn en tegen het gevaar van de centralisatie moet steeds en overal gewaarschuwd worden, omdat zij de kiem in zich bevat van een nieuwe dictatuur met al de kwade eigenschappen die aan de oude verbonden waren. Nooit mag de organisatie de dood worden van persoonlijk initiatief en dus er moet speling, vrijheid genoeg overblijven binnen de organisatie om de deur daarvoor open te laten.

Blijkbaar zat in het Comité van Verweer geen enkel persoon, die de gehele toestand goed overzag, die beschikte over genoeg ruime blik om te begrijpen hoe er gehandeld moest worden. Men was bovendien blijkbaar zijn hoofd kwijt, want de meest voor de hand liggende eis, dat men de hoofdbesturen direct opriep ter vergadering teneinde te beslissen over al dan niet opheffing van de staking, werd over het hoofd gezien. Hals over kop, zonder voldoende te overwegen, nam men haastig zo’n besluit. En daaraan deed zelfs de anarchist mee!

Het Comité van Verweer werkte ook op de vreemdsoortigste wijze, of liever de zaken werden veelal beredderd door het hoofdbestuur van de spoorwegvereniging, buiten het comité om. Oudegeest en v. d. Berg waren dan ook meer bij hun vereniging dan bij het comité. Ja, zij verlieten zelfs hun post door de stad te verlaten, alsof zij niet verplicht waren steeds tegenwoordig te zijn, dag en nacht, om bij de hand te wezen. Zo is de bewuste brief aan de directies van de spoorwegmaatschappijen om in onderhandeling te treden, verzonden buiten het Comité van Verweer om. En de leden van het comité lieten het toe dat zij, die de opdracht hadden om te handelen, het werk lieten doen door anderen. Ook die fout is onverantwoordelijk.

Men heeft gezegd dat de inrichting van het Comité van Verweer te centralistisch was en dat vooral de anarchisten zich niet schuldig hadden mogen maken aan die fout als in strijd met hun beginsel. Maar is dit wel zo? Heeft het comité wel enige handeling gedaan buiten de hoofdbesturen om? Alleen de opheffing, maar dan ligt dit juist aan de machtsoverschrijding van het comité. Het had dit niet mogen doen. Comité’s zullen er in zulke tijden altijd bestaan en deze sluiten het eigen initiatief niet buiten. Hier is ons inziens geen sprake van kunstmatig maakwerk, integendeel het comité heeft er zo weinig maakwerk van gemaakt, dat het alle moeite had tegen te houden, te remmen. De hele beweging was ook de tweede maal spontaan.

Hoe machtig het middel van de algemene werkstaking is, hoe gevaarlijk, hoe doeltreffend, we hebben het kunnen zien uit de vrees, die van de bourgeoisie om het hart sloeg, toen zij bemerkte dat het deze weg opging. Nooit is de spanning zo groot geweest in Amsterdam dan toen de werkstaking dreigde van de gemeentewerklieden. De burgemeester stond zelfs de Beurs af voor een vergadering en hadden de gemeentearbeiders op die bewuste zondagmorgen, de grote morgen van spanning, besloten tot staking tegen de volgende ochtend, men had eens gezien wat dit had uitgewerkt. Het was m.i. een fout dat men dit niet deed. Er werd toen een ultimatum gesteld. Tijd gewonnen was veel gewonnen voor de burgemeester. Wat waren zij op het stadhuis toentertijd gedwee en gewillig! Van verschillende zijden riep men dat die termijn van het ultimatum veel te kort was, maar men verloor uit het oog. dat de gemeentearbeiders reeds ongeveer drie jaar wachtende waren op antwoord en het dus niet te kort was om na drie jaar wachten iemand eindelijk een termijn van 14 dagen voor antwoord te stellen. Maar zelfs het gemeenteraadslid Henri Polak, die nota bene als arbeiderskandidaat in de raad was gebracht, stelde in die raad een motie voor, waarin het vertrouwen werd uitgesproken, dat de gemeentewerklieden “het door hen gestelde ultimatum zullen intrekken, gehoord de onmogelijkheid om binnen zó korte tijd de omvang en de gevolgen van de door hen gestelde eisen te beoordelen”. Hij legde zich, met intrekking van zijn eigen motie, neer bij een andere, die de verklaringen van B en W, betreffende de herziening van het Werkl. Reglement en de daarmee samenhangende salarisregelingen, goedkeurde. In een vergadering van gaswerkers, gehouden op donderdag 5 februari, dus de dag na de beruchte raadszitting, die zoveel verbittering had gebracht tegen Polak, sprak D. N. en hij raadde hun aan het ultimatum 14 dagen te verschuiven en motiveerde dit voorstel door de veranderde positie, nu men in de raad ook door arbeidersafgevaardigden als Polak, Douwes en Nolting in de rug was aangevallen. Had deze geweten dat dit uitstel van het ultimatum geleid had tot intrekking ervan door het centraal bestuur van de bond van gemeentewerklieden, hij zou zich nooit daartoe geleend hebben en voelt nog spijt te hebben meegewerkt tot dat uitstel. Toch was dit nog niet zo zeer een fout als het niet dadelijk op die zondag uitroepen van de werkstaking.[6]

