Titel: De libertaire luis in de baard van Marx
Ondertitel: Anarchistische bedenkingen bij het Communistisch Manifest
Auteurs: Jacons, Roger

ATHENE Webtijdschrift voor directe democratie > ARCHIEF > De radicaal democratische opvattingen van KARL MARX september 2005 [7]

 

DE LIBERTAIRE LUIS IN DE BAARD VAN MARX

Anarchistische bedenkingen bij het Communistisch Manifest

 

door Roger Jacobs

 

 

Dit essay werd in 1998 geschreven naar aanleiding van de 150ste verjaardag van de publicatie van ‘Het communistisch Manifest’ van Karl Marx en Friedrich Engels. Het verscheen in een bundel, samen met andere bijdragen, die werd uitgegeven door het Instituut voor Marxistische Vorming (IMAVO, Brussel, 1999). In het essay formuleer ik een libertaire kritiek op de politieke filosofie van Marx en probeer tegelijkertijd een aanzet te geven voor een geactualiseerde post-marxistische politieke theorie. Ondertussen hebben er zich een aantal politieke en maatschappelijke tendensen doorgezet die ons zeker niet optimistisch stemmen maar die tegelijkertijd nog eens de noodzaak van een herdenken van een links politiek alternatief onderstrepen. In deze periode werden ook nieuwe lofwaardige ideeën gelanceerd door een brede waaier van radicale denkers zoals Toni Negri (De menigte), Michael Albert (The trajectory of change), John Holloway (Change the world without taking power) en Miguel Benasayag (Verzet als scheppende kracht). Mij ontbrak de tijd om deze nieuwe ideeën in een herziene versie van het essay te verwerken. Ik blijf echter vasthouden aan de hoofdgedachten ervan en hoop dat deze kunnen fungeren als ingrediënten voor een nog te ontwerpen wervend links radicaal project.

 

De oude vete.

 

In het Communistisch Manifest zijn al alle elementen aanwezig die een paar decennia later anarchisten en marxisten definitief uit elkaar zullen drijven. Toch had Michael Bakoenin, de anarchistische barricadefilosoof, best heel wat waardering voor het wetenschappelijke werk van Marx dat de strijd

 

voor het socialisme op een 'materialistische' wijze benaderde, ontdaan van de idealistische en utopische franjes die het vroeg-socialisme kenmerkten. Hij respecteerde de inspanningen van de 'eminente geleerde' Marx om een geschiedeniswetenschap op poten te zetten, maar, zo waarschuwde hij, het moet wel een wetenschap zijn die besef heeft van haar eigen grenzen. 'Alles wat wij met recht van haar mogen vragen is ons met krachtige en betrouwbare hand de algemene oorzaken van het individueel lijden te schetsen - en zij zal ongetwijfeld niet vergeten bij die oorzaken de helaas nog te gebruikelijke opoffering en ondergeschiktheid aan de abstracte algemeenheden te vermelden; en wij mogen verlangen dat zij ons tezelfdertijd de algemene voorwaarden toont die noodzakelijk zijn voor de werkelijke bevrijding van de individuen die in de maatschappij leven'. Tegelijkertijd moet zij 'haar absolute onmacht erkennen om de werkelijke individuen te begrijpen en in hun lot belang te stellen, en definitief en absoluut afzien van de regering over de maatschappij; als zij zich immers hierin mengde, zou zij niets anders kunnen doen dan steeds de levende mensen, die zij niet kent, op te offeren aan haar abstracties die het enige voorwerp van haar gewettigde zorg vormen' [Michael Bakoenin, Over Anarchisme, Staat en Dictatuur (samengesteld en ingeleid door Arthur Lehning), Manifesten, Den Haag, 1970, pp. 92-93].

 

Anarcho-socialisten zullen het Manifest beoordelen als een met verve en groot meesterschap getekende schets van de revolutionaire omwentelingen die het kapitalisme teweegbrengt in het maatschappelijke weefsel, van de interne contradicties waaronder het gebukt gaat en ook van de objectieve mogelijkheden die het biedt om een einde te maken aan de oude klassenmaatschappij en deze te vervangen door een 'associatie waarin de vrije ontwikkeling van ieder de voorwaarde is voor de vrije ontwikkeling van allen' [Zie o. m. M. Bookchin, Het Communistisch Manifest: Inzichten en Problemen in: VerZ. Kwartaalblad voor een libertair Socialisme 11, juli-sept. 1998, pp. 35-48]. Ook Bakoenin zag er in zijn tijd geen graten in om te zorgen voor de eerste Russische vertaling van het Manifest, dat in 1869 in Genève verscheen (zij het dat de inhoud volgens een voetnoot van Marx en Engels in het Manifest 'op verschillende plaatsen verdraaid' werd).

Maar in het Manifest staat ook een expliciete passage die later als splijtzwam tussen marxisten en anarchisten in de schoot van de Eerste Internationale zal fungeren. Marx en Engels hebben namelijk een uitgesproken mening over hoe die 'vrije associatie' zou moeten gerealiseerd worden. Zij schrijven: We zagen hierboven al dat de eerste stap in de arbeidersrevolutie de verheffing van het proletariaat tot heersende klasse, de verovering van de democratie is. Het proletariaat zal zijn politieke heerschappij gebruiken om aan de bourgeoisie stap voor stap alle kapitaal te ontrukken, alle productiemiddelen te centraliseren in handen van de staat, dat wil zeggen van het als heersende klasse georganiseerde proletariaat, en de massa van de productiekrachten zo snel mogelijk te vergroten [Karl Marx & Friedrich Engels, Het Communistisch Manifest, Amsterdam 1972, p. 65]

Via de verovering van de staatsmacht kan de economische basis geschapen worden voor een klassenloze - en dus ook staatloze (want de staat is steeds een onderdrukkingsinstrument in handen van een dominerende klasse) maatschappij.

