Pépé

anarchie is orde

“Een politiek programma heeft pas waarde als het –boven vage veralgemenigen uitstijgend- heel precies bepaalt welke organisatie ze voorstelt in plaats van die dewelke ze wil omvergooien of hervormen.”

(Michael Bakoenin in ‘Écrit contre Marx’, cit in Dunois & Berthier – Michel Bakounine; ed. Monde Libertaire / Alternative Libertaire; 1998)

GRONDSLAGEN, STELLINGEN & dISCUSSIES

VOOR GROND & VRIJHEID

VOORWOORD

Keer op keer bedenk ik hoe anders de dingen hadden kunnun lopen als ik niet in contact gekomen was met mensen en groepen die het me mogelijk / nodig maakten te worden wie ik ben. Persoonlijke contacten en eigen ervaringen zijn de grote motoren in een (politieke) vorming en evolutie. Waarom ben ik een anarchist (geworden)? Per toeval en uit noodzaak. Maar wat had ik anders moeten worden? En ik ben nooit van plan geweest een anarchist te worden.

Met (steeds opnieuw) vallen en opstaan ben ik verdergegaan. Ik ben geboeid en gedégouteerd geweest door de anarchistische beweging, heb de mensen verwenst en gemist, gehaat en liefgehad. Ik heb dromen gehad en ben hopeloos geweest. Heb vaarwel gezegd en met open armen of net wijfelend mensen en ideeën begroet. Ben stom geweest en ben slim geweest.

Ik heb kortom niet anders gedaan dan alle anderen. Ieder moet zijn weg gaan. En elke weg heeft zijn eigenheid

Het anarchisme is intussen meer dan de helft van mijn leven mijn weg geweest, eerst vaag en instinctief, later rationeler en met meer twijfels over een aantal zaken. Omdat ik het gevoel had dat er op organisatorisch vlak nogal wat fout liep (en nog steeds loopt), dat de beweging niet haar potentieel waarmaakt en dat de zaken al helemaal niet gaan zoals ze zouden moeten als we de strijd willen aangaan (laat staan winnen), en er geen platforms waren om deze zaken te bespreken of samen aan te pakken ben ik gegeven moment gaan nadenken, lezen en discussiëren.

De tekst die je hier vindt is daar een resultaat van. Geen letters om de letters, maar een concreet voorstel aan de anarchistische beweging en aan allen die ermee in aanraking komen.

Dit is mijn uitnodiging de moed niet te laten zakken:

Anarchisme of barbarie. Anarchie is orde.

Pépé 2006.

Een woordje uitleg over het ‘anarchief’

‘Anarchie Is Orde!’

‘I must Create a System or be enslav’d by

another Man’s.

I will not Reason & Compare: my business

is to Create’

(William Blake)

In de 19e eeuw heeft het anarchisme zich ontwikkeld als voorlopig resultaat van een maatschappelijke stroming die streeft naar vrijheid en geluk. Een aantal factoren heeft ertoe geleid dat het ideeëngoed –en de beweging- sinds de Wereldoorlogen onder het stof van de geschiedschrijving aan het verdwijnen is.

Na het klassieke anarchisme –waarvan de Spaanse Revolutie zowat de laatste vertegenwoordiger was- ontstond in de ‘jaren 60 en 70’ ‘nieuw’ verzet dat zich alvast gedeeltelijk op dit anarchisme beweerde te baseren. Vaak blijft het echter bij een paar –en dan nog half of verkeerd begrepen- slogans als ‘anarchie is orde’, ‘eigendom is diefstal’,...

Vaak is kennis over het anarchisme moeilijk beschikbaar, gemonopoliseerd en elitair, waardoor het aanbod zienderogen verschraalt. Het ‘anarchief’ of ‘anarchistisch archief’ Anarchie Is Orde (afgekort A.O) is een poging om de ‘fundamenten, stellingen en discussies’ van die traditie opnieuw beschikbaar te maken voor iedereen die ze aanbelangt. We vinden dat deze teksten deel uitmaken van ons eigen erfgoed en niet het eigendom zijn van uitgevers, instituten of specialisten. Criterium bij de selectie is in eerste plaats de relevantie van de tekst voor een actieve anarchistische beweging, en niet één of andere ‘pure’ lijn.

De teksten moeten dus voor alle anarchisten en andere geïnteresseerden zonder meer toegankelijk zijn. Dat is één van de behoeften om het anarchisme nieuw leven in te blazen en het ‘nieuwe anarchisme’ de slogans te doen overstijgen. Dat is volgens ons ook meteen de relevantie van het project voor vandaag: herbronnen om te vernieuwen. Temeer omdat we moeten leren uit de fouten van ons socialistisch verleden. Temeer omdat de geschiedenis heeft aangetoond dat grote delen van het anarchisme overeind blijven –zelfs in het licht van de meest recente sociaal-economische ontwikkelingen.

Anarchie Is Orde maakt geen winst: alles wordt aan kostprijs verspreid. Dat stelt natuurlijk enige grenzen aan de mogelijkheden van het archief; dat in aanbouw zal blijven

Iedereen wordt overigens uitgenodigd zelf verder informatie te verspreiden. Dat kan o.m. door exemplaren te copiëren, van de CD zelf prints te maken, teksten door te mailen of zelfs de CD verder te copiëren. Word zelf een anarchief!

(Let daarbij wel op copyright-voorschriften. Verder willen we er ook over waken de anarchistische of niet-commerciële drukkerijen, uitgeverijen en auteurs niet te benadelen. Prioritair blijft wel de verspreiding van ideeën, niet de eigendom ervan.)

Het anarchief biedt deze teksten aan opdat waarden als vrijheid, solidariteit en directe actie terug betekenis krijgen, terug geleefd worden en de strijd terug wordt aangegaan met de

‘demonen van vlees en bloed, die hier nederwaarts met scepters zwaaien;

en de vuil microben die ons duistere ziekten zenden en ons

weg willen maaien gelijk strontvliegen;

en het dwaallicht van de droevigste onwetendheid’

(L.P. Boon).

De rest hangt evenveel van u af als van ons. Don’t mourn, Organize!

Contact voor lijst en updates, commentaar, vragen, opmerkingen, kritiek, medewerking,... via a.o@advalvas.be en via www.anarchyisorder.org. Ook teksten zijn meer dan

welkom.

INHOUD

VOORWOORD.. 2

Een woordje uitleg over het ‘anarchief’ 3

INHOUD.. 5

I. ANARCHISME. 6

A.Anarchisme ‘definiëren. 6

B. Anarchistisch uitgangspunt. 9

C. Anarchistische basiswaarden. 10

a. VRIJHEID. 10

b. DIRECTE ACTIE. 11

c. SOLIDARITEIT. 11

d. ZELFBEHEER. 12

e. BASISDEMOCRATIE. 13

f. ANTIAUTORITAIR. 14

D. Missietekst: 15

strategische doelstellingen / missie. 15

II. DOEL & MIDDEL.. 17

werkvelden van de anarchistische beweging. 17

A. STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN.. 20

B. FACETTEN. 23

C. TACTISCHE DOELSTELLINGEN. 28

D. OPERATIONELE DOELSTELLINGEN. 28

1. Geweldloze ‘sociale defensie’: 29

2. (Consensus)besluitvorming. 38

ROLLENSPEL.. 56

ANARCHISME.

A.Anarchisme ‘definiëren

«Geregeerd worden, dat is in het oog gehouden worden, geïnspecteerd, bespionneerd, bestuurd, gereglementeerd, gedecreteerd, in een ruimte opgesloten worden, geïndoctrineerd, vermoord, gecontroleerd, geschat, geëvalueerd, gecensureerd, gecommandeerd worden door wezens die daartoe de bevoegdheid noch de kennis of het vermogen bezitten. Geregeerd worden, dat is bij elke handeling, bij elke transactie, bij elke beweging worden opgemerkt, geregistreerd, geteld, geprijsd, gezegeld, opgemeten, aangeslagen, tot bijdrage verplicht, gepatenteerd, vergunning verleend, gemachtigd, aanbevolen, flink aangepakt, gehinderd, hervormd, opgevoed, verbeterd. Het is onder het voorwendsel van het openbaar nu en in naam van het algemeen belang worden gebrandschat, afgericht, afgeperst, uitgebuit, toegeëigend, uitgeknepen, bestolen en vervolgens bij de geringste weerstand, bij de eerste klacht worden gestraft, beboet, door het slijk gehaald, gesard, achter zijn vodden gezeten, de mantel uitgeveegd, afgerost, ontwapend, gekneveld, gevangen gezet, gefusilleerd, gemitrailleerd, berecht, veroordeeld, gedeporteerd, geofferd, verkocht, verraden en tot overmaat van ramp uitgespeeld, gejonast, beledigd en onteerd. Ziedaar uw regering. Ziedaar haar recht. Ziedaar haar moraal!» (P.J. Proudhon)

“Als ik een antwoord zou moeten geven op de vraag ‘Wat is slavernij?’ en antwoordde met één enkel woord –Moord-, dan zou iedereen mijn redenering onmiddellijk begrijpen. Ik zou geen ingewikkeld discours meer nodig hebben om aan te tonen dat de macht om iemand van zijn geest, wil en persoonlijkheid te ontdoen een macht is over leven en dood. En dat het verslaven van iemand gelijk staat met moord. Waarom kan ik dan die andere vraag ‘Wat is eigendom?’ niet in dezelfde geest beantwoorden –Diefstal- zonder ervan te worden verzekerd dat ik niet zou worden gehoord, zelfs als die tweede redenering gewoon dezelfde is als de eerste!” (P.J. Proudhon)

« [Anarchisme is] de naam die gegeven wordt een een principe of een theorie van het leven en zich gedragen waarbij de samenleving wordt uitgewerkt zonder regering. Harmonie wordt in zo een samenleving bereikt –niet door onderwerping aan de wet of gehoorzaamheid aan welke autoriteit dan ook- maar door vrije overeenkomsten die gesloten worden door de diverse groepen die territoriaal en per beroepsactiviteit worden opgericht om de productie en de consumptie te organiseren en om de oneindige behoeften en betrachtingen te bevredigen van een beschaafd wezen. In een samenleving die volgens die richtlijnen is georganiseerd zouden de vrijwillige organisaties, die nu al alle velden van de menselijke activiteit beginnen bedekken, nog uitbreiding nemen zodat ze de plaats van de staat in al zijn functies kunnen vervangen. Ze zouden een verweven netwerk vertegenwoordigen van een oneindig aantal groepen en federaties van alle afmetingen en intensiteit; lokaal, regionaal, nationaal en internationaal; tijdelijk en permanenter; voor alle doeleinden (productie, consumptie, uitwisseling, communicatie, sanitaire regelingen, opvoeding en onderwijs, wederzijdse bescherming, verdediging van het territorium,… Aan de andere kant zouden ze de in aantal steeds toenemende noden bevredigen op sociaal, wetenschappelijk, artistiek of literair vlak. » (P. Kropotkin)

De staat is een toestand, een bepaalde relatie tussen mensen, een gedragswijze die we vernietigen door onderling andere relaties aan te gaan, door ons anders te gedragen tegenover elkaar... Wij zijn de Staat en blijven de Staat tot we de omgangsvormen (organisaties) creëren die een ware samenleving vormen…”

(Gustav Landauer)

“[De Franse Revolutie], die haar verheven werk met de ‘Verklaring van de Rechten van de Mens’ is begonnen, zou dit werk pas voltooid hebben wanneer zij –niet alleen in uw land maar over het hele aardoppervlak- de op gerechtigheid gebaseerde maatschappij had opgebouwd, een maatschappij, die ieder van haar leden, mannen en vrouwen, bij hun geboorte de gelijkheid vanaf het begin zal moeten garanderen, voor zover die gelijkheid van de sociale organisatie afhankelijk is, het natuurlijk verschil tussen individuen buiten beschouwing gelaten; een maatschappij die economisch en sociaal gezien aan iedereen een even grote reële mogelijkheid zal bieden om –al naar gelang ieders persoonlijke werkkracht en vermogens –de hoogste toppen van het menszijn te bereiken, eerst door opvoeding en onderricht, vervolgens door ieders eigen werk, vrijelijk in groepsverband of niet- zowel arbeid met de spieren als met de zenuwen, hand- en hoofdarbeid, die de inige wettige bron van alle persoonlijke niet erfelijke eigendom wordt en uiteindelijk beschouwd zal worden als de voornaamste basis van alle politieke en maatschappelijke rechten. (…) Wij zijn socialisten.” (M. Bakoenin)

Revolutie is het creëren van nieuwe, levende organisaties, nieuwe groepen en nieuwe sociale verhoudingen. Het is ook het vernietigen van privileges en monopolies, de geest van een nieuwe rechtvaardigheid en broederschap, van die vrijheid die het hele leven van de samenleving zou moeten bepalen, het morele gehalte en de materiële omstandigheden van de massas, hen ertoe brengend hun eigen toekomst in de ogen te kijken door intelligente directe actie.

Revolutie is de organisatie van alle publieke diensten door diegenen die ze realiseren, in hun eigen belang zowel als in het belang van het publiek.

Revolutie is de vernietiging van alle dwang; autonomie voor groepen, communes en regios.

Revolutie is de vrije federatie die in het leven wordt geroepen door het verlangen naar menselijke broederschap, door individuele en collectieve belangen en door de eisen van productie en defensie.

Revolutie is de oprichting van ontelbare vrije groepen die gewordteld zijn in evenzovele ideeën, verlangens en smaken die kunnen worden aangetroffen in mensen.