Welnu, toen deze staking dreigde – en wij weten dat uit goede bron – voorzag de gegoede burgerij zich althans gedeeltelijk van petroleum, om gewapend te zijn tegen de staking. En wat de gevolgen van zo’n staking van gemeentewerklieden, die zeer zeker vrij algemeen zou zijn geweest, want de verbittering was groot en de geest van solidariteit uitstekend, het was niet te voorzien. Verschillende bladen zagen dit zeer goed in, zo schreef het Handelsblad, dat de bewoners van bovenhuizen goed zouden doen om alle vuil te verbranden en die van benedenhuizen, om alle vuil te begraven, teneinde de stad te vrijwaren voor de pest, die bij het ophopen van vuil best zou kunnen uitbreken. En wat schreef mr. Aalberse, redacteur van het Katholiek Sociaal Weekblad, in een brochure, getiteld: De drie wetsontwerpen, die op grote schaal – op ons exemplaar staat 5e tienduizendtal – verspreid wordt? Luistert! Hij schrijft:

Wie nadenkt, wat het in onze dagen zeggen wil, dat een stad als Amsterdam gedurende acht dagen van bijna alle toevoer van goederen zou zijn afgesloten, – over de schade voor de handel, en voor allen die in het handelsbedrijf werkzaam waren, de arbeiders niet het minst, – de schade in alle andere bedrijven, waar alras gebrek aan grondstoffen alle arbeid onmogelijk had gemaakt, – de schade voor heel het land, wanneer Nederlands doorvoerhandel en verkeer een gevoelige knak zouden gekregen hebben; wie hierover nadenkt zal reeds een klein begrip krijgen van de ontzettende schade, die ons land, en de arbeiders in het bijzonder, bedreigde.”

Doch daar bleef het niet bij. Alom kwamen berichten van staking door spoorwegarbeiders, vooral machinisten. Het kon een ogenblik schijnen dat alle spoorwegverkeer ophouden zou, zolang de leiders dezer revolutionaire beweging dit wensten, of hun uit de band gesprongen volgelingen dit verkozen.

En nog meer was er. De arbeiders in de gemeentebedrijven te Amsterdam – en waarom zou hun voorbeeld óók niet in andere plaatsen gevolgd zijn? – dreigden weldra evenzeer met werkstaking. Was die bedreiging een daad geworden, een zee van rampen zou ons land hebben overstroomd. Wanneer alleen in de reinigingsdienst van de grote steden een staking uitbrak, in hoeveel plaatsen zou als gevolg daarvan weldra een hevige tyfusepidemie ontstaan zijn? Hetzelfde gevolg zou een staking van de waterleidingarbeiders hebben gehad. Door een staking van de werklieden van de gasfabrieken zouden hevige ontploffingen niet te voorkomen zijn geweest. En bovendien, welke tonelen zouden onze grote steden niet te aanschouwen hebben gegeven, wanneer alles in ’t stikdonker zou zijn gehuld? Moord en doodslag, plundering en roof, dat zou zijn geweest aan de orde van de dag, of juister: aan de orde van de nacht.