 

Maar er is dus een overgangsperiode nodig - soms 'dictatuur van het proletariaat' genoemd door Marx - vooraleer de staat kan 'afsterven'. Deze ganse gedachteconstructie werd bijna 40 jaar later door Engels in een beroemde passage samengevat: De staat is dus niet van alle eeuwigheid (....). Wij naderen thans met rasse schreden een trap van ontwikkeling waarop het bestaan van deze klassen niet alleen opgehouden heeft noodzakelijk te zijn, maar een directe belemmering voor de productie wordt. Even onvermijdelijk als zij vroeger zijn ontstaan zullen zij ten ondergaan. Met hen valt onvermijdelijk de staat. De maatschappij die de productie op grondslag van vrije en gelijke associatie van de producenten opnieuw organiseert zal de gehele staatsmachine een plaats inruimen die haar dan zal toekomen: in het museum van oudheden, naast het spinnewiel en de bronzen bijl.” [Friedrich Engels, De Oorsprong van het Gezin, van de particuliere Eigendom en van de Staat, (1884), Moskou, 1974, pp. 177-78]

 

Hoe kan dat nu, is de reactie van Bakoenin, om ons einddoel van een klassen- en staatloze maatschappij te bereiken zouden we in eerste instantie de staatsmacht formidabel moeten gaan versterken (zij zou immers niet enkel meer het monopolie van het geweld hebben, maar ook dat van de productiemiddelen)? Bakoenin, en hierin gevolgd door de ganse libertair-socialistische traditie [A. Lehning, Radendemokratie of Staatscommunisme. Marxisme en Anarchisme in de Russische Revolutie, Amsterdam, 1972, p. 62; J. Bourdet, Pour l'Autogestion, Paris, 1974, p. 60; J. Clark, Marx, ‘Bakunin and Social Revolution’, in: The anarchist Moment. Reflections on Culture, Nature and Power, Montréal, 1984, pp. 6769; T. Geurtsen, De Fabel van het linkse Ongelijk. De bolsjewistiese Katastrofe: een nieuwe Kans voor het Socialisme, Amsterdam, 1990, pp.9798], spreekt in dit verband van een onverenigbaarheid van doel en middelen. “Zij zeggen, dat een dergelijk staatsjuk, een dictatuur, een noodzakelijk tussenstadium is om de volledige bevrijding van het volk te bereiken: de anarchie of vrijheid is het doel, de staat of dictatuur het middel. Dus, om de volksmassa's te bevrijden moet men hen eerst knechten. De marxisten betogen, dat alleen een dictatuur, de hunne natuurlijk, de vrijheid van het volk kan scheppen. Wij antwoorden: geen enkele dictatuur kan een ander doel hebben dan zichzelf te bestendigen en dat zij slechts in staat is om in het volk, dat haar moet verduren, slavernij voort te brengen en op te kweken; vrijheid kan slechts tot stand gebracht worden door vrijheid, d.w.z. door een opstand van het hele volk en door de vrije organisatie der arbeidersmassa's van onderen af”. En nog: “Terwijl beide evenzeer voorstander zijn van de wetenschappelijke methoden, zouden eerstgenoemden deze willen opleggen, terwijl de anderen zich zullen beijveren ze te propageren opdat de overtuigde groepen mensen zich spontaan en vrij, van beneden naar boven organiseren en federaliseren, uit eigen beweging en in overeenstemming met hun werkelijke belangen, maar nimmer volgens een plan dat van te voren is opgesteld en aan de onwetende massa's door enkele superieure breinen wordt opgelegd. De revolutionaire socialisten menen dat er veel meer praktisch inzicht en geestkracht schuilt in de instinctieve aspiraties en werkelijke behoeften van de volksmassa's dan in de diepzinnige intelligentie van alle geneesheren en opvoeders der mensheid die na zoveel mislukte pogingen om haar gelukkig te maken nog steeds beweren hun inspanningen te vergroten' [Michael Bakoenin, Het Communistisch Manifest: Inzichten en Problemen 1998, pp. 172-173, 129]

De laatste zin in het citaat verwijst naar Bakoenins verwijt aan het adres van de 'geleerde' Marx dat diens wetenschap de haar gestelde grenzen overschreden heeft waardoor ze van een medium van verlichting en bewustwording verwordt tot een instrument van verdrukking: 'Er zal dus geen bevoorrechte klasse meer zijn, maar een regering en, let wel, een bijzonder ingewikkelde regering, die zich niet tevreden zal stellen met het politieke bestuur en beheer van de massa's, zoals alle huidige regeringen, maar die bovendien het economische beheer zal voeren door de productie in haar handen te concentreren, en de rechtvaardige verdeling der rijkdommen, de bebouwing van het land, de vestiging en ontwikkeling van fabrieken, de organisatie en leiding van de handel, tenslotte het gebruik van kapitaal bij de productie door de enige bankier, de staat. Dit alles zal een geweldige wetenschap en vele hoofden boordevol van hersens, in de

regering vereisen. Het zal de heerschappij van het wetenschappelijk verstand zijn, het meest aristocratische, despotische, arrogante en minachtende van alle regimes. Er zal een nieuwe klasse ontstaan, een nieuwe hiërarchie van werkelijke en denkbeeldige geleerden, en de wereld zal verdeeld worden in een minderheid die heerst in naam van de wetenschap en een geweldige onwetende meerderheid. En wee dan de massa onwetenden!' [M. Bakoenin, Het Communistisch Manifest, pp.179180]