Revolutie is de vorming en verspreiding van duizenden gemeenschaps-, regionale en nationale vertegenwoordigende lichamen die, terwijl ze geen wetgevende macht bezitten, dienen om de wensen van mensen te verwoorden en te coördineren, over lange afstanden en korte en gebruik makend van rapporten, advies en voorbeelden.

Revolutie is de vrijheid die getemperd wordt in de vuurproef van de actie: het overleeft zolang de onafhankelijkheid overleeft. Dat wil zeggen tot op het moment dat anderen de macht grijpen dank zij de vermoeidheid van de massas en de onvermijdelijke teleurstelling die onmogelijk hoge verwachtingen met zich mee brengen, de meer dan waarschijnlijke fouten en tekortkomingen van mensen. Tot zij zo in staat zijn een macht uit te bouwen, gesteund door een leger van dienstplichtigen of huurlingen, de wet opleggen en de beweging op haar weg stoppen. Op dat punt begint de reactie.”

(E. Malatesta op de achterflap van ‘Life and Ideas’ verzameld door Vernon Richards)

B. Anarchistisch uitgangspunt.

Samengevat zijn er een aantal factoren die de wereld ‘gemaakt’ hebben tot wat hij nu is: ze hebben er althans een bepalende invloed op gehad. Zonder volledig proberen te zijn:

-kerk / religie / filosofie: maatschappelijke invloed rechtstreeks en psychologisch;

-staatvorming, nationalistische concurrentie en repressie van de ‘binnenlandse vijand’;

-opkomst en primaat van het kapitaal ten ‘nadele’ van de erfelijke adel;

-technologie, creatie van de (arbeiders)massa en arbeidsethos en de uitbouw van transport;

-uitbouw van de massacommunicatie, P.R. en propaganda; censuur;

-intensief gebruik van steeds meer hulpbronnen (menselijk, natuurlijk, dierlijk); territoriale uitbreiding in kolonisatie (politiek, militair en economisch/financieel).

Al die dingen hebben hun invloed gehad op de psychologische / individuele, sociale / economische en de politieke / ecologische gesteldheid.

C. Anarchistische basiswaarden.

Het moet gezegd worden dat voor anarchisten de doelen gelijk moeten zijn met de middelen. Groepen als Tegenstroom geloven (in tegenstelling van sommige politieke ‘concurrenten’) niet dat tegenovergestelde doelen en middelen tot een bevredigend resultaat of proces kunnen leiden. Wie bijvoorbeeld anderen wil emanciperen kan ze daar niet toe dwingen. Het intussen eeuwenoud adagium ‘De arbeidersklasse moet zichzelf bevrijden’ wordt zeker hooggehouden.

Het belang van pijlers als directe actie, solidariteit, zelfbeheer, basisdemocratie, antiautoritair, vrijheid,… is groot. Het zijn de steunpilaren, de rode draad door, voor en van de werking van anarchistische groepen. Het zijn in de eerste plaats richtlijnen, bakens waaraan de rest kan worden getoetst. Het zijn de lijnen waarbinnen de hele werking is opgebouwd en blijft functioneren. En vooral die concretisering is van belang in de externe en interne communicatie. In de dagelijkse werking is het integreren van de pijlers in een individuele en collectieve attitude en ingesteldheid belangrijker dan het volgen van regeltjes en voorschriften.

a. VRIJHEID.

Er zijn twee vormen van vrijheid: ‘vrijheid van’ en ‘vrijheid tot’. De eerste is eigenlijk geen echte vrijheid, maar een negatieve definitie ‘De wereld is vrij van hongersnood’. Maar heeft iedereen dan ook de mogelijkheid om zo autonoom mogelijk te bepalen wat hij of zij zal eten, hoe het bereid wordt, hoe het geproduceerd wordt,…? Want dat laatste is de ‘vrijheid tot’, een positieve vrijheid die vraagt naar de graad van autonomie, de mogelijkheid om te beslissen en beslissingen uit te voeren.

Fromm stelt dat het ontbreken van dit laatste leidt tot en pathologische ingesteldheid (psychologisch en maatschappelijk) die noodzakelijkerwijs tot fascisme leiden.

We bedoelen hier geen filosofische invulling van vrijheid. We bedoelen het heel concreet en zonder veel woordspelletjes. We zijn er ons van bewust dat absolute ‘vrijheid tot’ niet bestaat. Er zijn altijd grenzen aan vrijheid, zowel praktische grenzen als de grenzen die andere mensen betekenen. Welke waarde heeft vrijheid om iemand anders te kwetsen?

b. DIRECTE ACTIE.

Essentieel is dat het doel en het middel door de betrokkene(n) zelf wordt bepaald en bereikt. Hierbij moet het middel direct naar het doel leiden. Het mag geen omwegen maken naar bijvoorbeeld de pers of de overheid. ‘Burgerlijke’ ongehoorzaamheid is er in haar talloze vormen een goed voorbeeld van: een onrechtvaardige wet wordt aangeklaagd door die simpelweg te negeren door precies te blijven doen wat men zelf rechtvaardig vindt. Een onderscheid moet gemaakt worden tussen directe actie en symbolische actie, dat altijd als signaal bedoeld is aan de mensen of organisaties met zeggenschap, wiens autoriteit men dus erkent.

Niet dat die symbolische actie geen optie is. Alleen wordt er van uitgegaan dat dit de zaken niet ten gronde zal veranderen. De keuze qua actiemethode en -strategie is natuurlijk ook een kwestie van praktische haalbaarheid, prioriteiten,…

c. SOLIDARITEIT.

Solidariteit is hulp of steun tussen zich gelijkwaardig voelende mensen, die zich meestal in elkanders situatie herkennen. Solidariteit sluit paternalisme uit. Het betekent evenmin de ‘steun’ van de machteloze aan de machtige. Het betekent integendeel dat solidaire mensen elkaar uit vrije wil en op eigen initiatief steunen omwille van gelijklopende doelstellingen en belangen: ik ben jij en jij bent ik; wie jou raakt, raakt mij.

Anders gezegd moet de relatie die tot stand komt wederzijds zijn, gebaseerd op dialoog, vanuit een gedeelde verantwoordelijkheid voor de samenleving wereldwijd. Omwille van die verantwoordelijkheid is er naast verscheidenheid ook een gemeenschappelijke basis. Eerste voorwaarden zijn dat doel, belang en bijdrage wederzijds zijn. Dit vereist verder een verbreding van de betrokken partners in het samenwerkingsverband. Een laatste element is de wederzijdse geloofwaardigheid van de partners.

De eerste voorwaarde: het doel is wederzijds; de relatie heeft niet de bedoeling dat er enkel van één zijde naar de andere hulp wordt geboden. Beide partners willen iets veranderen aan hun situatie, willen iets leren door deze relatie aan te gaan.

Ten tweede: de belangen zijn wederzijds, maar vaak niet identiek. Belangen situeren zich op materieel vlak of eerder op vlak van humanitaire waarden of politieke idealen, of op beide gebieden.

Een volgende voorwaarde is dat de relatie bijdraagt aan de situatie van beide partners: er is winst aan beide zijden, beide leren iets, krijgen nieuwe ideeën,…

d. ZELFBEHEER.

Iedereen moet de volledige zeggenschap hebben (nemen: vrijheid kan niet gegeven worden, slechts genomen) over zijn/haar activiteiten, ook en zeker binnen collectieven en tussen die collectieven onderling; in de andere richting kunnen deze collectieven in zelfbeheer (of autonome collectieven) ook anderen, ‘buitenstaanders’ niet die zeggenschap ontnemen. Het streven naar zelfbeheer wijst in twee grote richtingen.

Enerzijds wijst het op zo groot mogelijke autonomie van elke entiteit (individu, groep, organisatie,…) en dus van zo groot mogelijke decentralisatie, waarbij slechts naar een samenwerkingsverband wordt gekeken als dat relevant is (uit gemak, plezier of noodzaak). Uit de rest van de ‘pijlers’ wordt duidelijk een confederatieve structuur naar voor geschoven, waarin de aparte eenheden hun autonomie niet verliezen tegenover het geheel.

Anderzijds brengt het ook de verantwoordelijkheid voor het ‘zelf’ onder de aandacht: het is in eerste plaats de verantwoordelijkheid van de entiteit voor zichzelf. Hiervoor moeten die entiteiten voor eigen middelen, strategieën,… zorgen om dat mogelijk te maken. Natuurlijk kan deze pijler in dit opzicht niet worden losgekoppeld van wat gezegd is over solidariteit. Gezien vrijheid genomen moet worden (in tegenstelling tot gegeven) is het evident dat de entiteit zelf moet bepalen wat in de solidaire transactie wordt geboden en gevraagd. Dat soort transacties vergt ook zelfdiscipline, gezien gesanctioneerde solidariteit (of het erin falen) helemaal geen solidariteit is.

Dit alles gaat ook op in economische zaken.

e. BASISDEMOCRATIE.

Binnen Tegenstroom worden beslissingen bij (echte) consensus genomen. Breed maatschappelijk betekent het ongeveer hetzelfde: de basis beslist omdat er geen top is. Die basis moet daar ten allen tijde de middelen voor ter beschikking hebben (met andere woorden: zelf zorgen dat ze die inderdaad ter beschikking heeft).

Consensusbesluitvorming is niet het enige mogelijke basisdemocratisch model. Er kan in andere situaties gekozen worden voor vertegenwoordiging (met terugroepbaarheid van die vertegenwoordigers) of zelfs stemmen; er kan met of zonder veto gewerkt worden (waarbij soms een aantal veto’s nodig zijn -in verhouding tot de rest van de groep- om een voorstel effectief tegen te houden); er kan afgesproken worden de meerderheidsbeslissing te respecteren en gezamenlijk uit te voeren;…

Op dezelfde manier kan er gevarieerd worden in de manier waarop zo’n vergadering wordt begeleid (men spreekt niet van leiden). Er zijn verschillende functies die al dan niet kunnen worden ingevuld (gaande van gespreksfacilitator, notulist, tijdbewaker, een groep die de vergadering voorbereidt). Ook de rituelen in die vergadering kunnen naar eigen inzicht worden ingevuld: er kunnen een aantal codes worden afgesproken voor een vraag om het woord te nemen, een ‘technische opmerking’ over verduidelijking van wat iemand zegt of over het vergaderverloop –bijvoorbeeld een vraag om een pauze,…

De grond van de zaak is de poging om steeds zo veel mogelijk (eigenlijk ALLE) partners in het proces samen te laten werken naar een oplossing die voor al die partners een ‘win’-situatie oplevert (zie ook solidariteit). En wie kan iemand beter vertegenwoordigen dan die persoon zelf? Afhangend van de situatie kan van dit ideaal afgeweken worden (terwijl de autonomie van elke entiteit behouden blijft).

f. ANTIAUTORITAIR.

Een antiautoritaire instelling vind men eveneens zowel binnen de werking als in het maatschappelijk project terug. Niemand kan door een ander bevrijd worden. Autoriteit (in de zin van macht[1], niet zozeer in de zin van kennis, ervaring,…) wordt niet als oplossing, maar als probleem gezien. Deze pijler geeft vaakst aanleiding tot discussies met mensen buiten Tegenstroom. Het is ook vooral deze pijler die Tegenstroom typeert: ze wijst het duidelijkst op de politieke achtergrond van de organisatie. Deze pijler onderscheidt de organisatie immers duidelijk als anarchistisch.

Zeker op groot maatschappelijk niveau doet dit menig wenkbrauw fronsen. Toch is dit de conclusie bij uitstek die de anarchistische beweging anarchistisch maakt. Anarchisten menen dat repressie tegen afwijkend gedrag geen oplossing is: afwijkend gedrag wijst op maatschappelijke structuren die spaak lopen (op uitzonderingen na). Anarchisten stellen kort gezegd dat:

1. het afwijkend gedrag niet verholpen is

  1. de oorzaken ervan door repressie uit het zicht dreigen te verdwijnen, waardoor het beter is het gedrag zichtbaar te houden zolang de fundamentele problemen niet zijn opgelost.

Natuurlijk is het moeilijk zich een wereld zonder sanctionering voor te stellen. Ook de anarchistische beweging vandaag is er niet vrij van, al is er van openlijke autoriteit relatief weinig spraken. Door dit soort autoriteit niet formeel te maken kan er in veel gevallen gemakkelijker tegen worden gereageerd of wordt de autoriteit gewoon genegeerd. Dit alles heeft voor- en nadelen.

D. Missietekst:

strategische doelstellingen / missie.

"We moeten de wereld veranderen en verbeteren. Ieder moet haar of zijn steentje bijdragen tot de sociale opbouw van de wereldsamenleving zonder iets van leiders of het kapitaal te verwachten. Daarbij zijn zes basispijlers van belang: vrijheid, directe actie, solidariteit, zelfbeheer, basisdemocratie, anti-autoriteit. Het enige alternatief voor chaos en barbarisme is een anarchistische samenleving waarin vrijheid en solidariteit elkaar dragen.

Ze wil dat zowel lokaal, regionaal en wereldwijd doen op alle mogelijke manieren, maar voornamelijk via haar infocentra, haar volkskeuken en de activiteiten, infrastructuur, kennis en knowhow van de organisaties en hun medewerkersters, haar acties, haar tijdschriften,….