Ziedaar in zeer enkele trekken de ernstige toestand, vóór en na 1 februari van dit jaar. Wie even zich indenkt in de verschrikkelijke gevolgen die een dergelijke staking in de openbare diensten en het spoorwegverkeer ten gevolge zouden hebben gehad, zal toegeven, dat niets door ons werd overdreven, – zal huiverend van ontzetting zijn ogen sluiten bij ’t zien van zoveel ellende en rampen, – zal ballen de vuist tegen die mannen, die door hun ongebreidelde taal, hun ophitsing en opruiing, ons land aan de rand van zulk een poel van ellende hadden gebracht.” Uit deze aanhaling kunnen wij opmaken dat de bourgeoisie zeer goed begrijpt hoe ontzettend het middel van de algemene werkstaking is. Daardoor kunnen de arbeiders een “zee van rampen” veroorzaken en het land brengen “aan de rand van een poel van ellende”. En al balt zij dan ook de vuisten, het zal weinig baten, de arbeiders zullen erbij staande en dat ziende haar toeroepen: wij hebben in onze machteloosheid zo dikwijls de vuisten gebald en toch moesten wij, al was het vloekend en zuchtend, onze moordende werkplaatsen en onze krotten weer in, wellicht dat gij het nu ook eens doet!

Reeds kon men in die enkele dagen, we zouden kunnen zeggen enkele uren, zien wat de uitwerking van zo’n staking was, terwijl bij volhouden zeer spoedig ernstiger gevolgen zichtbaar geweest zouden zijn. We weten hoe gebrekkig het spoorwegverkeer was. De goederendienst was grotendeels gestaakt en het personenverkeer aanmerkelijk beperkt, zo groot was de verwarring, dat drie weken na de opheffing de normale toestand nog niet was teruggekeerd. Waar het naar toe had moeten gaan bij voortzetting, – zelfs de directies wisten het niet. De voorraad petroleum was zo goed als uitgeput. In sommige wijken stapelde het vuil zich reeds dusdanig op, dat de stad toen reeds begon te gelijken op een grote vuilnishoop. Ook de kolenvoorraad kon niet lang meer strekken en de toevoer was afgesneden. In de grote broodfabrieken had men bijna geen meel meer om te bakken. Binnen enkele dagen zou de verwarring zo grenzeloos zijn geweest, dat men er niet uit had kunnen komen en of een capitulatie óf een bloedbad zou gevolgd zijn. Daarbij kwam dat de regering niet te veel vertrouwen had op het leger. Bij de marine deden zich tal van onrustbarende verschijnselen voor en ook in het leger wist men dat bij velen een geest van verzet en verbittering heerste. Tal van soldaten hadden vast besloten in geen geval te schieten. En de regering wist heel goed dat men daarop niet te zeker kon vertrouwen.

Een en ander is slechts een voorproefje geweest, maar reeds dit was zo bitter van smaak, dat men niet erg naar meer verlangde. Voor de arbeider die zien en horen en opmerken wilde, werd het bewijs geleverd, hoe machtig dit middel bij een energieke en kordate aanwending kon werken. En als zodanig heeft deze staking grote betekenis gehad. Wij kunnen, vooral met het oog op de toekomst, veel lessen trekken uit het verleden – een dwaas die dit niet doet! – maar uit de opgedane ervaringen te besluiten dat de algemene werkstaking een dwaasheid of domheid is, dat is de grootste onzin. Integendeel door alles wat wij waarnamen, zijn wij versterkt in ons denkbeeld, dat langs de weg van de algemene werkstaking voor de arbeiders oneindig veel meer te verkrijgen is dan door onverschillig welk ander middel ook.

Wij willen op enige lessen wijzen, die uit deze staking getrokken kunnen worden. Vooreerst zo’n algemene werkstaking moet niet vooraf aangekondigd worden, maar plotseling, als bij verrassing uitbreken. Staken op termijn is geen staken. Het is een gevaarloos wapen – zo sprak F. v. d. Goes op een vergadering te Amsterdam. En ditmaal zijn wij het geheel met hem eens. Een regeling van de werkstaking, zoals Millerand dit als minister wilde in Frankrijk, ontneemt de arbeiders het krachtigste wapen in de strijd, waarover hij de beschikking heeft. Men zag dit op 31 januari. Minister Kuyper heeft zelf verklaard dat men er van te voren niets van wist, dat men verrast is geworden en daarom wel gedwongen was toe te geven. Met andere woorden zei hij: “had ik maar soldaten genoeg gehad, ik zou het zo ver niet hebben laten komen”. Juist bij verrassing overvalt men de vijand en heeft dan een grote voorsprong. Geen personeel om dadelijk in te vallen, geen soldaten om alles te bezetten, geen oprichting van orde- en andere bonden, geen werken van de geestelijkheid en juist dit een en ander versterkte de macht van de regering. Als men wist welke middelen de geestelijkheid aanwendde, hoe zij zich niet ontzag de vrouwen op te zetten tegen de mannen, ja hoe zij onder andere in Brabant zo ver ging, dat zij de vrouwen verbood geslachtsomgang te hebben met haar mannen, als en zolang zij staakten op straffe van het ontzeggen van de communie op Pasen, men zou verstomd staan en bevestigd vinden, wat altijd door ons is beweerd, dat de kerk de trouwe knechtjes zijn van het kapitaal. Men zorgt dus het denkbeeld van de algemene werkstaking krachtig te propageren in de vakverenigingen, opdat men er steeds meer op voorbereid is zijn toevlucht tot dit middel te nemen.