 

Bakoenin is wel bereid de intellectuele superioriteit van Marx te erkennen, maar niet om hem als 'hét socialistische orakel' op een voetstuk te plaatsen. Ook anderen hebben waardevolle dingen gezegd en geschreven, o.m. de door Marx zo gekleineerde Proudhon, waarmee Bakoenin zich meer verwant voelde dan met de arrogante Duitser. Daar nam Marx geen genoegen mee. Dat kon ook niet omdat hij, of in ieder geval zijn naaste omgeving, de pretentie koesterde de geheimen van de maatschappelijke ontwikkeling (in het verleden en de toekomst) blootgelegd te hebben, net zoals Darwin in die jaren de wetten van de natuurlijke evolutie had ontdekt [Marx & Engels, Communistisch Manifest (voorwoord bij de Engelse uitgave van 1888), 1998, p.47]. Omgezet in politieke onfeilbaarheid had die wetenschappelijke pretentie zeer nare gevolgen voor mensen die vraagtekens plaatsten bij het wetenschappelijk karakter van Marx' politieke theorie. 'Marx vond dat hij andere opvattingen over het socialisme overbodig had gemaakt. Zijn 'denktank' had al dat vreemd gevogelte a.h.w. 'vermalen' en wat ervan bruikbaar was verwerkt in zijn conceptie over de ontwikkeling van de samenleving naar het socialisme toe. De leer van Marx verlangde een alleenrecht, een monopolie op. Principieel andere socialistische ideeën werden door Marx een sta-in-de-weg gevonden en vandaar was het nog maar een stap om de aanhangers van die andere opvattingen te verketteren en als vijanden van het socialisme te criminaliseren' [R. de Jong, Haalt Marx 1984?, De As 61, jan.-mrt. 1983, p. 2].

 

 

Marx' libertaire Wende.

 

Marx ging ervan uit dat de eerste stap in de realisatie van het socialisme de verovering – langs parlementaire of gewelddadige weg, dat deed niet ter zake - van de staatsmacht was, wat het proletariaat het gepaste middel in handen zou geven om de economische fundamenten van de kapitalistische heerschappij te vernietigen. Het is een overgangsperiode - de dictatuur van het proletariaat - waarin de productieverhoudingen dusdanig gewijzigd

 

worden dat een klassenloze maatschappij mogelijk wordt wat op zijn beurt weer zal leiden tot het overbodig worden van de staat en haar uiteindelijk afsterven. De staat laten afsterven door hem eerst te versterken, dat is waarschijnlijk een ingewikkeld staaltje historische dialectiek, maar Bakoenin en zijn medestanders beschouwden het eerder als een in een wetenschappelijk kleedje verhulde utopie...

 

En dan kwam de Commune van Parijs: in de maanden maart en april 1871 slaagde het Parijse volk erin, na de nederlaag van de Franse keizer tegen de Pruisen, het burgerlijke bestuur door een socialistisch te vervangen. Op Marx maakte deze historische gebeurtenis een dusdanige indruk (hoewel zijn tegenstanders het eerder als een opportunistische koerswending zagen) dat hij een totaal nieuwe invulling gaat geven aan het begrip van 'dictatuur van het proletariaat'. “De Commune”, zo schreef hij, “was de eindelijk ontdekte politieke vorm waarin zich de economische bevrijding van de arbeid kan voltrekken” [Karl Marx, De Burgeroorlog in Frankrijk, Amsterdam, 1971, p. 83].

 

In De Burgeroorlog in Frankrijk, een geschrift gewijd aan de Franse gebeurtenissen in voorjaar van 1871, schrijft Marx dat de Commune het bewijs leverde, dat: de arbeidersklasse de bestaande staatsmachine niet zo maar in bezit kan nemen en voor eigen doeleinden in beweging zetten. De gecentraliseerde staatsmacht, met zijn alomtegenwoordige organen - het staande leger, de politie, de bureaucratie, de geestelijkheid, de rechterlijke stand, organen, opgericht volgens het plan van een systematische en hiërarchische arbeidsdeling - stamt uit de tijd van de absolute monarchie waar zij voor de opkomende bourgeois-maatschappij als een machtig wapen in haar strijd tegen de feodaliteit, dienst deed [De Burgeroorlog in Frankrijk, p. 75]

 