De zin van dat alles moet voortdurend worden verduidelijkt, verdiept en ter discussie gesteld worden, zowel naar buiten als naar binnen. Anarchistische groepen willen zo efficiënt en effectief mogelijk werken en daarbij zelf de vijf pijlers in levende praktijk brengen, die haar bestaansvorm en -reden zijn. Hierbij mag nooit vergeten worden dat verzet een drang naar vreugde en vriendschap verraadt.

Anarchie is Orde."

(lange versie)

en:

"De anarchistische beweging (haar medewerkersters en organisaties) wil:

op een efficiënte, heldere en eerlijke manier

informatie en discussie (educatie), ont-moeting (netwerkontwikkeling) en actie (activering) naar organisaties, individuen en leveranciers brengen

via haar infocentra, haar volkskeuken en de activiteiten, infrastructuur, kennis, ondersteuning en knowhow van de organisaties en hun medewerkersters, haar acties, haar tijdschriften,…

in ruil voor financiële, materiële en morele steun, feedback en zelfactiviteit

om zo bij te dragen tot een fundamentele sociale omwenteling

die gebaseerd is op 'vrijheid, zelfbeheer, directe actie, solidariteit, basisdemocratie en antiautoritair leven'.

Anarchie is Orde.

DOEL & MIDDEL

werkvelden van de anarchistische beweging

.

Ik houd eraan hier een schema van Bookchin te belichten (uit van een lezing van Roger Jacobs over Bookchin en Libertair Municpalisme). Waar hij voor één van zijn velden kiest, probeer ik, uitgaand van de elementen die nu al in de anarchistische beweging aanwezig zijn. Ik ga er hierbij van uit dat elke specifieke situatie een specifiek antwoord nodig heeft.

1. STAAT

(parlementaire democratie, dictatuur,...)

4. POLITIEK

(directe democratie,...)

2. (LOON)ARBEID & CONSUMPTIE

5. SOCIAAL KAPITAAL

(netwerk van wederzijdse hulp, verbruiks- en productiecoöperatieven, vrijwilligerswerk,...)

3. PERSOONLIJKE LEVENSSFEER

(klassiek of cultureel aangepast)

6. PSYCHOLOGISCH KAPITAAL

(experimenteel, cultureel nieuw of anders,...)

In het schema staat het bovenste blok (1. en 4.) voor de publieke levenssfeer: het algemeen belang, de menselijke waardigheid,… De twee onderste blokken (2., 3., 5., 6.) voor de private levenssfeer: het overleven, eigenbelang, particularisme en sociabiliteit,… Het onderste blok (3., 6.) staat voor het zoeken naar een veilige thuishaven, geluk,… Ruwweg komt het erop neer dat de linkse helft staat voor de ‘gewone’ wereld. De rechterhelft staat voor het (anarchistisch?) veroveren van de ruimte, het zelf invullen van de realiteit.

Voorbeelden van ‘psychologisch kapitaal’ kunnen zijn: alternatieve woon- en leefvormen, bevrijdingsstrijd van de vrouw, seksuele bevrijding, bevrijding van homoseksualiteit, antiautoritaire opvoeding…

Het is mij niet helemaal duidelijk waarom Bookchin de ‘bevrijdingsstrijd van de vrouw’ en ‘bevrijding van homoseksualiteit’ bij het ‘individuele’ luik indeelt: ik zou ze eerder opnemen bij het aspect ‘strijdthema’s’ omdat het toch duidelijk in de eerste plaats groepen zijn die zich van discriminatie en onderdrukking moeten bevrijden. Individuen worden met andere woorden gediscrimineerd op basis van specifieke groepskenmerken, zoals ook met racisme,… gebeurt.

Voorbeelden van ‘sociaal kapitaal’ ziet Bookchin in coöperatieven, LET’s (Local Exchange and Trade Systems), Voedselteams, vrije scholen, culturele initiatieven,…

Het ‘politieke’ luik ziet Bookchin in de organisatieprincipes van anarchistische groepen, de groene partijen in hun beginfase, actiegroepen,...

Fundamenteel is het volgens mij van levensbelang dat de anarchistische beweging alle velden tegelijk bestrijkt en daarvoor zo veel mogelijk diverse methoden aanwendt: als we niet samenwerken en plaats vinden voor allerlei voorkeuren en prioriteiten zal de anarchistische beweging blijven wat ze is: niets. Concreet kan dat willen zeggen:

1. Een ontmoetingsplaats creëren, waar over strategie, middelen, activiteiten,… kan worden gepraat en waar informatie kan worden verzameld en bruikbaar gemaakt worden. Tegelijk wordt daar in eerste instantie een beetje gemeenschappelijke infrastructuur verzameld (computers, internetaansluiting, archief,…). Hier is een rol weggelegd voor krakers, infoshops en tijdschriften.

2. In die (of andere) plaatsen worden ook acties uitgewerkt en voorbereid: we leren vergaderen, plannen en actievoeren; we leren omgaan met pers (of net niet) en moeten ons wel met onze eigen gemeenschap gaan bezighouden in plaats van erop te spugen en ons blind te staren op de wereldgeschiedenis.

3.We zoeken contact met gelijkgestemden om grotere projecten aan te vatten en ervaring en informatie uit te wisselen rond de diverse thema’s waar we mee bezig zijn

4.We organiseren een plaatselijk overleg met enerzijds de groepen die we erbij willen (om elkaar op de hoogte te houden en om elkaar te helpen) en anderzijds zo veel mogelijk individuen. Die groep moet, als er steeds meer mensen bijkomen, splitsen naargelang de plaats waar mensen wonen om zo in de wijken zelf te gaan organiseren. Natuurlijk blijft het stedelijk overleg bestaan, net zoals de contacten met ‘daarbuiten’

5.We organiseren ons in de plaatsen waar we werken; de werkplaatsenbond wordt één van de themagroepen die er al waren, met zowel overleg per thema als geografisch (zij moeten ook overleggen met omwonenden). Die vakbond moet in geval van een wegvallen van het oude systeem (door beurscrash of door revolutie) de productie en distributie overnemen en geen nieuwe bazen tolereren. Daarnaast kunnen in de tussentijd ook collectieven en coöperatieven worden opgestart om ervaring op te doen met het niet-hiërarchisch organiseren van productie en distributie.

=>Algemeen moeten geld, drukpersen,… worden verzameld. Kennis en knowhow moeten worden gedeeld en training en solidariteit moet worden waargemaakt (onder meer ter gelegenheid van ‘tegentoppen’).

=>Maar ook moeten we elkaar helpen om de invloed af te werpen die het kapitalisme op onszelf heeft gehad en blijft hebben. We moeten van onze onzekerheid en de daaruit voortkomende opgeblazen ego’s af. Meer dan wat ook is deze persoonlijkheidsvorming het resultaat en het heetste strijdpunt van het diffuus fascisme: de manier waarop we vergaderen, organiseren, schrijven, praten, pamfletten schrijven,… Er zit een (diffuus) fascistisch zwijn in elk van ons, het moet gedood worden.

A. STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN.

1.ALGEMEEN.

Naarmate de evolutie van de organisaties (bijvoorbeeld grootte) en de wereld (kansen en bedreigingen) eromheen moet vlot kunnen gewisseld worden tussen verschillende organisatievormen, beslissings- en communicatiestructuren...

Elke groep moet daarenboven permanent proberen diverse strategieën en niveaus te combineren (zie tekst zelfactiviteit).

Elk individu blijft autonoom. Niemand kan ergens toe worden verplicht. Niemand kan anderen verhinderen iets te doen. Dit zijn de uitgangspunten qua besluitvorming. Een zo groot mogelijke ECHTE consensus is dus noodzakelijk om beslissingen zinvol te maken.

a. Doelstellingen.

Het uitwerken van strategieën veronderstelt natuurlijk in de eerste plaats het opstellen van doelstellingen. Dit geldt voor elk individu, voor elke groep en voor de beweging als geheel.

De doelstellingen moeten op lange, middellange en korte termijn (of: strategisch, tactisch en operationeel) worden geformuleerd.

In de huidige situatie is dit formuleren van doelstellingen de eerste prioriteit.

Om dat mogelijk te maken moeten er lokaal, nationaal, internationaal en thematisch platforms worden gecreëerd.

Die moeten ook dienen om vorming en solidariteit mogelijk te maken.

b. Strategie.

Ik wil hier wijzen op de verschillende onderdelen die de strategie van elk individu elke groep, de beweging als geheel volgens mij moet omvatten:

“Er zijn minstens drie manieren om met een situatie om te gaan.

Je kunt neutraliseren, activeren of vernietigen. Neutraliseren is ruimte creëren.

Activeren is steun verwerven. Vernietigen is winnen.

Wat meer is: het is essentieel te leren hoe de drie tegelijk te gebruiken.

(…)

Het antwoord (de strijdmethode) moet drie elementen bevatten:

een manier om te overleven

een manier om barsten in het vijandige kamp uit te buiten

een ondergrondse strategie.”

De diverse ‘facetten’ zullen elk een eigen strategie met eigen prioriteiten en tactieken nodig hebben. Belangrijk hierbij is de doelen helder te formuleren en trouw te blijven. Belangrijk is ook een onderling vertrouwen te blijven voeden en de verschillende strategieën te blijven beschouwen als ‘variaties op een thema’, waarbinnen elk zijn eigenheid kan behouden, maar waarbij tegelijkertijd ook alles bespreekbaar blijft.

Een ander aspect van strategie is dat ervoor moet worden gezorgd dat de anarchistische beweging zelf de vruchten van haar werk kan plukken. Te vaak gaan anderen (NGO’s, klein-links,…) lopen met de resultaten van ons werk. We moeten het initiatief dan ook in eigen handen houden.

c. Vijand.

De vijand is met een algemene term samen te vatten: machtsverhoudingen in allerlei vormen en situaties. There is a cop in everyone of us… he must be killed.

d. Netwerk.

Ook het ‘activeren’ en ‘verwerven van steun’ is van belang. Ik denk hierbij in de eerste plaats aan het verwerven van steun bij ‘de bevolking’ of het specifieke doelpubliek van de groepen en de hele beweging[2].

Anderzijds is er ook het netwerkaspect: welke maatschappelijke organisaties kunnen waardevol zijn in welk soort alliantie en welke andere moeten zo veel mogelijk worden gemeden?

Hierboven heb ik hierover een aantal stellingen geformuleerd. Belangrijk is er op te wijzen dat allianties een bewuste keuze moeten zijn (gebaseerd op de vrijwillige associatie) en dat ze minstens compatibel moeten zijn met de doelstellingen maar idealiter het einddoel zo dicht mogelijk moeten brengen.

e. Informatie, discussie en ontmoeting (extern en intern).

Hiervoor moet vooral infrastructuur worden waargemaakt: de ‘mogelijkheid tot’ en de ‘uitnodiging tot’.

f. Veiligheid.

Veiligheid en voorzieningen rond die veiligheid hebben een aantal diverse aspecten:

*er is de ‘inhoudelijke’ veiligheid (doelstellingen, reformisme,…);

*er is het gevaar dat het intern proces wordt verstoord door mensen ter goeder trouw (om tal van politieke en persoonlijke redenen) zowel als door mensen die de organisatie als ‘provocateur’ of als ‘informant’ schade proberen toe te brengen.

Die laatste kunnen van allerlei overheden of privé-ondernemingen komen maar evengoed van ‘politieke concurrenten’.

Veiligheid moet zowel binnen de groepen zelf waargemaakt worden als binnen samenwerkingsverbanden, platforms,… Er moeten manieren gevonden worden hiermee om te gaan zonder een sektarische paranoia te creëren.

Kort gezegd moet telkens rekening worden gehouden met:

*juridische veiligheid (inschatting van en voorbereiding op mogelijke gevolgen), *proceskwaliteit en resultaatkwaliteit (in ‘kapitalistische’ termen: efficiëntie en effectiviteit).

Een groot deel van het antwoord ligt mijns inziens in training (juridisch en qua managementaspecten als vergadertechnieken, financieel doorzicht,…).

Daarnaast geloof ik ook in duidelijke procedures en afspraken: wat verloopt op welke manier, wie is waarvoor verantwoordelijk, wie speelt welke rol en heeft welke functie, wat gebeurt er bij conflict,…?

g. Solidariteit.

Een belangrijke reden om zich te organiseren is ongetwijfeld de nood aan solidariteit en samenwerking. Die nood laat zich in alle aspecten en op alle ‘niveaus’ (thema, lokaal, regionaal, nationaal en globaal) gevoelen.

Solidariteit neemt ook allerlei verschillende vormen aan, maar is steeds aan die aspecten en niveaus verbonden. Solidariteit moet er niet alleen zijn binnen de afzonderlijke groepen. Solidariteit moet er ook zijn tussen de groepen onderling. Solidariteit betekent naast het samen omgaan met repressie en tegenslagen ook een positief omgaan met de wereld en anderen steunen aan de slag te gaan, zowel individueel als collectief.

Vele vormen van solidariteit moeten bewust worden georganiseerd en kunnen niet van toeval en goede wil of relaties afhangen. Dit wordt zeer duidelijk in de ‘internationale’ solidariteit. Die kan de vorm aannemen van lokale solidariteitsacties, het mobiliseren van mensen ter plaatse te gaan helpen, infrastructuur en logistieke steun te voorzien, financieel helpen, training en vorming aan te bieden,…

Elke groep of organisatie moet nadenken hoe ze die solidariteit het best kan integreren. Het lijkt me hierbij zinvol solidariteitskassen aan te leggen en dus van fondsenwerving een belangrijk deel van de werking te maken. Bovendien biedt dit de gelegenheid naar buiten te komen als groep en met de thema’s waarvoor fondsen worden geworven. Het lijkt me zinvol een deel van die fondsen in specifieke steunorganisaties onder te brengen, die ze dan verder kan beheren.