Men wil nu de weg van het contract op, zodat een plotselinge staking beschouwd kan worden als contractbreuk. Maar is de arbeider zedelijk verplicht om zich te houden aan een afgedwongen contract? Een contract onderstelt twee partijen, die vrij tegenover elkander staan en dan is men natuurlijk gebonden woord te houden, maar wie heeft het ooit in zijn hoofd gekregen om te beweren dat een belofte, een contract, aangegaan met het mes op de keel, enige zedelijke kracht zou hebben? Er is dus geen sprake van contractbreuk, want er was geen contract. Wie heeft waarde toegekend aan de afgeperste verklaring van Cornelis de Wit, waar hij zo terecht de woorden onderschreef v.c. (vi coactus, door geweld afgedwongen), waarmee hij te kennen wilde geven, dat zij niet de minste waarde bezat? Daarom de arbeiders, die ter wille van hun brood zo’n contract tekenen, mogen wettelijk daaraan gebonden zijn, maar zedelijk zeer zeker niet. Dat schermen met een arbeidscontract betekent dus niets. Gesteld dat 10.000 spoorwegmannen ondanks hun contract staken, zullen ze dan allen gaan vervolgen en in de kast stoppen? Dit is in de praktijk niet eens uitvoerbaar.

In de tweede plaats rijst de vraag of zo’n algemene werkstaking gevoerd moet worden met de handen in de zakken, of tegenover het actief optreden van de vijand een enkel passieve houding verstandig is. Dat geloven we niet. Als hier en daar de telegraaflijnen onklaar gemaakt, de rails opgebroken waren, zodat er helemaal geen treinen konden lopen, het verloop zou ongetwijfeld heel anders geweest zijn. Het is nu eenmaal een oorlogstoestand en dus dan ontziet men zich niet die middelen aan te wenden, die de vijand verzwakken en hem alles te ontnemen, wat hem grote voordelen bezorgt boven ons. Zeker daar zijn gevaren aan verbonden, maar wie zwemmen wil en niet nat worden, die doet beter stil bij moeder thuis te blijven zitten. Ontziet de tegenpartij zich, om gebruik te maken van alle middelen, teneinde de overwinning te behalen? Ontziet zij vrouwen en kinderen? Ontziet zij zich de arbeider te slachtofferen? Welnu, met dat alles voor ogen moet men de vrees afleggen en liever direct en eervol vallen in de strijd dan langzaam te worden prijsgegeven aan een wissen hongerdood. Onder de leuze: arbeidend leven of strijdend dood trokken indertijd de Franse arbeiders op en velen lieten liever het leven na dappere tegenstand dan als de oude slaven op de oude voorwaarden een leven van ontbering en kommer te blijven voortzetten. Ook verdient het overweging of het niet goed is om evenals de dieren op het veld uit de voorraad te nemen wat men behoeft. Het neemt en eet, indertijd door Jezus gezegd, moet op ruime schaal toegepast worden, opdat niet de voortbrengers van alles verstoken blijven van hetgeen door hun handenarbeid is tot stand gebracht. Het gevoel dat men recht heeft op zijn aandeel in die voorraad en dat men het nemen moet, als het onthouden wordt, ziedaar wat de mensen ingeprent moet worden.[7]

De bezittende klasse zal natuurlijk beslag leggen op de aanwezige voorraden, maar wat baat dit? Als het verkeer stilstaat – en daarvoor zorgen de arbeiders – dan is de aanwezige voorraad heel gauw op en nieuwe komt er niet.