Daarom kozen de Communards er niet voor de staat in een verre, onbestemde toekomst te laten afsterven, maar vernietigden haar van de ene op de andere dag en dat op een moment dat er nog geen sprake was van een hogere productienorm en de klassenoorlog in alle hevigheid woedde. Zij vervingen het burgerlijke staatsapparaat door een bestuursmodel dat als twee druppels water geleek op het federalistische

ideaal dat Proudhon en Bakoenin steeds verdedigd hadden. Marx beschreef als volgt de werking en plannen van de Parijse Commune: De Commune werd gevormd door de met algemeen kiesrecht verkozen stadsraden uit de verschillende wijken van Parijs. Zij droegen verantwoordelijkheid en waren ieder moment afzetbaar. De meerderheid werd vanzelfsprekend gevormd door arbeiders of erkende vertegenwoordigers van de arbeidersklasse (....) De politie, voorheen werktuig van de staatsregering, werd terstond van al haar politieke eigenschappen ontdaan en in een verantwoordelijk en steeds afzetbaar werktuig van de Commune veranderd (....) Zo ging het ook met de ambtenaren uit alle andere bestuurslichamen. Van de Communeleden tot de lagere instanties werd de openbare dienst tegen arbeidsloon verricht. De rechten en representatiekosten van de hogere staatsfunctionarissen verdwenen met de functionarissen zelf. De openbare ambtenaren waren niet langer privé-eigendom van de handlangers der centrale regering. Niet alleen het stadsbestuur, ook ieder voordien door de staat te nemen initiatief werd in handen der Commune gelegd (....) (....) De Commune van Parijs had vanzelfsprekend alle grote industriële centra tot voorbeeld moeten dienen. Wanneer de organisatie van de Commune in Parijs en de secundaire centra zou zijn ingevoerd, had de oude centralistische regering ook in de provincie moeten wijken voor het zelfbestuur der producenten (....) De Commune dient de politieke vorm van zelfs het kleinste dorp te zijn ... De gemeenten uit ieder gewest zouden hun gemeenschappelijke aangelegenheden moeten regelen door een vergadering van afgevaardigden in de gewestelijke hoofdstad; deze gewestelijke vergaderingen konden dan weer gedelegeerden naar een nationaal congres zenden- deze waren ieder ogenblik afzetbaar en gebonden aan de instructies van hun kiezers (....) De weinige maar belangrijke functies die een centrale regering dan nog overblijven, zouden niet afgeschaft moeten worden -zoals opzettelijk verdraaid is weergegeven-, maar opgedragen aan strikt verantwoordelijke ambtenaren van de Commune. De eenheid van de natie dient niet gebroken, maar integendeel georganiseerd te worden door de vernietiging van een staatsmacht die alleen maar op deze natie parasiteerde en er onafhankelijk en superieur tegenover wilde optreden, onderwijl pretenderend de belichaming van haar eenheid te zijn. Het gaat erom de zuiver repressieve instellingen van de oude regeringsmacht te onderdrukken: de met recht bestaande functies van deze macht moeten haar, die boven de maatschappij pretendeerde te staan, ontnomen worden en weer in handen komen van de verantwoordelijke dienaren van de maatschappij. [De Burgeroorlog in Frankrijk, pp. 79-81]

 

De reactie van Bakoenin op deze libertaire Wende van zijn voornaamste politieke tegenstrever is sceptisch: Het effect (van de Commune) was overal zo overweldigend dat zelfs de marxisten, waarvan de ideeën helemaal overhoop gegooid werden, zich verplicht zagen voor haar hun hoed af te nemen. Zij deden zelfs meer: ingaand tegen de meest simpele logica en hun echte gevoelens, verkondigden ze dat haar programma en doelstellingen ook de hunne waren. Dat was een kluchtige, maar gedwongen travestie. Ze moesten wel zo handelen om niet overvleugeld en door iedereen verlaten te worden, zo heftig waren de gevoelens die deze revolutie overal ter wereld had opgeroepen. [Gecit. in: Daniël Guérin, ‘Un Marx libertaire?’, in: Pour un Marxisme libertaire, Parijs, 1969, pp. 9596]

 

Bakoenin had een zwaarwegende reden om de marxisten te wantrouwen. Want net op het moment dat beide stromingen elkaar gevonden leken te hebben in de revolutionaire arbeidersstrijd, putten Marx en Engels zich uit in intriges en manipulaties om de Internationale Arbeidersassociatie (beter gekend als de Eerste Internationale) naar hun hand te zetten en de anarchistische dwarsliggers buiten te manoeuvreren. Inzet van de strijd is o.m. de organisatiestructuur van de Internationale die volgens Bakoenin zo veel mogelijk het nagestreefde ideaal moest benaderen ('De Internationale, de kiem van de toekomstige menselijke samenleving, is eraan gehouden, reeds nu de getrouwe afbeelding te zijn van onze principes van vrijheid en federalisme en uit haar schoot dàt principe te verwijderen dat naar autoriteit en dictatuur neigt'). Uit Engels reactie blijkt dat de lessen getrokken uit de Commune van Parijs niet erg diep in de marxistische hersenschors zijn doorgedrongen:

Net nu wij onze huid met hand en tand moeten verdedigen, zou het proletariaat zich niet mogen organiseren volgens de noden van de strijd, maar wel volgens de voorstellingen die zich enkele fantasten van een onbestemde toekomstige maatschappij maken. [F. Engels, ‘Der Kongress von Sonvillier und die Internationale’ in: Marx-Engels III. Geschichte und Politik 1, Frankfurt, 1966, p. 148]

 