B. FACETTEN.

a. INDIVIDUEEL / PSYCHOLOGISCH KAPITAAL[3]:

Op individueel vlak moet vooral aandacht geschonken worden aan het ‘deprogrammeren’, de vorming van elkaar (in persoonlijke zaken maar ook qua theorie en actiemethodes).

Ook praktische solidariteit moet worden waargemaakt via affiniteitsgroepen (niet-geofficialiseerde vriendschapsbanden).

Via de andere ‘facetten’ moet ook werk worden gemaakt van allerhande vorming, die het autonoom functioneren binnen en buiten de beweging mogelijk maakt. Het leven als revolutionair anarchist heeft vele consequenties op de psychologie, het sociaal leven, het leven in de werksituatie,…

Anderzijds kunnen allerlei min of meer geformaliseerde projecten worden opgestart, gaande van vrije scholen over alternatieve woon- en leefvormen, seksuele bevrijding, antiautoritaire opvoeding,…

b. ACTIETHEMA’s:

Naast dit alles moet ook aandacht geschonken worden op de diverse thema’s waarrond door een actiebeweging kan worden gewerkt. Dit aspect is binnen de beweging het best uitgewerkt, zelfs in die mate dat ‘activisme’ bv. in de traditionele media blijkbaar de omschrijving is van een nieuwe ideologie.

Het zou simpelweg onzinnig zijn dit aspect niet verder uit te bouwen. De sterkste punten van de beweging moeten worden behouden. De anarchistische beweging heeft op heel veel plaatsen een quasi-monopolie op de kennis, knowhow en ervaring inzake actievoeren. Dit aspect van de anarchistische beweging (het feit dat ze dingen doet, en die ook goed doet) maakt haar één van de weinige bedreigingen voor de bestaande orde, temeer omdat ze niet onderhandelt en dus niet bestuurbaar blijkt.

We hebben echter al opgemerkt dat de veelheid aan thema’s en de losstaande actiegroepen errond de eenheid van de beweging niet ondersteunen maar eerder aanleiding geven tot de fragmentatie ervan.

Concrete thema’s moeten door collectieven worden opgevolgd. Die collectieven kunnen informatie verzamelen en eventueel actiecampagnes starten, waarbij ze binnen de andere structuren kunnen mobiliseren en organiseren.

De collectieven moeten geografisch geconfedereerd zijn per thema en liefst ook ‘interthematisch’ inhoudelijk, technisch en praktisch met elkaar overleggen. Hierbij kan met vertegenwoordigers gewerkt worden van de regionale groepen. Op zijn minst moeten ook hier communicatiestructuren worden opgezet.

Voorbeelden zijn tweeërlei:

gezamenlijke infrastructuur, trainingen/vormingen, tijdschrift/promotie,…

klassieke thema’s als milieu, vluchtelingen, repressie, feminisme, informatie

c. POLITIEK:

Er moeten regionale anarchistische groepen worden opgestart, die zich vanaf een bepaald aantal leden kunnen afsplitsen en desgewenst en kleinere regio kunnen bestrijken. Deze groepen zijn onafhankelijk tegenover elkaar maar wel geconfedereerd. We grijpen hiervoor terug naar het ‘Libertair Municipalisme’ van Murray Bookchin.

Hoofdzaak is een parallelle beslissingsstructuur op te bouwen die de politiek enerzijds kan ‘naar beneden’ halen door sommige zaken gewoon te beslissen en uit te voeren of anderzijds door die beslissingen af te dwingen van de hogere ‘echelons’. De doelstellingen en de strategie moet duidelijk zijn voor iedereen als vermeden wil worden dat er breuken ontstaan of dat mensen zich bekocht voelen.

Concreet stel ik voor dat dit groeit uit de overlegstructuren tussen de actiegroepen en infrastructuurgroepen, waar het de bedoeling is dat zo veel mogelijk mensen aanwezig zijn (elke groep of organisatie kan iemand afvaardigen voor de communicatie tussen die groepen; daarnaast wordt er ruimte gemaakt voor beslissingen als anarchistische individuen die willen samenwerken).

Handig is hierbij één of meer thema’s of activiteiten als kapstok te gebruiken: een intergouvernementele top (samenwerking nodig buiten de stadsgrenzen), 1 mei, een lange termijncampagne rond wonen en alles wat ermee samenhangt (eigendom, productie en consumptie, speeltuinen,…) waarover voorstellen moeten worden geformuleerd en daarna resultaten afgedwongen.

Bij dit alles kunnen de themagroepen benodigde informatie en kennis leveren (onverwerkt of in de vorm van min of meer uitgewerkte voorstellen; de rol van een infocentrum, waar de actualiteit wordt bijgehouden kan hier veel werk overbodig maken).

Discussie met buurten en wijken wordt dus een belangrijke opdracht opdracht (en weten wat de beweging er zelf mee wil aanvangen is daarvoor een absolute noodzaak). Het zal van situatie tot situatie afhangen hoe dit concreet tot stand komt: via buurtvergaderingen, via enquêtes, cafébezoeken,…

Vanuit deze groepen kunnen (behalve de parallelle politieke structuur, die de eerste prioriteit is) drie velden bestreken worden:

vorming, actie en informatie / discussie

economie via LETS-groepen en inspraak in de bedrijven die er gevestigd zijn

*sociaal weefsel herstellen door allerlei activiteiten en de organisatie van wederzijdse hulp

d. ECONOMISCH:

Ik pleit hier voor het op termijn uitbouwen van twee poten van een economische werking. Belangrijk zijn drie dingen:

*in staat zijn de klassenstrijd aan te gaan, minimumeisen en bekendmaking

*de wereld overnemen ingeval van een instorten van de oude orde (beurscrash, revolutie,…)

*werken aan alternatieve economische vormen, ervaring opdoen en de haalbaarheid ervan aantonen

Ten eerste pleit ik voor een vakbond naar het voorbeeld van de Industrial Workers of the World (I.W.W.) of de Confederacion National de Trabajo (C.N.T./F.A.I.).

Belangrijk is een strijdorganisatie te hebben die desgevallend de economie (productie, distributie en eventueel de consumptie) kan organiseren. Daar heeft ze de kennis voor via haar leden en de communicatiestructuur via haar organisatie.

Ik twijfel er sterk aan of het mogelijk is dit te doen via de bestaande vakbonden. Misschien kan er wel ervaring worden opgedaan en kunnen er contacten worden gelegd binnen deze structuren.

Anderzijds moeten alternatieve economische projecten worden gestart om ervaring op te doen in het ‘zelfbeheer’, als voorbeeld en bij wijze van voortdurende experimenten die de kennis verder ontwikkelen.

Eventueel kunnen deze bedrijven dienst doen als leerschool of samen ‘scholen in zelfbeheer’ oprichten (naar het voorbeeld van Mondragon in Spanje).

Daarnaast kunnen LETs worden opgestart (zie politiek), kunnen consumptiecoöperatieven worden uitgebouwd, gemeenschappelijk materiaal worden aangekocht en beheerd, voedselteams, volkskeukens,...

3. SAMENHANG.

De onderlinge samenhang kan enerzijds informeel zijn via de affiniteitsgroepen en op de (al dan niet noodzakelijke) activiteiten van de diverse groepen: (benefiet)fuiven en optredens, debatten, volkskeukens,…

Anderzijds kunnen op verschillende niveaus vertegenwoordigers worden afgevaardigd of overlegvergaderingen worden georganiseerd. Dit kan interthematisch en geografisch (lokaal, regionaal, nationaal, globaal).

Het onderling contact moet voorzien in vorming en informatie-uitwisseling, praktische organisatie en collectieve planning, theoretische discussie, onderlinge solidariteit en ondersteuning.

Een ander soort samenhang kan worden georganiseerd in alarm- en mobilisatielijnen: via telefoon of internet, contacten tussen organisaties en tussen mensen kunnen mensen worden op de hoogte gebracht van al dan niet dringende zaken.

Een ander belangrijk element kan een gedeelde of gemeenschappelijke infrastructuur zijn: De Nar en regionale en internationale tijdschriften; info- en actiecentra; distro’s; uitgeverijen / drukkerijen; allerlei vrijplaatsen (kraakpanden,…); al dan niet mobiele volks- en actiekeukens;…

Hierbij moet worden gezegd dat verschillende aspecten hierboven ook door een project kunnen worden verzorgd. Het is belangrijk dat elk afzonderlijk project zich inschakelt in deze samenhang. Er is maar één weg naar de toekomst: alle wegen tegelijk bewandelen.

C. TACTISCHE DOELSTELLINGEN.

We gaan hier op zoek naar beleidsprioriteiten. Die zullen binnen elke context anders liggen: zelfs elke stad heeft een eigen context en eigen krachtsverhoudingen, een andere basis om op verder te bouwen,…

In het algemeen lijkt het me prioritair om aan infrastructuur te werken, gecombineerd met (comunicerende!) actiecampagnes en –groepen.

Hierbij zijn vooral ook vorming, discussie en het psychologisch aspect aan revolutionaire strijd van belang.

Hierna kan werk worden gemaakt van de andere facetten.

D. OPERATIONELE DOELSTELLINGEN.

Over de operationele doestellingen valt hier in het algemeen nog minder te zeggen. Wel kan gewezen worden op het noodzakelijk streven naar efficiëntie en effectiviteit.

Ook de samenhang met de rest van de beweging mag niet verloren gaan. Daarom stel ik voor dat elke vergadering verschillende componenten bevat (tenminste: dat elke groep aan deze dingen de nodige aandacht besteedt):

praktische zaken van de groep zelf

* praktisch beweging algemeen

inhoudelijk: rollenspel, vorming (bijvoorbeeld allerlei situaties bedenken die relevant zijn voor de groep of de beweging: wat als, hoe, wie, wat, wanneer,…) of algemene zaken van de groep zelf of de beweging als geheel.

De vergaderdruk moet laag zijn, zowel qua aantal als qua procesverloop (goede voorbereiding, zinvolle agenda, goede begeleiding,…). Zo blijven die vergaderingen motiverend en blijft er zo veel mogelijk tijd voor sociale activiteiten (onderling en buiten de beweging) en het praktische werk. Aandachtspunt hierbij is de verhouding tussen consensus en initiatief / vertrouwen, waar een goed evenwicht moet worden gevonden (goede afspraken maken goede vrienden).

Het maakt het mensen ook mogelijk andere activiteiten zoals loonarbeid met activiteiten in en voor de anarchistische beweging te combineren. Hieromtrent moet ook gezocht worden naar manieren waarop mensen ook die ‘activiteiten buiten de beweging’ kunnen inschakelen in hun engagement in de beweging (tijdschriften verdelen op het werk of de voetbalclub; affiches voor betogingen uithangen; de vakbonden of hun militanten aanspreken; steun verwerven voor standpunten van de beweging; vaardigheden aanleren aan de beweging; financieel steunen;…).

1. Geweldloze ‘sociale defensie’:

De enige oplossing die anarchisten zien voor de maatschappelijke en individuele problemen is een sociale revolutie. Hedendaags komt de enige vernieuwing in het denken rond die sociale strijd eigenlijk uit de hoek van principieel geweldloze hoek. Los van de principiële discussie rond geweld ben moet het duidelijk zijn dat de actietechnieken die uit deze hoek ontwikkeld zijn (tenminste bewust bestudeerd en gebruikte hebben) grotendeels dezelfde zijn als diegene die ook door anarchisten moeten worden gebruikt. Een andere nuance is de neiging van bv. Gene Sharp om staat en kapitaal als waardevolle partners te beschouwen. Het denkkader van Sharp is niet anarchistisch; de methodes dus ook niet. De rest van ‘zijn’ denken wordt er niet minder waardevol om. ‘Als ik moet kiezen tussen geweld en geweldloosheid, kies ik geweldloosheid; als ik moet kiezen tussen geweld en lafheid / ineffectiviteit, dan kies ik geweld’ (Gandhi).

Brian Martin in ‘Social defense, social change’

Sociale defensie is de geweldloze weerstand die een gemeenschap biedt tegen agressie, als alternatief voor militaire verdediging. Het is gebaseerd op wijdverbreid protest, overtuiging, niet-medewerking en interventie die zich tegenover militaire agressie of politieke repressie stelt. Het gebruikt methodes als boycots, actieve ongehoorzaamheid, stakingen, demonstraties en het opzetten van alternatieve instituten.

Het definiëren van iets is een politieke handeling en het loont de moeite naar deze definitie van sociale defensie te kijken als geweldloze weerstand die een gemeenschap biedt tegen agressie, als alternatief voor militaire verdediging’. Deze definitie stelt dat de weerstand een weerstand is die van de gemeenschap komt en niet van de natie, die meestal het kader is voor militaire verdediging en voor veel ideeën en geschriften over sociale defensie. In mijn optiek zou de nadruk moeten liggen op de gemeenschappen die zichzelf en elkaar verdedigen. Soms zullen die gemeenschappen naties zijn, maar vaak ook niet.