Maar zullen de arbeiders toelaten dat de bezittende klasse dit doet en nu een hongerkuur toepast op de arbeiders? Het is schier ondenkbaar. Het neem- en eetrecht moet door de arbeiders toegepast worden als een van de natuurlijke rechten, dat men – vreemd genoeg! – steeds heeft laten rusten. Kropotkin zei zo terecht dat als op de dag na de revolutie nog één mens zijn maag niet heeft kunnen vullen of onder de blote hemel heeft moeten slapen, deze nog verre van voltooid is. Als aan de bevoorrechting van enkelen een einde wordt gemaakt en het alles aan allen toepassing vindt, dan zal dit het begin zijn van een rechtsorde, die weliswaar niets heeft uit te staan met de thans bestaande, gebaseerd op het geweld van politie, justitie en leger, maar die de werkelijke rechtsorde zal blijken te zijn. De bourgeoisie neemt reeds uit de algemene voorraad wat zij behoeft en zij is slim genoeg zich te dekken door de wet, die niets anders is dan de gereglementeerde diefstal. En als nu de arbeiders daartegen in verzet komen en de bourgeoisie daarover een gebrul aanheft als zou de rechtsorde verstoord worden, wat is dit dan anders als de angstkreet van de beer, die in een bijennest verdwaald en zich te goed doende aan de honing van de bijen, door deze wordt overvallen en gestoken? (zie Luitjes.) Langs deze weg kan ontzettend veel gedaan worden, waar dit onderdeel een revolutie in de hoofden van de arbeiders is, die steeds moet voorafgaan aan de daden.

In de derde plaats hebben wij gezien, dat op het platteland nog te weinig gevoeld wordt hoe de belangen van de arbeiders aldaar precies dezelfde zijn als die van de arbeiders in de steden. Vandaar dat zij zich maar al te dikwijls laten aanwerven als onderkruipers, vandaar dat de soldaten uit de duistere hoeken nog maar al te zeer zich lenen om zich alles te laten wijsmaken en bereid staan om er flink op in te schieten, onwetend als zij zijn, dat de mannen, op wie zij schieten, de baanbrekers zijn van een betere toekomst, die zich ook eenmaal voor hen zal openen. Vooral de landarbeiders, die in een land als het onze het grootste contingent leveren, moeten meer bewerkt en in de strijd betrokken worden. Er moet dus een levendige propaganda gemaakt worden op het platteland, want men vergeet niet dat alle revoluties ten slotte bedwongen zijn door het platteland. Men moet de mannen op het platteland duidelijk maken, dat de scheiding, gemaakt tussen stad en land, een kunstmatige is om verdeeldheid aan te kweken daar waar eenheid moest bestaan. Men moet hen aantonen, hoe ook zij in de druk zitten, ja veelal nog meer en hoe ook zij soms nog veel meer hebben te lijden bij de lage loonstandaard, die daar wordt gevonden. Zeker, het veld van werkzaamheid is nog groot en wel verre van de kracht van de organisatie te overschatten, weten wij hoe oneindig veel er gedaan moet worden. Maar als wij terugzien op de laatste twintig jaar en dan hebben gezien hoe nu reeds een solidariteitsstaking mogelijk was, dan worden wij met blijde hoop vervuld voor de toekomst en dan zullen noch dwang- noch uitzonderingswetten, noch vervolgingen noch brodeloosmaking in staat zijn de wassende stroom van de arbeidersbeweging tegen te houden.