Bakoenin wordt in zijn oordeel gesteund door zijn 'partijgenoot' en latere uitgever Arthur Lehning: “In het gehele oeuvre van Marx is geen geschrift te vinden dat zo zinloos en ongerijmd geïnterpreteerd en becommentarieerd is als De Burgeroorlog” en “(...) het blijft een Fremdkörper in het 'wetenschappelijk socialisme' van Marx en Engels” [A. Lehning, Radendemokratie of Staatscommunisme, 1972, pp. 43, 51] Maar ook de revolutionaire marxist en eerste Marx-biograaf Franz Mehring meent dat Bakoenin in deze het gelijk aan zijn kant heeft: Hoe intelligent deze uiteenzettingen (van de Burgeroorlog) op zichzelf ook waren, zij waren toch enigszins in tegenspraak met de opvattingen die Marx en Engels een kwart eeuw lang aangehangen en reeds in het Communistische Manifest verkondigd hadden. Volgens deze theorie behoorde het verdwijnen van de met de naam staat aangeduide politieke organisatie stellig tot de uiteindelijke gevolgen van de komende revolutie, maar toch alleen het geleidelijk verdwijnen (....). Tegelijkertijd legden Marx en Engels echter de nadruk op het feit dat de arbeidersklasse om dit en de andere veel belangrijker doeleinden van de komende sociale revolutie te bereiken eerst de georganiseerde staatsmacht in bezit moest nemen. Deze opvatting van het Communistisch Manifest valt echter niet in overeenstemming te brengen met de lof die het Adres van de Generale Raad (Marx' Burgeroorlog in Frankrijk) de Commune van Parijs toezwaaide, omdat deze begonnen was de parasiterende staat met wortel en tak uit te roeien [Gecit. in: A. Lehning, 1972, pp. 51-52]

 

Libertaire marxisten zullen de Burgeroorlog gebruiken als uitgangspunt en als bewijs dat een vruchtbare verzoening tussen marxisme en anarchisme mogelijk is. [D. Guérin, ‘Un Marx libertaire?’, 1969, p. 98] Ton Geurtsen meent, dat vanaf De Burgeroorlog het afsterven van de staat voor hem (Marx) niet langer een langdurig proces, maar een direct nastrevenswaardig doel was (....). Velen poneren dat de Commune van Parijs beantwoordde, niet aan de marxistische opvatting over de staat, maar veeleer aan ideeën van Marx' grote opponenten, Bakoenin en Proudhon, wier federatieve ideeën in die roerige Parijse periode in praktijk werden gebracht. Deze emancipatie van het proletariaat was dus van zeer libertaire aard, maar kon met enige goede wil in overeenstemming worden gebracht met de dictatuur van het proletariaat. [T. Geurtsen, De Fabel van het linkse Ongelijk, 1990, p. 13] En volgens Maximalien Rubel staat het onomstotelijk vast dat de idee die Marx zich vormde van de verovering en opheffing van de staat door het proletariaat zijn definitieve vorm gevonden heeft in zijn geschrift over de Commune van Parijs en dat zij aanzienlijk verschilt van de idee zoals wij die uit het Communistisch Manifest kennen. [M. Rubel, Pages de Karl Marx. Pour une Ethique socialiste. ‘1 Sociologie critique’ (Introduction), Paris, 1970, p. 52 voetnoot]

'L'égalité nous tue'.

 

Ondanks hun schijnbare theoretische gelijkgezindheid over de revolutionaire overgangssituatie, zou het in de praktijk nooit goed komen tussen de anarchisten en marxisten. In 1872 worden de anarchisten uit de Internationale gezet en haar secretariaat naar de V.S. overgeheveld waar zij een stille dood zou sterven. Bakoenin wisselt het tijdelijke voor het eeuwige in 1876. Tengevolge van de zware repressie na de Commune van Parijs verschuift het zwaartepunt van de arbeidersbeweging van Frankrijk naar Duitsland, waar Marx een veel vlottere aansluiting vindt bij de snel groeiende sociaal-democratie.

 