Sommige activisten verkiezen de sociale defensie te definiëren als geweldloze weerstand van gemeenschappen tegen agressie of onderdrukking’, daarbij insluitend verdediging tegen militaire agressie, tegen het door regeringen onderdrukken van lokale gemeenschappen en tegen geweld van mannen op vrouwen. Sociale verdediging zou in deze visie moeten worden gezien als geweldloze verdediging van de vitale elementen van de samenleving –inclusief mensenrechten, lokale autonomie en participatie- tegen alle onderdrukkende krachten.

Ik herken me in de gevoelens die achter deze bredere oriëntatie schuilgaan. Ik denk echter tegelijkertijd dat het beter is sociale verdediging te definiëren als een alternatief voor militaire defensie en pas daarna de linken te leggen met andere strijden tegen onderdrukking. (…)

Jaren terug werd sociale verdediging soms ‘passief verzet’ genoemd. Die term geeft de misleidende indruk dat geweldloosheid passief zou zijn. De kern van sociale verdediging is echter geweldloze actie en dat betekent stakingen, verbroedering en het opzetten van alternatieve instituten. Er kunnen ook offensieve maatregelen worden genomen, zoals communicatie om de internationale en nationale steun voor de agressie te ondermijnen. Sociale verdediging betekent niet dat je er gewoon bij gaat zitten en accepteert wat de agressor oplegt.

Sociale verdediging en de belangrijkste alternatieve termen ervoor houden het woord ‘verdediging’ in. Ironisch genoeg geeft dit een te nauw beeld van waar het allemaal over zou kunnen gaan. Het probleem zit in het eufemisme ‘militaire verdediging’. Militaire machten zijn voor oorlog ontworpen. Overheidsdepartementen voor oorlog veranderden hun naam in departementen voor verdediging om de associatie met moord en vernietiging te vermijden. ‘Verdediging’ of ‘defensie’ klinkt veel vriendelijker dan ‘oorlog’, ‘de militairen’ of zelfs ‘het leger’.

Geweldloosheid heeft het omgekeerd probleem: het klinkt veel mensen zwak in de oren. Sociale verdediging klinkt puur defensief. Dat is de reden waarom het soms nuttig is om over sociaal offensief te spreken.”

Methodes die gebruikt worden bij sociale defensie:

Gene Sharp, bekend onderzoeker van geweldloze actie identificeerde 197 verschillende types van geweldloze actie en heeft van elk voorbeelden gegeven. Sharp onderscheidt de methodes van geweldloze actie in drie categorieën: symbolische actie, niet-medewerking en interventie & alternatieve instituten.

Symbolische acties:

Formele aankondigingen (speeches, brieven, petities); slogans, pamfletten, spandoeken; betogingen, protestmarsen, wakes, piketten; het dragen van symbolen van verzet (zoals de paperclips die Noren droegen tijdens de Nazi-bezetting); bijeenkomsten, ‘teach-ins’.

Niet-samenwerking:

Sociale boycots, blijf-thuis; boycots door consumenten, producenten, handelaars; embargo’s; stakingen, banvloek, stiptheidsacties, ziekteverzuim; weigering belastingen of schulden te betalen, terugtrekken van bankrekeningen; het boycotten van overheidsinstellingen; ongehoorzaamheid, uitvluchten en vertragingen; voorgewende onbekwaamheid (‘misverstanden’, ‘vergissingen’).

Interventie & alternatieve instituten:

Vasten (hongerstaking, dorststaking); sit-ins, niet-gewelddadige obstructie en bezetting; vernietigen van informatie en archieven; uitbouwen van parallelle organisaties voor politiek, media, trasport, sociale zekerheid, gezondheidszorg en vorming.

(…)

197 actiemethodes

(uit ‘The politics of non-violent action’ door Gene Sharp).

I. Protest en overreding:

Formele verklaring afleggen:

1. Openbare redevoeringen houden; 2. Brief-/kaarten verzenden; 3. Verklaringen van organisaties en instellingen publiek maken; 4. Ondertekende verklaringen afleggen; 5. Iintentieverklaringen afleggen; 6. Groeps- en massapetities overhandigen

Communiceren met een breder publiek via:

7. Leuzen, karikaturen en symbolen; 8. Spandoeken, aanplakbiljetten en herkenningstekens; 9. Folders, pamfletten en boeken; 10. Kranten en tijdschriften; 11. Recorders, radio en televisie; 12. Geschreven teksten in de lucht, op muren en op de grond

Groepen vertegenwoordigen:

13. Afgevaardigden sturen; 14. Schertsbeloningen; 15. Lobbyen; 16. Posten; 17. Verkiezingen imiteren

Symbolisch handelen:

18. Vlaggen en symbolische kleuren tonen; 19. Symbolen dragen; 20. Gebeds- en godsdienstoefeningen houden; 21. Symbolische voorwerpen aanbieden; 22. Zich ontkleden als protest; 23. Eigen bezeittingen vernietigen; 24. Symbolisch licht ontsteken; 25. Portretten tonen; 26. Beschilderen als protest; 27. Namen en tekens vervangen; 28. Symbolische geluiden maken; 29. Symbolische landhervormingen doorvoeren; 30. Afkeurende gebaren maken

Personen onder druk zetten:

31. Ambtsdragers volgen 32. Officiële peronen tarten; 33. Verbroedering nastreven; 34. Waken bij gebouwen en terreinen

Drama en muziek:

35. Humoristische parodieën en grappen maken; 36. Toneesltukken opvoeren, muziekuitvoeringen geven; 37. Zingen

Optochten / processies houden:

38. Marsen; 39. Parades; 40. Religieuze processies; 41. Pelgrimstoschten; 42. Autocolonnes opstellen

Doden herdenken:

43. Politieke rouw betrachten; 44. Schijnbegrafenissen houden; 45. Demonstratieve begrafenissen houden; 46. Een bepaald graf huldigen

Openbare bijeenkomsten houden:

47. Publieke bijeenkomsten; 48. Protestbijeenkomsten; 49. Gecamoufleerde protest-bijeenkomsten; 50. Teach-in

Zich terugtrekken / afstand doen van iets:

51. Weglopen (bv. uit een vergadering); 52. Stilte betrachten; 53. Weigeren / afstand doen van onderscheidingen; 54. Iemand de rug toekeren

II A. Sociale Non-coöperatie

Personen uit de gemeenschap sluiten:

55. Sociale boycot; 56. selectieve sociale boycot; 57. Sexuele gemeenschap weigeren; 58. Excommunicatie; 59. Verbanning

Niet meewerken aan bepaalde gebruiken, gebeurtenissen en instellingen:

60. Sociale- en sportactiviteiten opschorten; 61. Maatschappelijke instellingen boycotten; 62. Studentenlessen boycotten; 63. Sociale ongehoorzaamheid; 64. Zich terugtrekken uit sociale instellingen

Zich teugtrekken uit sociale systemen:

65. Thuisblijven; 66. Totale persoonlijke non-coöperatie; 67. ‘vlucht’ van werknemers; 68. ‘vlucht’ naar een vrijplaats; 69. Collectieve verdwijning; 70. Emigratie als protest

II B. Economische Non-coöperatie:

Acties door consumenten:

71. Consumentenboycot; 72. Soberheidsactie; 73. Weigeren om huur te betalen; 74. Weigeren om te huren; 75. Nationale consumentenboycot; 76. Internationale consumentenboycot

Acties door arbeiders en producenten:

77. Boycot door werknemers; 78. Boycot door werkgevers

Acties door tussenpersonen:

79. Boycot door leveranciers

Acties door ondernemers:

80. Boycot door handelaren; 81. Weigeren eigendom te verhuren of te verkopen; 82. Productie stoppen; 83. Weigeren technische hulp te verlenen; 84. Algemene winkeliersstaking

Acties door bezitters / beheerders van financiële hulpbronnen:

85. Bankrekening intrekken; 86. Weigeren om belasting of contributies te betalen; 87. Weigeren om schulden of rente te betalen; 88. Fondsen en kredieten intrekken; 89. Weigeren belasting te betalen; 90. Weigeren het officiële betaalmiddel te gebruiken

Acties door regeringen:

91. Binnenlands embargo; 92. Handelaren op de zwarte lijst zetten; 93. Internationaal verkoopembargo; 94. Internationaal inkoopembargo; 95. Internationaal handelsembargo

II C. Economische non-coöperatie: de staking.

Symbolische stakingen:

96. Proteststaking; 97. Werkonderbreking

Staking door groepen:

98. Verplichte arbeid weigeren; 99 – 103. Staking door boeren, landarbeiders, ambachtslieden; gevangenen; beoefenaars van vrije beroepen

Gewone stakingen in de industrie:

104. Personeelsstaking; 105. Industriestaking; 106. Solidariteitsstaking

Beperkte staking:

107. Estafettestaking; 108. Staking om concurrentiekracht van eigen bedrijf te verzwakken; 109. Langzaam-aan-actie; 110. Stiptheidsactie; 111. Ziekmelden; 112. Ontslag nemen; 113. Beperkte staking; 114. Selectieve staking

Multi-industriële staking:

115. Gedwongen algeme staking; 116. Algemene staking

Combinatie van staking en economische uitsliuiting:

117. ‘Hartal’ (tijdelijke economische stillegging); 118. Economische stillegging van langere duur

II D. Politieke Non-coöperatie:

Gezag afwijzen / afkeuren:

119. Weigeren verklaringen van trouw af te leggen of die intrekken; 120. Politieke steun weigeren; 121. Mensen tot weerstand oproepen

Weigeren met de regering mee te werken:

122. Wetgevende lichamen boycotten; 123. Verkiezingen boycotten; 124. Overheids-werkzaamheden en banen bij de overheid boycotten; 125. Ministeries en andere instellingen van de overheid boycotten; 126. Scholen boycotten; 127. Door het rijk gesteunde organisaties boycotten; 128. Weigeren medewerking te verlenen aan het handhaven van de wet; 129. Tekens en plaatsaanduidingen verwijderen; 130. Weigeren om aangewezen functionarissen te accepteren; 131. Weigeren om bestaande instellingen op te heffen

Burgerlijke ongehoorzaamheid:

132. Langzaam en aarzelend toegeven; 133. Ongehoorzaam zijn zodra controle ontbreekt; 134. Algehele ongehoorzaamheid door de bevolking; 135. Verborgen ongehoorzaamheid; 136. Weigeren uiteen te gaan; 137. Zitactie; 138. Dienstplicht en deportatie weigeren; 139. Onderdruiken, vluchten, valse identiteit opgeven; 140. Ongehoorzaam zijn aan immorele wetten

Acties door overheidspersoneel:

141. Weigeren bepaalde instructies op te volgen; 142. Bepaalde communicatielijnen en informatiebronnen blokkeren; 143. Bepaalde zaken vast laten lopen; 144. Administratieve tegenwerking plegen; 145. Tegenwerking door rechterlijke macht; 146. Inefficiënt werken bij handhaving van de orde; 147. Muiterij

Binnenlandse acties door regeringen:

148. Kwasi legitiem vertragen en ontwijken; 149. Non-coöperatie door vertegenwoordigendeoverheidslichamen

Internationale acties door regeringen:

150. Wijzigingen aanbrengen in diplomatieke of andere vertegenwoordigingen; 151. Diplomatieke gebreurtenissen uitstellen of afgelasten; 152. Diplomatieke erkenning onthouden; 153. Diplomatieke betrekkingen verbreken; 154. Terugtrekking uit internationale organisaties; 155. Lidmaatschap van internationale organisaties weigeren; 156. Uitstoten uit internationale organisaties

III. Geweldloos ingrijpen (interventie)

Psychologische interventie:

157. zich blootstellen aan onaangenaamheden of gevaren; 158. Vasten; 159. Omgekeerde rechszaak (beklaagden worden aangklager); 160. Persoonlijke psychologische confrontatie

Fysieke interventie:

161 - 172. Zit-actie, Sta-actie, rijactie, waadactie, in- en uitloopactie, gebedsactie, geweldloze overval, geweldloze luchtaanval, geweldloze invasie, geweldloze fysieke tussenkomst, geweldoze obstructie, geweldloze bezetting

Sociale interventie:

173. Nieuwe sociale patronen ontwikkelen; 174. Sociale voorzieningen belasten; 175. Oponthoudacties voeren; 176. Interruptieacties voeren; 177. Guerilletheater houden; 178. Alternatieve sociale instellingen ontwikkelen; 179. Alternatieve communicatiesystemen ontwikkelen

Economische interventie:

180. Omgekeerde staking; 181. Bedrijfsbezetting; 182. Geweldloos land overnemen; 183. Blokkades verbreken; 184. Munten vervalsen; 185. Door massale aankoop verhinderen dat anderen bepaalde goederen kunnen kopen; 186. Waardepapieren of geld in beslag nemen; 187. Dumpen; 188. Selectieve clandizie kiezen; 189. Alternatieve markten houden; 190. Alternatieve transportsystemen gebruiken; 191. Alternatieve economische instellingen ontwikkelen

Politieke interventie:

192. Administratieve systemen belasten; 193. Identiteit van geheime agenten onthullen; 194. Gevangenneming uitlokken; 195. Ongehoorzaam zijun aan gewone wetten; 196. Doorwerken zonder collaboratie; 197. Parallelregering vormen.

2. (Consensus)besluitvorming.

*Strategie.

Uitgangspunt: visie is middel is doel! Anders gezegd moeten de middelen waarmee men een bepaald doel wil bereiken in overeenstemming zijn met de visie die je hebt op mens en samenleving en de doelen die je nastreeft. Het doel heiligt nooit de middelen.

Strategie: samenhangend, doordacht en gepland geheel van activiteiten en acties, gereicht op de realisatie van de doeleingen van een beweging of campagne binnen een bepaalde termijn.