In de vierde plaats is er een element vergeten dat juist in staat is de zegepraal te bezorgen, dat wil zeggen: de vrouw. Als zij met ons is, dan is de overwinning reeds voor de helft bevochten. En helaas! Dat is zij nog te weinig. Zeker, we hebben vrouwen van stakers gezien, die met ontzettende toewijding werkten om de tegenspartelende vrouwen te bewegen haar mannen toch niet terug te houden, want dat zij, al ware het alleen uit liefde voor haar kinderen, mee moesten doen, ten einde deze een betere toekomst voor te bereiden. Zulke voorbeelden geven moed. Maar men zal toestemmen dat het nog uitzonderingen zijn. En de schuld van de onverschilligheid, veelal vijandigheid van de vrouwen tegen de beweging, schuilt niet alleen bij de vrouw. De man verzuimt te dikwijls om de vrouw op de hoogte te brengen, een slavin als zij is in nog hogere mate dan de man, kan zij geen deel nemen aan het publieke leven. Daarom leeft zij niet mee, is zij er niet altijd in en als de man dan zelf wel naar vergaderingen gaat, maar haar nooit op de hoogte stelt van hetgeen daar verhandeld wordt, dan staat zij vreemd te midden van dat alles en kan men van haar niet verwachten, dat ook zij zich stort in de strijd met al die geestdrift, met al die toewijding en opoffering, waartoe zij in staat is. Men vergeet dus vooral niet de propaganda onder de vrouwen, die nog maar al te dikwijls de speelbal zijn van de kerk en zolang deze nog zoveel invloed heeft op de vrouw en de man niet zorgt een ontwikkelende tegeninvloed te hebben, zolang zal zij maar al te dikwijls partij kiezen tegen de staking en in elk geval wel verre van de man in de strijd aan te moedigen, hem integendeel dwarsbomen. Als de vrouw de man toeroept: volhouden, niet toegeven, ik zal er mij wel doorslaan, ziet dan zal dit een spoorslag zijn voor de mannen, want als de mannen dan moedeloos thuis komen, dan durven zij niet van toegeven spreken uit vrees om door hun eigen vrouw het huis te worden uitgestuurd. Zó moet het worden en dan kan de zege niet uitblijven.

Een voorbeeld van hetgeen de vrouwen vermogen, hebben wij gezien tijdens de grote Franse revolutie van 1781 en deze vrouwenopstand is zo leerzaam, dat zij nog wel eens in het geheugen teruggeroepen mag worden. Er heerste in Parijs hongersnood door de hoge broodprijzen en de speculanten in graan die alles opgekocht hadden. De koning en de koningin waren te Versailles. Dat beviel het volk niet, want het dacht dat als die maar in hun midden waren, de toestand verbeteren zou. Dikwijls hadden de mannen in hun vergaderingen daarover gesproken, maar het bleef bij praten. De vrouwen, die door de mannen altijd voor praatziek worden uitgemaakt, maar die nog nooit zoveel praatlievendheid ten toon gespreid hebben als de mannen in de respectieve parlementen, wilden aan deze toestand een einde maken en toen hebben zij getoond praktischer te werken dan de mannen. Zij trokken onder aanvoering van Theroigne de Mericourt naar Versailles, om, zoals zij zeiden, de koning en de koningin te halen. Dat was me een tocht, vooral doordat het slecht weer was en de wegen doorweekt. Maar dit belette haar niet om haar voornemen ten uitvoer te brengen. Door en door nat van de regen kwamen zij aan het paleis en ondanks alle bezwaren en moeilijkheden wisten zij binnen te dringen en de koning te spreken te krijgen. Hij beloofde haar naar de hoofdstad te zullen komen. Zij lieten zich echter niet met beloften afschepen, die zo dikwijls ijdel waren gebleken, en zeiden: nee, u moet met ons mee! En zo hardnekkig hielden zij vol, dat de koning de rijtuigen liet inspannen. Onder geleide van het escorte van vrouwen kwamen toen de koning, de koningin en de kroonprins te Parijs en zegevierend riepen de vrouwen: ziezo, nu zal er geen honger meer geleden worden, wij hebben de bakker, de bakkerin en het bakkertje meegebracht. Zo gelukte het de vrouwen door haar volhardend en energiek optreden om gedaan te krijgen wat de mannen niet hadden kunnen doen. En op die wijze is het dikwijls gegaan. Daarom gezorgd dat de vrouw met ons strijde, want is zij voor ons, dan is de overwinning van ons.