De Duitse arbeidersbeweging was een product van de fusie tussen twee richtingen: die van Lasalle, gericht op het verwerven van posities binnen het burgerlijke staatsapparaat, en die van Liebknecht en Bebel, minder gezagsgetrouw. Ze smolten samen op het congres van Gotha (1875) waar een programma werd goedgekeurd waar Marx niet wild enthousiast over was (zijn scherpste kritieken hield hij, uit opportuniteitsoverwegingen, binnenskamers). Men beleed zijn geloof in de onvermijdelijke (economisch gedetermineerde) ineenstorting van het kapitalisme en haar vervanging door het socialisme. Tegelijkertijd wilde men echter ook de directe belangen van de arbeidersklasse verdedigen en daarvoor werd een minimum-programma opgesteld. Het feit dat er geen echte verbindingsschakel bestond tussen dit minimum-programma en het anti-kapitalistische einddoel had voor gevolg dat er verschillende tendensen aan de oppervlakte traden: een linkervleugel (o.a. Rosa Luxemburg voor wie 'revolutie' geen loze praat was) en een rechtervleugel (o.a. Bernstein en nogal wat vakbondsleiders voor wie de geleidelijke lotsverbetering van de arbeiders centraal stond en die de verworven 'posities' niet door avonturisme in gevaar wensten te brengen). Tussen beide bevond zich een centrumstroming met historische leiders (o.a. Karl Kautsky) die lippendienst beleden aan het revolutionaire marxisme omdat hun positie binnen het apparaat en hun autoriteit binnen de arbeiderswereld afhing van een toestand van permanente belegering door een vijandige buitenwereld. Zolang de sociaal-democratie fungeerde als een gesloten bastion was hun bestaan als ongekroonde koningen van een staat binnen de staat veilig gesteld. Een revolutie kon het gebouw, dat door tientallen jaren noest organisatiewerk was opgebouwd, in een minimum van tijd tot op de fundamenten vernietigen. Maar ook een deelname aan de macht, met de noodzakelijke compromissen en machtsdeling met andere partijen, kon ontluisterend werken. Verkozen werd de positie van belegerde vesting met belegeraars die getart werden met radicaal klinkende redevoeringen en verklaringen en met belegerden die nooit de intentie hadden een uitbraak te forceren. Het revolutionair vocabularium diende hier louter ter bevestiging van de status-quo. Friedrich Engels, die na de dood van Marx (1883) de officiële peetvader van de Europese sociaal-democratie (sinds 1889 terug overkoepeld door een Tweede Internationale) geworden was, heeft zeker een belangrijk aandeel gehad in deze ontwikkeling. Hij stond vol bewondering voor de gestaag groeiende invloed van de SPD, uitgedrukt in stemmenaantallen, en de parallel daarmee verlopende versterking van de organisatorische structuren van de arbeidersbeweging. Deze laatste stonden borg voor een strakke greep van de partijleiders op de kiezersbasis die, wanneer het paste in de politieke strategie van de leiding, op het appel geroepen kon worden. In zijn beroemde 'Inleiding' van 1895 op Marx' De Klassenstrijd in Frankrijk 18481850 greep Engels terug op de passage in het Communistisch Manifest waarin de verovering van het algemeen stemrecht, van de democratie, als behorende tot de voornaamste taken van het proletariaat genoemd wordt [Engels, ‘Inleiding’, in: Karl Marx, De klassenstrijd in Frankrijk, Amsterdam, 1974, pp. 19-20] Dan volgt een opsomming van de voordelen van de electorale strategie: niet enkel laat zij toe periodiek de aangroei van de socialistische gelederen te meten, maar de verkiezingscampagnes zijn uitgelezen momenten om steeds meer mensen te laten kennismaken met het socialistische programma. Bovendien schenkt het parlementaire forum de socialistische gekozenen een dusdanige legitimiteit en respectabiliteit dat hun boodschap veel meer weerklank zal vinden. Omdat de bourgeoisie heel goed weet dat de wettelijkheid -in de vorm van het algemeen stemrecht (dat in Duitsland reeds sinds 1866 bestond)- zich tegen haar gekeerd heeft

(la légalité nous tue), probeert zij het proletariaat te provoceren tot onwettelijke acties. Vandaar ook dat Engels zijn lezers waarschuwt voor spontane, onvoorbereide en daarom voortijdige botsingen met de ordestrijdkrachten waarvan de bewapening en logistiek gedurende de laatste decennia geweldig geperfectioneerd werd. “Er is maar één manier waarop men tijdelijk de voortdurende aangroei van de militante socialistische strijdkrachten zou kunnen afremmen en dat is door een botsing op grote schaal met het leger, zoals in 1871 in Parijs” [Engels, ‘Inleiding’, in: K. Marx, De klassenstrijd in Frankrijk, 1974, p. 28]

 

Deze verwording van de sociaal-democratie tot een monolithisch bolwerk van hiërarchie en discipline (in 1890 wordt de oppositionele Bewegung der Jungen uit de partij gezet en versterkt de Duitse anarchistische gelederen) en de keuze voor een verzet binnen de grenzen van de burgerlijke wettelijkheid had bij Bakoenins volgelingen een averechts effect. In plaats van een in de pas lopend partijapparaat, werd het autonome individu - dat het recht had zijn eigen revolutionaire activiteiten te organiseren op de wijze die hem/haar het meest geschikt leek - centraal gesteld. In plaats van de legale weg naar het socialisme werd de gewelddadige omverwerping van het systeem gepreekt waarvoor de 'propaganda van de daad' de meest geschikte strategie leek. Door het plegen van aanslagen (le poison, le poignard et la dynamite comme moyen de libération) moesten de onderhuidse revolutionaire gevoelens van het volk aan de oppervlakte gebracht worden en de laatste stormloop tegen het systeem ingeluid... Het bleek een weg van de zelfvernietiging te zijn: de repressie maakte elke openlijke anarchistische activiteit onmogelijk (l'illégalité tue), de legale socialisten gingen elke buitenparlementaire activiteit als 'anarchistisch' criminaliseren en de anarchisten verloren elke voeling met de arbeidersbeweging.

 

De impasse van de 'propaganda van de daad' werd doorbroken door de Fransman Fernand Pelloutier die in november 1895 zijn 'Appel aux Anarchistes: leur Place est dans les Syndicats' [In: J. Julliard, Fernand Pelloutier et les Origines du Syndicalisme de l'Action directe, Parijs, 1971, pp. 399-405] publiceerde, een basistekst van het revolutionaire syndicalisme. Pelloutier maakte zich sterk een 'derde' weg gevonden te hebben tussen het behoudsgezinde legalisme van de sociaal-democraten en het zelfvernietigende illegalisme van de anarchisten. Die derde weg was het syndicalisme d'action directe die de 'algemene staking' als legaal wapen propageerde om de burgerlijke orde ten val te brengen. [Pelloutier, ‘De la Révolution par la Grève générale’, in: J. Julliard, pp. 279-303] Tegenover de etatistische weg naar het socialisme, stelde dit revolutionair syndicalisme dat 'de emancipatie van de werkers de zaak van de werkers zelf moet zijn'. Het proletariaat moet zijn heil niet verwachten van een extern organisme, in

 

casu de partijleiding, maar uit zichzelf de kracht putten om de strijd tot het einde te voeren. Vandaar de nadruk op de spontane organisatie-en actievormen van de arbeiders: de (algemene) staking natuurlijk, maar ook de boycot, de sabotage, de agitatie, het oproer ... De acties hebben niet louter een utilitair karakter (concrete eisen afdwingen) maar moeten een pedagogische meerwaarde krijgen (het geloof van de arbeiders in hun eigen kracht versterken). Bovendien wordt er terug aangesloten bij de Bakoeniaanse ethiek van de verenigbaarheid van de middelen met het nagestreefde doel: de revolutionaire syndicaten worden uitgebouwd als embryo's van de nagestreefde communistische maatschappij, met een uitgesproken voorkeur voor horizontale organisatiestructuren.