Lange termijn strategie is ongeveer 3 tot 5 jaar. Middelange termijn strategie is ongeveer 1 tot 2 jaar. Tactiek is korte termijn strategie of methode van aanpak. Tijdsbalk is planningsschema voor de duur van een strategietermijn.

Doeleind is eind-doel.

Hoofddoel is een belangrijk en concreet geformuleerd deel nav het doeleind (is sub-doeleind). Camapgnedoel, programmadoel of strategische doelen zijn hoofddoelen.

Actiedoel is een werkdoel (afgeleid van een hoofddoel) dat concreet geformuleerd is en op korte termijn realiseerbaar is.

Objectdoel is een fabriek, een vuilnisbelt, een kerncentrale,…

Scharnierpunt is een organisatie waarop een (beperkt) machtsevenwicht rust en dus een scharnierpunt van verandering is.

Beïnvloedingsmogelijkheden zijn pers, scholen, medici, ouders, kenissen, bekende persoonlijkheden,…

Bronnen zijn eigen deelnemers, leden van geestverwante organisaties of zeer naliggende organisaties,…

Om een doel te realiseren moet je beschikken over tijd, geld en mensen. Die zijn nodig in de juiste hoeveelheden en verhoudingen: veel tijd maar geen geld en weinig mensen legt beperkingen op wat je kan bereiken.

Middellange en lange termijn strategie:

Wat is je visie op het onderwerp van de campagne? Formuleer zo concreet mogelijk.

Formuleer het verband tussen die visie en het onderwerp / thema van de beweging of van deze campagne.

Wat zijn de doeleinden van de beweging of wat zijn de doeleinden van de campagne?

Wat zijn de concrete hoofddoelen die je bereikt moet hebben teneinde de doeleinden van de beweging of campagne te kunnen realiseren?

Wat zijn je meest belangrijke actie- of campagnedoelen en hoe heb je gepland ze te gaan gebruiken? Zet ze in een rangorde van escalatie en gewicht. Onderscheid eventueel directe en indirecte doelen.

Welke scharnierpunten en beïnvloedingsmogelijkheden wil je inzetten in relatie tot welk actie- of camagnedoel uit de rangorde hierboven?

Welke bronnen heb je om deze scharnierpuntorganisaties te doen omslaan en de beïnvloedingsmogelijkheden hard te maken.

Formuleer concrete actiedoelen met en voor je bronnen. Zet die in een volgorde van gewicht.

Maak een tijdsbalk waarop je kan zien wat je doeleinden, hoofddoelen, campagne- en actiedoelen, je scharnierpunten en bronnen zijn. Zet je strategie en je tactiek dus om in een concrete planning.

Flow-chart:

De doelstelling is welomschreven.

Na krachtveldanalyse (organigram van organisaties en groepen die positieve en negatieve invloed op je eigen groep, project of campagne hebben –financieel,…- waarbij ook hun relatieve kracht duidelijk wordt gemaakt) is beslist op welke kracht eerst ingewerkt wordt.

Krachtveldanalyse valt uiteen in ‘tijdsgeest’ en ‘netwerkanalyse’. De factoren waarop de organisatie geen echte invloed heeft is de tijdsgeest: oplomst van extreemrechts,… De netwerkanalyse wordt gevisualiseerd door cirkels rond het middelpunt (de organisatie): in de binnenste cirkel diegenen met meest invloed, naar buiten toe afnemend in invloed. De cirkels worden in vlakken verdeeld naar een aantal aspecten (afhankelijk van de organisatie): leveranciers (van informatie,…), medestanders, tegenstanders (‘adresgroep’), medewerkersters, financiële ondersteuning,…

Welke actie doen we? Een flow-chart helpt om:

-op korte termijn, op overzichtelijke manier en met minder kans om in oeverloze discussies terecht te komen

-acties op te sommen (brainstorm), de consequenties van elke actie na te gaan en de actie(s) te kiezen.

(werk op flappen!)

Voorbeeld:

DOEL

ACTIE

CONSEQUENTIES

Gelijke sport-faciliteiten voor vrouwen

Bezetting van de gymzaal

-waarschijnlijk verlies sympathie en steun indien eerste stap (--)

-maakt duidelijk dat het ernst is (+)

-arrestaties zijn niet uitgesloten (-)

Petitie op school

-verandert waarschijnlijk niets (-)

-werkt bewustmakend (+)

-schept mogelijkheden tot gesprek (+)

Publiceren van relevante bladzijden uit de grondwet

-er is geen geld (-)

-vergt meer tijd (-)

-ingewikkeld ‘ambtenarees’ vergt toelichting (-)

-geeft legale basis aan actie (++)

Stel dat voor de petitie op school als eerste actie gekozen wordt, dan kan tijdens de week dat de petitie rondgaat een tweede flow-chart gemaakt worden voor de volgende actie. De manier van werken is dezelfde.

ACTIE

ACTIE

CONSEQUENTIES

Petitie op school

Infofolder over probleem en suggesties voor oplossingen

- (-)

- (+)

- (++)

- (-)

Uitnodiging van olympische kampioenes

- (++)

- (-)

- (-)

Mannelijke atleten betrekken

- (-)

Bezetting gymzaal

- (++)

- (--)

- (-)

- (+)

- (-)

Tijdsbalk:

Alles wat op welk moment te doen valt –of gedaan moet zijn- voor een bepaalde actie wordt op één lijn gezet (eventueel splitst die zich in bv. fondsenwerving, dossier- en perswerking, actievoorbereiding / training actievoerders, juridische werking,…). Zie ook de onderlinge verbanden: een juridische werking weet pas waar ze aan toe is als het concept van de gebruikte actietechnieken min of meer vastligt,…

Geeft een duidelijke & overzichtelijke tijdsaanduiding weer.

Is practisch hanteerbaar.

*SWOT-analyse:

Strategische oriëntatie:

Onderzoek hoe breed het veld is van de mogelijkheden en opties. Er worden nog geen belsissingen genomen, maar probeer je zicht te krijgen op wat er op de vergadertafel ligt. Je hoeft nog niet volledig te zijn, maar wel in grote lijnen weten welke discussies moeten gevoerd worden om tot welk resultaat te komen.

Inventarisatie van de beschikbare informatie, zowel intern als extern.

A. EXTERN

B. INTERN

Bedenk zo veel mogelijk Kansen en Bedreigingen.

Bedenk zo veel mogelijk Sterkten en Zwakten

Weeg die Kansen (+2, +1) en Bedreigingen (-1, -2) en houd er max. 6 van over. (eventueel in kleine groepjes)

Weeg die Sterkten (+2, +1) en Zwakten (-1, -2) en houd er max. 6 van over.

(eventueel in kleine groepjes)

(Breng de resultaten van die eventuele kleine groepjes samen en beperk de lijstjes tot elk max. 8)

Zet die tegenover elkaar:

EXTERN

xternX

T

E

R

N

Kans (+2)

Kans (+1)

Bederiging (-1)

Bederiging (-2)

INTERN

Sterkte (+2)

Sterkte (+1)

Zwakte (-2)

Zwakte (-1)

Kies 3 probleemvelden:

interne (–2) die in verband staat met een externe (–2) is een dringende prioriteit! Bv te weinig medewerkersters (intern) gecombineerd met weinig mogelijke medewerkersters (extern) is een groot probleem. Te weinig medewerkersters (intern) tegenover veel mogelijke medewerkersters (extern) is een probleem van een heel andere grote-orde.

Vergeet ook niet je sterke punten bij te houden. Vaak zijn het dingen waarmee je kunt uitpakken en waarop je verder kunt bouwen.

Werk die probleem velden uit:

Dit kan eventueel in kleinere groepjes gebeuren. Je kunt dit hele proces herhalen voor die sub-problemen tot alle problemen duidelijk geïdentificeerd zijn en een oplossing kunnen krijgen.

Breng oplossingen samen en probeer zo concreet mogelijke planningen op te maken (wie, wanneer, hoe, met welk geld,…)

Volg het proces hierna regelmatig op

en stuur bij waar nodig.

Vergaderstructuur.

Er zijn oneindig veel varianten mogelijk. Belangrijk is vooral het bewust omgaan met het groepsproces en de resultaten ervan.

Waarom consensus:

*basisdemocratisch; iedereen beslist mee

*allen zijn verantwoordelijk voor het besluit –betere uitvoering

*besluiten vanuit het belang van het geheel: win / win-situatie

*besluiten vanuit vertrouwen in elkaar

*info / kennis / deskunidgheid / vaardigheden worden gedeeld

*ieders mening / stem is waardevol en moet gehoord worden

*consensus doorbreekt de dictatuur van de meerderheid

*consensus stimuleert betrokkenheid en creativiteit

*een nieuwe samenleving middels nieuwe werkvormen

Een aantal voorbeelden, zelf in te vullen naar behoefte, ervaring,…

*Taken in het proces.

-Alle groepsleden:

zijn verantwoordelijk voor de taken van de gespreksbegeleidster: elkaar helpen, ondersteunen, niet afdwalen, op de sfeer letten; samen zoeken naar de volgende stap, de anderen echt horen, bereid zijn zelf ideeën los te laten en nieuwe te overwegen, voortbouwen op wat een ander inbrengt, veranderen van mening en creatief meedenken,… De individuele behoeftes en gedachten moeten afgewogen worden aan wat goed is voor de hele groep en het doel van de vergadering. We moeten proberen te begrijpen en begrijpelijk te zijn. Dat is iets anders dan de standpunten van ieder herhalen of een discussie van tegenstellingen voeren.

Richtlijnen:

+Probeer niet ten koste van alles de anderen van jouw standpunt te overtuigen. Vertel wel logisch en duidelijk wat jij vindt. Luister goed naar de anderen en denk na over hun reacties (“Ik weet dat je meent te begrijpen wat je denkt dat ik zei, maar ik ben er niet zeker van of je je bewust bent dat wat je hoorde niet is wat ik bedoelde”).

+Verander niet zomaar van mening om conflicten te vermijden en sneller een oplossing te bereiken. Steun alleen die oplossing waarmee je het in voldoende mate eens bent.

+Vermijd concfict-verminderende technieken als ‘meerderheid van stemmen’, ‘loten’,…

+Probeer er achter te komen welke meningsverschillen er zijn. Let daarbij vooral om der verschillende uitgangspunten.

+Iedereen is even verantwoordelijk voor het bereiken van een oplossing. Probeer iedereen in de discusie te betrekken.

+Beschouw de verschillende meningen eerder als een voordeel dan als een nadeel bij het zoeken naar consensus. Deze geven een uitgebreide informatie, waardoor de kans groter is dat het best mogelijke besluit door de groep genomen wordt.

+Voorkom dat de discussie beschouwd wordt als een wedstrijd. Het is niet de bedoeling dat iemand wint en dat een ander verliest. Zoek in plaats daarvan naar het meest aanvaardbare alternatief voor alle groepsleden.

+Consensus is het resultaat van de combinatie informatie, logisch denken en gevoel. Daarom met tijdens de discussies goed gelet worden op de sfeer in de groep.

-De gespreksbegeiderster:

heeft een aantal taken maar de verantwoordelijkheid voor het verloop en het resultaat van de vergadering ligt altijd bij de groep. Er zijn een aantal punten waarop de gespreksbegeleiderster let. Sommige daarvan kunnen overgedragen worden aan anderen (bv het bijhouden van de tijd, het opnieuw formuleren of samenvatten wat er gezegd is,…):

+formuleren waarover gepraat wordt en vragen of iedereen het daarmee eens is

+zorgen dat iedereen aan het woord komt

+zorgen dat iedereen kan volgen

+helpen bij het helder maken van wat mensen bedoelen door vragen te stellen of door het gezegde kernachtig te herhalen en te vragen of die samenvatting klopt

+de zwijgzamen naar hun mening vragen

+het gesprek niet laten afdwalen

+zorgen dat de discussies voortgang hebben

+helder samenvatten

+de sfeer prettig maken of houden door spelletjes, pauze, raam openzetten,…

+zichzelf zichtbaar en verstaanbaar maken voor iedereen

De begeleiderster mag zelf niet belanghebbend zijn in het gesprek. Als zijn of haar betrokkenheid te groot is of als hij / zij moe wordt is het goed iemand anders te vragen over te nemen.

-De tijdsbewakerster

zorgt dat de afgesproken termijnen per onderdeel worden gerespecteerd. De vergadering beslist.

-De notuliste zorgt voor verslagen, eventueel ook tijdens de vergaderingen (het ‘helder samenvatten’ van de gespreksbegeleiderster overnemen);

mogelijks schrijft iemand zaken kernachtig op ‘flappen’: grote stukken papier of een bord waarnaar kan worden teruggegrepen, zoiets als een realtime verslag dat voortdurend door iedereen kan worden geraadpleegd en eventueel aangepast.

-Eventueel –afhankelijk van de concrete situatie- kunnen koeriers ingeschakeld worden: zij onderhouden het contact tussen verschillende groepen en voorzien de groep van informatie over het verloop. Zij nemen geen beslissingen. Bij een ‘visbokaal’ (zie verder) nemen woordvoerder ongeveer dezelfde functie op.

-Eventueel vertaling,…

‘Gewone consensus’.

-Model uit de reader ‘training voor trainers’.