In de vijfde plaats moet er ook gewerkt worden onder de militairen. Immers zij zijn het die in tijd van nood gebruikt worden om de staking er onder te krijgen om de kapitalisten te beschermen in hun brandkastbelangen. Het mooiste zou zijn om ook een militaire werkstaking te krijgen en daarvoor móet natuurlijk evenzeer gewerkt worden. De soldaten zijn ook arbeiders, al steekt men ze tijdelijk in een soldatenpak, en als ze begrijpen toch ondanks hun kleren bovenal arbeiders te moeten blijven, dan is er reeds veel gewonnen. Ook in deze is het de vrouw, die veel vermag, want zij is de moeder en draagt dus het grootste deel van de verantwoording bij de opvoeding van de kinderen. Heeft zij er bij haar kinderen een anti-militaristische geest ingebracht, dan zullen deze, volwassen geworden, heel goed begrijpen waarvoor zij gebruikt worden, en dan zullen zij zich niet lenen als willige werktuigen, om het vuile werk te doen voor de kapitalisten, dan zullen zij niet schieten op hun vaders en broeders, hun moeders en zusters, hun kameraden en liefjes, maar veel liever in het beslissende ogenblik de kolf van het geweer omhoog houden ten teken van verbroedering. De arbeiders in hun arbeiderspak zullen zich dan verbroederen met de arbeiders in soldatenpak en alsdan zal de bourgeoisie verbleken van schrik, doordat het laatste steunpunt, waarop zij vertrouwd hebben, hun ontvalt en hen begeeft.

Toen op de 18de maart 1871 de troepen zich verbroederden met de arbeiders op Montmartre te Parijs, en in plaats van te schieten de kolven van de geweren omhoog staken, toen was het gedaan met de macht van de regering en de officieren maakten zo gauw mogelijk het hazenpad te kiezen, uit vrees dat hun anders een droevig lot ten deel zou vallen. De soldaten moeten weten waarvoor zij gebruikt worden. Men stuurt dikwijls de soldaten uit het zuiden, die nog van niets weten, naar het terrein van de staking. Men kan ze van alles wijs maken en dat doet men dan ook, zodat zij menen een goed werk te verrichten als zij er maar op los schieten. Daarom moet de propaganda in het leger niet verwaarloosd worden. Men vergeet toch niet dat het kapitalisme niets waard is zonder het militarisme. Als het dus gelukt dat militarisme, als laatste steunpilaar, te ondermijnen, dan is het gedaan met de macht van de kapitalisten en is de overwinning van ons. Er kan nooit genoeg propaganda gemaakt worden in het leger en vergeet niet dat als dit verwaarloosd wordt, men later de straf voor die fout zal ondervinden door een vijandige houding van de militairen. Zie daar enige lessen die wij trekken kunnen en moeten uit deze eerste algemene werkstaking, die helaas zo jammerlijk in het riet is gelopen doordat zij gestuit werd in haar vaart. Het is zeer wel mogelijk, laat ons zeggen het was waarschijnlijk zelfs, dat wij de nederlaag zouden geleden hebben, maar als wij althans onze krachten gemeten hadden, dan hadden wij beter dan nu kunnen zien wat ons haperde om de overwinning te doen behalen.

Wanneer mevr. Roland Holst zegt: “de regering en de bezittende klasse drijven door hun optreden de arbeiders in grote menigte in de rijen van de sociaaldemocratie”, dan is dit in zoverre waar, dat zij tracht de economische actie onmogelijk te maken. De regering is dus de bondgenoot van de sociaaldemocratie in de politieke strijd. Maar toch aan de arbeiders staat het om dit te verhinderen en de economische actie, als noodzakelijk voor hun bevrijding, zich niet uit de hand te laten nemen. Het werk van de bevrijding van de arbeiders moet het werk van de arbeiders zelf zijn. Dit moet steeds beter en steeds duidelijker door hen begrepen worden, opdat zij niet hun werk zich uit de handen laten nemen door het over te dragen aan anderen, die zich een voogdijschap over hen aanmatigen. De arbeiders moeten zelfstandig worden en op eigen benen leren staan, opdat zij niet een speelbal worden voor deze of gene politieke partij. Steeds op leiders te zien, die het werk doen, werkt verlammend op eigen initiatief. Steeds met discipline te schermen, kan wel een leger vormen van gehoorzame soldaten en volgzame schapen, goed om ter stembus te worden geleid, maar het heeft een verkeerden invloed, omdat het de zo hoog nodige revolutionaire geest doodt.

Als dan binnen tien jaar of zo wederom een algemene werkstaking uitbreekt en men het dunnetjes of liever dikjes overdoet, dan moet men zorgen het beter te doen, voorgelicht door de lessen, die men nu ontvangen beeft. Men kan moeilijk verwachten dat een eerste poging direct zal slagen. Al struikelend en vallend leerde het kind lopen. Al struikelend en vallend zal de arbeidersklasse zich oefenen, om eindelijk de zegepraal te behalen.