 

 

Lenin, een Russische Blanquist

 

In het Rusland van het einde van de negentiende eeuw had V. I. Oeljanov goede redenen om zijn hoop niet te stellen op een gestaag groeiende politieke massabeweging met enerzijds een brede basis die diende als stemmenleverancier en als indrukwekkend decorum tijdens publieke partijoptredens en anderzijds een kleine kern van ervaren en 'verantwoordelijke' leiders die ervan droomden dat hen de sleutels van de macht op een bepaald moment in de schoot geworpen zouden worden. Rusland bevond zich in de fase van het 'wilde' kapitalisme en de sociale miserie en politieke onderdrukking vanwege het tsarisme die daarmee samengingen vormden een rijke voedingsbodem voor allerlei oppositiegroepen die door de tsaristische politie met harde hand bestreden werden. De gemiddelde levensduur van een groep was ongeveer drie maanden waarna het werk weer van voorafgaan herbegonnen moest worden. Reden genoeg om met Lenin de mening toegedaan te zijn dat de sociaal-democratische partij een goed gedisciplineerde en gecentraliseerde organisatie moest zijn bestaande uit beroepsrevolutionairen, een soort militair hoofdkwartier dat in staat was om de troepen van de arbeidersklasse met goed gevolg doorheen het spervuur van de tsaristische repressie te loodsen.

 

Maar er was meer aan de hand. De organisatorische keuze die Lenin maakte hing ook samen met de epistemologische vraagstelling die rond de eeuwwende steeds urgenter werd in kringen van revolutionaire marxisten: determinisme en attentisme of voluntarisme en insurrectionisme. Met andere woorden: laten we de komst van de revolutie afhangen van de onvermijdelijk geachte ineenstorting van het kapitalisme (en dan is het een kwestie, zoals Engels schreef, van zich niet te laten verzwakken door voortijdige revolutionaire avonturen waardoor men niet meer paraat zou kunnen staan op het moment van de waarheid) of moeten we daarentegen de arbeidersklasse permanent voorbereiden op haar taak als doodgraver van het kapitaal (waarbij het revolutionair initiatief in haar handen komt te liggen). Lenin nam in deze een halfslachtige houding aan: hij had niet veel vertrouwen in het arbeidersbewustzijn dat, in zijn ogen, een enggeestig vakbondsbewustzijn was gericht op het verkrijgen van directe verbeteringen binnen het kader van het kapitalisme. Het echte socialistische bewustzijn daarentegen was gericht op de vernietiging van de tegenstelling ArbeidKapitaal maar dat vereiste een inzicht in maatschappelijke processen, een wetenschappelijke kennis van de maatschappij die de doorsnee-arbeider niet bezit. Vandaar ook de noodzaak van een partij bestaande uit intellectuelen, studenten en gevormde arbeiders die als voorhoede het gros van de arbeiders kan oriënteren in de strijd tegen het kapitalisme. Lenin omschreef de revolutionaire sociaal-democraat ook wel als 'een met de organisatie van de klassenbewuste arbeiders verbonden Jacobijn'. [Lenin, ‘Eén Schrede voorwaarts, twee Schreden achterwaarts’ in: V.I. Lenin, Keuze uit zijn Werken, Deel 1, Moskou, 1972, p. 81] Hij kon zich daarbij natuurlijk beroepen op bepaalde ambivalente passages uit het oeuvre van Marx. In het Communistisch Manifest lezen we o.a.: De communisten vormen dus in de praktijk het meest vastberaden, steeds verder stuwende deel van de arbeiderspartijen van alle landen; ze hebben op theoretisch vlak op de overige massa van het proletariaat het volgende voor: het inzicht in de voorwaarden, het verloop en de algemene resultaten van de proletarische beweging'. [Karl Marx, Het Communistisch Manifest, 1972, p. 56]

 

Maar Georges Plekhanov, de eerste marxistische theoreticus in Rusland, heeft tevens gewezen op een zekere Russische radicale traditie geïnspireerd op de Franse beroepsrevolutionairen Babeuf en Blanqui die hun leven veil hadden voor de revolutie maar bij voorkeur ageerden over de hoofden van het gewone volk heen. [G. Plekhanov, ‘Nos Controverses’ in: Oeuvres philosophiques, Moskou, (z.d.), pp. 67-320] Het ging om leden van de Russische intelligentsia die hun leven in dienst stelden van de revolutie maar dat deden op een uitgesproken autoritaire manier. Tot deze traditie behoorde o.m. Pjotr Tkatsjov (1844-1885) die door de uitgeweken Russische filosoof Berdiaev beschreven wordt als de meest typische voorloper van Lenin: Tkatsjov is Lenin voorafgegaan als theoreticus van de revolutie. Zijn voornaamste idee was de machtsgreep door een revolutionaire minderheid. Om dit doel te bereiken moet de bestaande macht ontwricht worden via terreur. Het volk is, volgens hem, altijd klaar voor een revolutie, want haar taak bestaat er enkel in om als instrument voor die agerende minderheid dienst te doen. Daarom is het ook nutteloos de revolutie te laten voorafgaan door een opvoeding van de massa of een of andere vorm van propaganda. [N. Berdiaev, Les Sources et le Sens du Communisme russe, Parijs, 1951, pp. 136-137]