Bereid de vergadering voor (agendapunten, standpunten, informatie verzamelen,…)

Kiezen gespreksbegeleiderster;

Agenda (reden van agendering; doen van agedering: besluit of verkenning,…);

Oriëntatiefase (achtergrond van het onderwerp; reden; mate van dringendheid);

Informatiefase (alle informatie expliciet in de groep brengen; geen manipulatie / monopolie)

Meningsvormende fase :rondje meningen; brainstorm (tijdslimiet!) voordelen/nadelen en oplossingen; haalbaarheid van ideeën; beste ideeën op flap (idee-voordeel-nadeel-oplossing-voordeel-nadeel); discussie met oog voor inhoud en emotie -eventueel onderbroken door een spel-,...

àleidt tot een voorstel dat EENDUIDIG GEFORMULEERD is.

Besluitvormende fase: zijn we hier voor? Wie heeft bezwaren? Rondje! Vat overeenkomsten en verschillen kort samen. Echt afchecken van iedereen! Ja, voor; nee, geen bezwaar = consensus. Ja ik heb bezwaar: welke bezwaren?

Als er een verschil van mening is, bestaat het gevaar reëel dat degenen die het niet eens zijn met het voorstel zich in een afwijzende sfeer terugtrekken of hun bezwaren steeds herhalen. Vraag degenen die het oneens zijn of dat het hele voorstel betreft of dat ze het met een onderdeel ervan wel eens zijn. Als ze het met het hele voorstel oneens zijn kan hen gevraagd worden om zelf andere voorstellen te formuleren. Het kan nuttig zijn het gesprek opnieuw te voeren maar dan gericht op verandering, verbeteren, wijzigen en aanvullen van het voorstel. Het kan nodig zijn om op dit moment eerst een pauze in te lassen, een spelletje te doen of een ogenblik van stilte en denktijd te hebben. Het besluit kan ook uitgesteld worden. Doe dat nooit zomaar: maak een afspraak over wat er in de tussentijd moet gebeuren bv een groepje dat twee voorstellen omwerkt tot één voorstel. Als de groep toch een besluit wil nemen kan aan degene die het ermee oneens zijn, gevraagd worden om het besluit niet te blokkeren. Wie het niet eens is met een beslissing kan niet verplicht worden die uit te voeren.

Als dit allemaal niet lukt kan degene die het oneens zijn besluiten de groep te verlaten. Laat die persoon niet vallen.

Bij echte problemen zijn er vaak andere dingen aan de hand. Heb daar eerst aandacht voor: mensen hebben het gevoel niet serieus genomen te worden, mensen zijn zelf bang voor een situatie,… Bovendien is het niet onmogelijk dat één persoon scherper ziet wat goed is voor de groep.

Proces herhalen of uitstellen en eventueel overgaan naar nieuw agendapunt.

-Model uit ‘Conflict and consensus’ door C.T. Butler (mede-oprichter van Food Not Bombs).

a. INTRODUCTIE:

Verduidelijking proces

Presentatie van het voorstel of onderwerp

Vragen om de presentatie te verduidelijken

b. BREDE OPEN DISCUSSIE

Groepsdiscussie mits verschillende technieken:

-Identificatie (spreek elkaar bij naam aan, maak dat mogelijk door spelletjes, naamkaartjes, systematisch je naam zeggen voor je iets zegt,…)

-Discussies met de hele groep om tot een groepsidee te komen (ongestructureerd of wel gestructureerd)

-Discussies in kleine groepjes, die hun resultaten nadien samenbrengen via woordvoerders / verslaggevers

-Rondjes: ga één voor één iedereen af; ‘Ik ben het eens met wat gezegd is’, is niet genoeg: waarméé ben je het wel en niet eens? Dit is ook geen discussiemoment: luister goed naar elkaar en probeer duidelijk te weten wat iedereen (jijzelf incluis) wil. Verduidelijkende vragen kunnen wel.

-Visbokaal: Deelnemers met een verschillende mening gaan in de middencirkel zitten om te discussieëren terwijl de anderen een buitenste cirkel vormen en luisteren. Op het eind van een vooropgestelde tijd komt de hele groep terug bijeen en evalueert dan de visbokaal-discussie. Leuke variant: zet eerst de mannen in het midden en herhaal daarna dezelfde discussie met de vrouwen in het midden.

èafchecken: ‘Is er een consensus?’

c. VASTSTELLING VAN BEZWAREN

Maak een lijst van alle bezwaren

Bespreek de bezwaren die met de groep of het proces te maken hebben

d. BEZWAREN OPLOSSEN

Los de bezwaren op die met de groep of het proces te maken hebben

èafchecken: ‘Is er een consensus?’

Herformuleer de overgebleven bezwaren

Vragen om de bezwaren te verduidelijken

Discussie (één bezwaar tegelijk)

èafchecken: ‘Is er een consensus?’

e. MOGELIJKE NOODOPLOSSINGEN

1. Een stap opzij zetten.

2. Doorverwijzing naar een kleinere groep.

3. ‘BLOK’: er kan geen consensus worden bereikt –eventueel naar volgende vergadering verschuiven- en doorgaan met volgende agendapunt.

*Er zijn verschillende begeleidingstechnieken waarmee de vergaderstructuren kunnen worden aangevuld:

-het gelijk verdelen van de participatie

-een lijst bijhouden van wie het woord gevraagd heeft (chronologisch)

-als veel mensen tegelijk willen spreken laat je ze de hand opsteken en laat ze zelf oplopende getallen noemen (1, 2, 3, 4,…) en laat ze in die volgorde aan bod komen.

-de begeleiderster staat in voor het tempo van de vergadering

-als de vergadering stokt of als een aantal mensen domineren kan iedereen de vergadertechniek in vraag stellen en een alternatief voorstellen

-als het te snel gaat of de spanning oploopt kan een moment van stilte helpen

-een pauze nemen

-iedereen kan de vraag stellen ‘Is er een consensus?’

-een samenvatting maken van het voorstel, datgene waarover iedereen het eens is en dat wat nog ter discussie ligt

-het voorstel herformuleren

-expliciet uit je rol stappen als je inhoudelijke inbreng wilt

-een niet-bindend ‘referendum’ door handopsteking: ENKEL om na te gaan hoe diep de meningsverschillen zijn en een beeld te krijgen op de verdeeldheid

-censuur: als iemand voor zijn beurt spreekt, iemand onderbreekt, zichzelf blijft herhalen,… kan die persoon gesencureerd worden voor de duur van het agendapunt of voor langere tijd; in extreme gevallen of als blijkt dat de fundamentele doelstellingen te ver uit elkaar liggen kan iemand uitgewezen worden. Zowel censuur als uitwijzing kunnen pas na het vragen naar het waarom en een poging het probleem op te lossen.

‘Snelle consensus’. (bv. tijdens acties)

Kiezen voor een duidelijke vorm van snel besluiten nemen kan betekenen dat op moeilijke momenten gehandeld wordt vanuit het vertrouwen van de groep. Het voorkomt dat mensen met veel overwicht –die niet het vertrouwen van iedereen hebben- bepalen wat er gebeurt. Het is erop gericht dat de actie vanuit de eenheid van de groep gevoerd wordt.

-Formuleer voorstel (gebaseerd op de scenario’s die je vooraf hebt uitgewerkt);

laat iedereen tegelijk antwoorden door een aantal vingers op te steken (probeer je communicatie te verbergen voor politie,…):

1 (vinger opsteken) ik ben het met het voorstel eens en heb geen bezwaar

2 (vingers opsteken) ik heb bezwaar maar ik doe mee

3 ( “ “ ) ik heb bezwaar en doe niet mee, maar doe zelf gerust

4 ( “ “ ) ik heb bezwaar en wil niet dat jullie verder gaan (afhankelijk van afspraken vooraf en de omstandigheden kan deze optie weggelaten worden)

à eventueel kan een nieuw voorstel worden geformuleerd

à een grotere groep wordt onderverdeeld in kleinere groepjes die op dezelfde manier tot een collectief antwoord moeten komen.

-In sommige situaties is het beter om met snelle beslissers te werken: aan de hand van vooraf uitgewerkte scenario’s beslissen één of meer mensen. Vooraf moet duidelijk zijn op welke soorten situaties die snelle beslissers in aktie komen. Als die situaties zich niet voordoen blijft de groep collectief beslissen.

Als snelle beslissers besluiten hebben moeten nemen is het belangrijk om na de aktie te bespreken hoe het voor de groep, voor de snelle beslissers zelf en voor de actie is geweest. Als we met snelle beslissers werken houdt dat in dat de groep:

*vertrouwen in de snelle beslissers heeft;

*bereid is de besluiten uit te voeren;

*kritische blijft ten opzichte van de besluiten;

*de eigen mening alleen kenbaar te maken als anderen of de actie in gevaar zouden komen;

*zich niet afhankelijk maakt maar de eigen verantwoordelijkheid blijft dragen.

De snelle beslisser neemt grote verantwordelijheid op zich. Als hij of zij tijdens een actie een besluit moet nemen wordt het verloop van de actie sterk door hem of haar bepaald. Het is een taak die gemakkelijk te verwarren is met leiderschap.

-Vriendschapsgroepen (of kerngroepen, basisgroepen, steungroepen, affinity-groups) zijn kleine groepen van tien tot vijftien personen die elkaar kennen en ondersteunen. Deze groepen komen regelmatig bij elkaar, bereiden samen hun aandeel in de actie voor en verdelen de verschillende taken binnen de groep. Daardoor weten zij tijdens de actie waar ze aan toe zijn en kunnen ze samenwerken. De groep komt ook na een actie bij elkaar om na te praten en te kijken wat tijdens de actie goed en fout ging. Een actie betekent altijd spannende situaties en onverwachte gebeurtenissen. Het is van groot belang dat de actievoerders zich in de eigen groep veilig voelen. De structuur van vriendschapsgroepen maakt deze veiligheid mogelijk en is de basis voor collectieve vertanwoordelijkheid voor de actie. Er zijn drie aspecten die in een vriendschapsgroep aan bod moeten komen:

bouwen aan vertrouwen:

door zelf vertrouwen te geven, door eigen ervaringen te vertellen, door te vragen naar de ervaringen van de ander, door rond te kijken en te vragen hoe mensen zich voelen, door te vragen op welke manier je elkaar in de actie kunt ondersteunen, door aandachtig te luisteren en te innen wat de ander bedoelt te zeggen

Dit op elkaar letten is de taak van iedereen. Soms wordt deze taak maar door enkelen vervuld, soms alleen door vrouwen, die meer gewend zijn persoonlijke aandacht te besteden aan hun omgeving. Zowel voor, tijdens als na de actie kun je elkaar opvangen:

voor: overleg over ‘Wat heb je bij je?’, ‘Welke taak heb je?’, ‘Hoe voel je je?’, ‘Wat heb je nodig?’,…

tijdens: delen van eten en drinken, goed wisselen van plaats, vragen wie er wat nodig heeft, samen spelletjes doen en liedjes zingen,…

na: geef elkaar de kans om spontaan te vertellen, alles door elkaar, ga daar niet meteen over in discussie. Ieders ervaring is belangrijk. Bevestig elkaar daarin. Vertel ook aan elkaar wat je van de ander gezien hebt, vraag ernaar. Zeg het als je trots was op de ander, als je steun hebt gevoeld,…

uiten van emoties

Het uiten van emoties is van belang. Opgekropte emoties blokkeren je. We zijn allemaal bang om onze emoties te tonen. Velen hebben het gevoel dat ze het niet meer kunnen. Als we een actie coen is er altijd spanning. Spanning geeft emoties. We zijn bang, woedend, teleurgesteld, radeloos, geïnspireerd, verbaasd, geërgerd,… Als we die emoties niet uiten slaan we dicht. Als de emotie zich richt op de tegenstander is het vanzelfspreken dat je gehoord wordt in je eigen groep, dat je gevoel gedeeld wordt en dat je het zo te boven kunt komen en verder kunt.

Als het zich richt op iemand uit de eigen groep is dat veel moeilijker. Als je tijdens een actie door iemand anders in de steek gelaten hebt gevoeld of als je je ergert aan het gedrag van een ander groepslid kan dat je lam leggen en isoleren. Probeer eventueel dat gevoel direct te verwoorden en af te spreken het er na de actie over te hebben.

omgaan met kritiek

Kritiek krijgen is moeilijk. Rechtstreekse kritiek hebben is ook moeilijk. Heel vaak beginnen we er niet aan: het risico niet begrepen te worden is te groot. We vertellen dan aan één of meer anderen hoe vervelend die ene persoon is. Het wordt roddelen en er ontstaat een sfeer van wantrouwen.

Het is de verantwoordelijkheid van de hele groep dat zo’n gesprek tot een goed einde kan komen. De andere groepsleden hebben de taak ervoor te zorgen dat geen van de partijen in de kou komt te staan. Beide partijen moeten de ruimte krijgen om te zeggen wat ze willen zeggen: beide moeten ze zich gesteund weten en opgenomen in het geheel van de groep.