Daarom wel verre van geschokt te zijn in ons geloof aan de algemene werkstaking,[8] wel verre van haar te beschouwen als een anarchistisch avontuur, zoals politieke avonturiers dit doen, zijn wij gesterkt in ons geloof aan haar en zeggen wij: de algemene werkstaking, de sociaaldemocraten een dwaasheid, de kapitalisten een ergernis, is ons het teken dat voeren zal ter overwinning.

In het teken van de werkloosheid zal de kapitalistische maatschappij ten onder gaan.

In het teken van de algemene werkstaking ligt de verlossing van het proletariaat uit de boeien van het kapitalisme.

En daarom roepen wij uit volle borst:

Leve de algemene werkstaking!

_______________

 

Ferdinand Domela Nieuwenhuis-archief

De spoorwegstaking van 1903

Nederlandstalig Arbeidersbeweging-Archief

Algemeen archief

Nederlandstalig Marxistisch Internet-Archief

 

 

[1] Een commissie is benoemd tot onderzoek naar de grieven en eisen van de gemeentewerklieden en Henri Polak heeft reeds het genoegen en de eer (?) gehad zich daarin door de burgemeester benoemd te zien. Deze commissie is in de maand februari benoemd geworden, wij schrijven nu reeds half juli en nog weet men niets over de voorstellen die deze commissie wil doen! Wij waarschuwden daar dadelijk tegen en we zien nu hoe terecht wij dat deden. De gaswerkers, alsook van kaarsen, zodat er in Amsterdam bijna geen waskaars meer te krijgen was en petroleumlampenwinkels goede zaken maakten, toen zorgde men voor water door het vullen van badkuipen, emmers en al wat maar geschikt was om water te bewaren in geval van staking van de werklieden aan de waterleiding, toen sloeg men allerlei artikelen in voor verbruik, om gevrijwaard te zijn van honger, in één woord men voorzag zich van allerlei, alsof een beleg van de stad aanstaande was.

[2] Gelukkig dat ook de sociaaldemocraten, echter in navolging alweer van de socialisten, nu besloten hebben alle eventuele medewerking met de anarchisten te vermijden. Het is te hopen dat de scheiding nu voorgoed voltrokken is. Met mensen, die het kapitalisme en anarchisme beschouwen als tweelingbroeders, kan door ons niet worden samengewerkt.

[3] Dit is mede de uitwerking van het Vliegend Blaadje over de algemene werkstaking, verkrijgbaar tegen l cent en bij getallen goedkoper, dat reeds in 50.000 exemplaren onder de arbeiders is verspreid.

[4] Wat ons zeer bevreemdt, is dit dat tot nog toe niemand heeft gewezen op een zeer ernstig feit, dat misschien in staat is enig licht te werpen op de houding van regering. Na een der vergaderingen van hoofdbesturen had Vliegen, de secretaris van het landelijk Comité van Verweer, zijn paperassen, in een klein paketje verzameld, verloren en ondanks veel zoeken word het niet gevonden. Eerst een paar dagen later vernam men dat dit terug was.

[5] Hoe rijmt hij dit met de bewering, nog door mevr. Roland Holst aangehaald: “Potter en Oudegeest verzekeren het ons: de organisatie staat vast”?

[6] Dit vooral tegenover zekeren dr. Bernh. Harms te Tübingen, die in de Sozial Praxis de aprilbeweging in Nederland door een Duitse bril bekeek en tot de bespottelijke conclusie komt, dat deze beweging op jammerlijke wijze mislukt is, zó jammerlijk als dit ooit met enige beweging is geschied. En hoe dan in Australië, waar de beweging zo bijzonder sterk is, met de spoorwegstaking aldaar!

[7] Even vóór het verschijnen van deze brochure kwam er een van Luitjes uit, getiteld: Anarchisme en algemene werkstaking, waarin dit punt nader en uitvoeriger wordt besproken. Beide brochures vullen elkaar zeer goed aan.

[8] Men vergelijke het Vliegend Blaadje “De algemene werkstaking”, dat in 50.000 exemplaren verspreid is onder de arbeiders en dat ongetwijfeld veel heeft bijgedragen om het denkbeeld te propageren. Het is een 1-centsblaadje, dat bij getallen nog goedkoper is.