Denk bij het geven en in ontvangst nemen van kritiek aan de volgende punten:

-spreek voor jezelf: ‘Ik vind het moeilijk als jij …, want …’

-zeg concreet waarop je kritiek teruggaat: ‘Toen jij … dan deed je …’

-als je kritiek krijgt, hoor dan hoe dat voor die ander is, en zeg dat: ‘ik hoor dat je het gevoel kreeg dat … Dat vind ik rot want…’

als je kritiek krijgt, ga dan niet meteen in de verdediging (dat is een bijna automatische reactie van ons allemaal) maar probeer eerst alles van de ander te horen en te erkennen; later kun je jouw kant vertellen

-vraag aan he eind of alles uit de weg geruimd is of dat er nog iets moet gebeuren voor je samen verder kan gaan

-vraag de andere groepsleden te vertellen hoe dit gesprek voor hen was

*EVALUATIE:

Er zijn minstens tien manieren waarop evaluatie vergaderingen helpt verbeteren:

-het verbetert de analyse van wat er gebeurd is, waarom het gebeurd is en wat eraan kan verbeterd worden

-het onderzoekt hoe bepaalde houdingen en uitspraken diverse problemen kunnen veroorzaken en moedigt speciale aandacht aan voor het verhinderen van het herhalen ervan

-het maakt een beter doorzicht mogelijk van groepsdynamiek en moedigt een methode aan waarmee de groep kan leren of van elkaar kan leren

-het laat het vrij uitdrukken van emoties toe

-het maakt onbewust gedrag of houdingen duidelijk die het proces storen

-het moedigt het uitwisselen van observaties aan

-het gaat het nut en effectiviteit na van technieken en procedures

-het erkent goed werk en maakt het mogelijk elkaar expliciet te waarderen

-het denkt na over de doelen van de bijeenkomst en onderzoekt of die doelen gehaald zijn

-het onderzoekt verschillende rollen, stelt voor hoe ze beter kunnen worden ingevuld en creëert er nieuwe naar behoefte

-voorziet een algemeen gevoel van vervollediging en afsluiten van de bijeenkomst.

Probeer verschillende aspecten te scheiden. Om te beginnen is het goed het verschil altijd duidelijk te maken tussen OBSERVATIE en INTERPRETATIE. Begin met wat je denkt te hebben gezien en gehoord, vraag of dat klopt. Pas dan geef je je eigen interpretatie en vraag je opnieuw of die klopt.

Proces:

*Rondje individueel: hoe voelde ik me, hoe gedroeg ik me en waarom?

*Hoe ervaarde ik de andere deelnemers?

*Zijn alle benodigde rollen naar behoren ingevuld?

*Zijn de procedures gevolgd?

*Was er genoeg aandacht voor non-verbale communicatie, was het eten lekker…?

Product:

Beantwoordt het resultaat aan de doelstellingen?

Is er een echte, vrije consensus: was er druk? Zijn er fundamentele discussies over het hoofd gezien? Staat iederen echt achter de beslissingen?

*ALGEMEEN:

-Consensus is gebaseerd op:

vertrouwen

respect

eenheid van doelstellingen

geweldloosheid

zelfbekrachtiging

samenwerking

conflicthantering en –oplossing

toegewijdheid aan de groep

actieve deelname

gelijke toegang tot macht

geduld.

-Bedreigingen van consensus:

gebrek aan training

externe, verborgen of informele hiërarchische structuren

sociale vooroordelen

-Zorg dat er altijd evenwicht is in de bijeenkomsten tussen zakelijk en persoonlijk bezig zijn.

-Vorm regelmatig kleine groepen waarin wat dieper op de persoonlijke mening van iedereen ingegaan kan worden.

-Luister goed naar wat mensen zeggen. Dat betekent niet alleen dat je iemand laat uipraten (wat vaak al heel moeilijk is) maar het betekent ook dat je opde ander ingaat… dat je vragen stelt en waardoor het samen denken op gang kan komen.

-Doe regelmatig een rondje. In een rondje zegt iedereen in de groep iets van zichzelf. Dat kan wel of niet op de actie gericht zijn. Belangrijk is dat ieder heel kort even gehoord en gezien is.

-Doe tussendoor een spelletje of zing een lied. Als je niet alleen maar praat maar ook lichamelijk in beweging bent, elkaar aankijkt en aanraakt, kan er veel meer onderling op gang komen.

-Wees je bewust van de sfeer in de groep en breng het ter sprake als het de voortgang hindert. Misschien moet alleen het raam open of broeit er een ruzie.

Het doel van organiseren is meer dan het samen prettig hebben. Het is een werken aan, voorbereiden van een samenleving waarin mensen met elkaar in een open ontmoeting werken aan verandering. Die begint altijd bij onszelf, vandaag!

Wees niet te snel ontmoedigd als de consensusprocedure niet meteen soepel loopt. Het kan alleen maar werken als we ermee willen leren werken. Op termijn zal blijken dat het ons naar inhoud van de besluiten en naar de samenhang in de groep sterker maakt.

ROLLENSPEL

Rollenspel is een buitengewoon nuttig instrument voor activisten.

Ten eerste helpt het ons onszelf als individuen voor te bereiden op wat de toekomst te bieden kan hebben. Je kunt verschillende scenarios bedenken en verschillende reacties van jezelf en anderen. Dit kan als voorbereiding op een vergadering of pogingen om een of ander plan uit te denken. Omdat iedereen vooraf over de dingen heeft nagedacht win je tijd op het moment dat je elkaar ontmoet: je kunt efficiënter (korter) en effectiever (beter) afspraken maken, raakt minder gefrustreerd en houdt meer tijd over voor andere zaken.

Ten tweede heb je niet eens een groep nodig om over dingen na te denken. Je kunt verschillende rollen tegelijk spelen. Bedenk dat het geen spel is dat je moet winnen, maar een inleven in een rol waarvan je moet leren.

Aan de andere kant is het leuk om in groep te doen. Het is simpelweg minder saai dan op een stoel zitten en droge ‘zaken’ bespreken. Je kunt vrijer denken en daarom realistischer over de kansen dat iets zus of zo zal evolueren. Je maakt duidelijk welke informatie ontbreekt, welke cruciale posities (sociaal of anders) ingenomen moeten worden, wat er moet gebeuren om dit mogelijk te maken,...

Je bereikt vaak betere resultaten omdat de druk minder groot is. Meer mensen vinden het bovendien ook gemakkelijker om evenwaardig deel te nemen aan het proces. Het wordt gemakkelijker om interne machtsspelletjes te ondergraven omdat het proces moeilijker te beheersen is en omdat mensen minder onder de indruk lijken van machtsstrategiën dan op een ‘formele’ vergadering.

Het is gemakkerlijker plaats te maken voor fundamentele of politieke / ethische discussies. Dat betekent niet dat die niet ook moeten aan bod komen buiten het rollenspel, maar de kans dat ze op vergadering tot een formele consensus leiden is klein. En het te hard nastreven van zo’n ad hoc consensus kan leiden tot formele formuleringen en diplomatieke abracadabra.

Het is een goede manier om de besluitvormingsprocessen hierboven in te oefenen. Kies een onderdwerp waarvan je weet dat het geen verstrekkende effecten zal hebben voor je groep in het geval je ’t niet eens raakt. Of kies gewoon een leuk onderwerp. Je kunt het consensusmodel proberen, de tijdslijn en de SWOT-analyse om af te spreken waar je iets gaat drinken of welke film je wil zien.

Een volledige lijst met onderwerpen is zelfs ondenkbaar. Alles dat relevant is voor jou of jouw groep kan een onderwerp worden voor een rollenspel. Hier zijn nog een paar ideeën:

  • Neem een kaart van de stad of regio waar je actief bent en stel strategische doelen op voor de revolutionaire beweging in opstand, waarbij een aantal spelers de besdrijfsleiders zijn, de politie, fascisten, Trotskisten,... Bediscussieer het eventueel gebruik van geweld van verschillende zijden. Onderbouw scenario’s met feiten uit het verleden.

  • Stel je een industriële omgeving voor en bedenk wat er nodig is voor een overname door de arbeiders: wat met politie, afzetmarkt (klanten, juridische aspecten,...), product-omschakeling naar ecologisch verantwoorde spullen,...

  • Beeld je de volgende vergadering in van je groep. De voorbije weken wou je een aantal dingen aankaarten, maar op één of andere manier krijg je de boodschap niet overgebracht. Waarom? Wat probeer je te zeggen? Aan wie? Hoe? Wanneer? Is een formele vergadering wel het goede moment? Zijn de anderen het probleem? Is het proces het probleem? Wat heb je nodig om je zegje gezegd te krijgen? Wie staat je in de weg? Waarom? Hoe? Ben je ’t zelf? Hoe kun je jezelf veranderen?

  • Je begeleidt de volgende bijeenkomst. Wat wil je zeggen? Wat wil je doen? Wat staat er op de agenda? Welke informatie is er wel en welke niet? Heeft iedereen genoeg informatie gekregen om zich te kunnen voorbereiden?

Bedenk dat een rollenspel geen verzameling doemscenario’s is. Het staat ook niet los van de realiteit: je komt nergens als je je voorstelt dat Marsmannetjes ons komen redden van de ondergang (hoewel dat leuk zou kunnen zijn als echt spel). Het rollenspel is een poging om een realistisch beeld te krijgen op wat er zou kunnen gebeuren en hoe we de gebeurtenissen kunnen beïnvloeden of alternatieve mogelijkheden te bedenken als leerproces voor gebeurtenissen uit het verleden.

Conclusie:

Zo. Natuurlijk is hiermee het laatste woord nog niet gezegd. Er is een oneindigheid aan speciale vaardigheden en technieken te leren; een oneindig aantal inzichten te combineren en onnoemelijk veel mensen om dit samen mee te doen.

We zijn dan ook hard aan het werken aan een vollediger uitgave. Wie geïnteresseerd is kan ons zijn e-mail adres doorgeven. Je krijgt het boek dan digitaal van zodra het af is, hopelijk begin volgend jaar.

Bovendien zijn we ervan overtuigd dat je op de CD-roms en op internet (onze site www.anarchyisorder.org en andere) meer dan genoeg vindt om zelf je vragen te gaan beantwoorden.

Ik hoop dat je hier iets aan hebt. Vragen, kritiek, aanvullingen, enz zijn meer dan welkom.

Amor y rabia. Don’t let the bastards grind you down.

Pépé.

Dit is niet het ‘anarchistische kookboek’ dat je verwacht: geen bommen en granaten. Niks van de andere archetypische zaken dat je in de ‘kookboeken’ die vaak door extreem-rechts uitgegeven worden om ons in een slecht daglicht te stellen.

Tom Wetzel zegt ‘Een sociale relatie kun je niet opblazen.’

Hoe KUNNEN we dan onze toekomst beïnvloeden als de boel opblazen ons weinig hoop kan brengen?

‘Anarchie is Orde –ons anarchistisch kookboek’ is onze poging om het anarchisme (nog maar eens) te her-her-uitvinden. Zoals we dat allemaal van tijd tot tijd zouden moeten proberen: een poging deze complexe planeet te vatten in eenvouding en oplosbare problemen met realistische oplossingen (JAWEL).

Nu is weinig in dit pamflet echt nieuw. Ik ben geen genie. Ik ben geen universiteitsprofessor. Ik probeer samen te vatten wat ik geleerd heb uit het (mijn en ons) verleden.

Cynisme is gemakkelijk. Het is gemakkelijk monolitische vijanden te bedenken. Het is gemakkelijk te wanhopen. Cynisme is voor losers, en we kunnen ons niet veroorloven te verliezen.

Mijn conclusie is dat we zullen moeten samenwerken, ook als we andere dingen doen. Alleen aanval en verdediging met gesloten rangen en gecoördineerde fronten kunnen ons vooruit helpen.

WE CAN WIN – WE CAN LOSE

WE CAN FIGHT – WE CAN CHOSE

BUT THEY’RE NEVER GOING TO FUCK US UP AGAIN

(Charlie don’t surf – cheers, guys)

[1] Er bestaat nogal wat spraakverwarring rond verschillende termen als macht, hiërarchie, gezag, autoriteit, vrijheid, autonomie,… Zonder te denken dat ikzelf het ultieme antwoord ken bedoel ik in de tekst het volgende: vrijheid van iets (negatieve vrijheid) is bijvoorbeeld geen honger hebben; vrijheid tot iets (positieve vrijheid) is in de mogelijkheid zijn te … en lijkt sterk op autonomie of kracht. Gezag en autoriteit worden voortdurend door elkaar gehaald en kunnen naast hun machtsbetekenis ook de betekenis hebben van bijvoorbeeld vertrouwen in iemand hebben omdat die over iets gewoon meer weet dan ikzelf: in de eerste betekenis is de (‘autoritaire, hiërarchische’) verhouding institutioneel en afdwingbaar, terwijl ze in het tweede (‘gezag’) een vrije keuze tot ‘vertrouwen of niet’ inhoudt en beperkt is in tijd, ruimte, onderwerp,… Ik stel voor ‘macht’ slechts te gebruiken waar autoriteit en hiërarchie meespelen: ‘in staat zijn tot’ , ‘in de mogelijkheid zijn te’,… beschrijf ik liever als (positieve) vrijheid, autonomie, kracht,…

[2] vrouwen, arbeiders,… waarbij wordt opgelet voor het ‘mengen van klassen’ gezien het feit dat een slechte klassenmix het voor de ‘lagere’ klassen moeilijk kan maken te participeren

[3] Het is mij hierbij niet helemaal duidelijk waarom Bookchin de ‘bevrijdingsstrijd van de vrouw’ en ‘bevrijding van homoseksualiteit’ bij het ‘individuele’ luik indeelt: ik zou ze eerder opnemen bij het aspect ‘strijdthema’s’ omdat het toch duidelijk in de eerste plaats groepen zijn die zich van discriminatie en onderdrukking moeten bevrijden. Individuen worden met andere woorden gediscrimineerd op basis van specifieke groepskenmerken, zoals ook met racisme,… gebeurt.

* * * * *