 

Deze instrumentalisering van de arbeidersklasse werd heftig op de korrel genomen door Rosa Luxemburg, actief binnen de marxistische linkervleugel van de Duitse sociaal-democratie. In tegenstelling tot Lenins 'Jacobijnse' opstelling stelde zij dat de sociaal-democratie 'niet iets toegevoegd is aan het proletariaat. Het is het proletariaat zelf ... het is de overheersing van de meerderheid van de klasse in zijn eigen klasse'. Klasse en partij moeten zo veel mogelijk samenvallen en dat kan alleen maar door het proletariaat de kans te geven om uit eigen doen en laten politieke lessen te trekken. Net als de revolutionaire syndicalisten, waarmee zij door haar rechtse critici op één hoopje werd gegooid [Zie o.m.: D. Guérin, Rosa Luxemburg et la Spontanéité révolutionnaire, Paris, 1971, pp. 65-89], koesterde zij hoge verwachtingen ten aanzien van de zelfopvoeding van het proletariaat die moest gebeuren via het beperkte repertorium van de wettelijk toegelaten syndicale en politieke activiteiten. Door deze dagdagelijkse activiteiten zou bij de doorsnee socialistische arbeider het besef kunnen groeien dat zijn situatie op deze wijze niet grondig gewijzigd kon worden en dat alleen een revolutionaire omwenteling daarin verandering zou kunnen brengen.

 

 

Lenin ontluist Marx

 

Het verhaal van de weifelende houding van de bolsjewistische leiders, in afwezigheid van de gevluchte Lenin, ten aanzien van de conservatiefliberale Voorlopige Regering van februari 1917 is genoegzaam bekend. Moest deze regering niet gesteund worden uit vrees dat de bourgeoisie anders terug aansluiting zou zoeken bij de oude tsaristische krachten en ook al niet omdat de burgerlijk-kapitalistische fase een noodzakelijke voorwaarde voor het socialisme in de historische ontwikkeling was (zoals ook de mensjewieken dachten)? In het andere geval zou men in het vaarwater terecht komen van de 'sovjet van arbeiders en soldaten', een soort parallel

machtsorgaan, dat echter een vreemd lichaam was in de bolsjewistische theorie en eerder thuishoorde in het anarchistische revolutiemodel waarin het volk van 'onderuit' het maatschappelijk gebouw uit zijn voegen licht.

 

Toen Lenin uit ballingschap terugkeerde maakte hij onmiddellijk een einde aan deze dubbelzinnigheid door de slogan 'Alle macht aan de sovjets' te lanceren waardoor de bolsjewieken terug greep kregen op de revolutionaire situatie. Lenin koos er voor de burgerlijke fase van kapitalistische uitbouw en parlementaire democratie 'over te slaan' (waarmee hij brak met de mensjewieken) en direct met de opbouw van het socialisme te beginnen, waarmee hij in het vaarwater terecht kwam van de anarchisten die in een ambivalente relatie (soms bondgenoot, soms vijand) stonden met de nieuwe bolsjewistische machthebbers. Onder deze omstandigheden kwam de notie van 'dictatuur van het proletariaat', door de Duitse sociaaldemocratie opgeborgen in de etalagekast van de vervlogen revolutionaire ideeën, terug in het centrum van de belangstelling te staan. Lenin beijverde zich om een eigen bolsjewistische invulling van het begrip te geven, waardoor afstand genomen kon worden van zowel de anarchisten als van de mensjewieken, zijn twee voornaamste rivalen. 'Het marxisme onderscheidt zich van het anarchisme, doordat het de noodzakelijkheid erkent van de staat en van de staatsmacht in een revolutionaire periode in het algemeen en in de periode van de overgang van kapitalisme naar socialisme in het bijzonder. Het marxisme onderscheidt zich van het kleinburgerlijke, opportunistische 'sociaal-democratisme' van de heren Plekhanov, Kautsky & Co, doordat het voor de genoemde perioden niet een staat als de gebruikelijke parlementaire burgerlijke republiek, noodzakelijk acht, maar een staat als de Commune van Parijs'. [Lenin, ‘De Taken van het Proletariaat in onze Revolutie’, in: V.I. Lenin, Keuze uit zijn Werken, dl. 2, Moskou, 1973, p. 421]

 

Deze ideeën werden verder uitgewerkt in zijn beroemd boek Staat en Revolutie (1917), waarin hij zich in zeer gewaagde bochten wringt om de libertaire demonen uit Marx' politieke theorie te verdrijven. Marx had inderdaad gepleit voor het kapotbreken van de burgerlijke staat (dat gebruikt Lenin tegen de mensjewieken), maar enkel met de bedoeling deze door een proletarische staat te vervangen (en dat wordt gebruikt tegen de anarchisten). De burgerlijke staat kan niet vervangen worden door een federaal samenlevingsmodel in de Proudhonistische betekenis van het woord waarbij het zwaartepunt van de macht bij de basiseenheden (communes) zou komen te liggen en waarvan de eenheid gewaarborgd zou worden door vrijwillige samenwerkingsverbanden. In plaats daarvan spreekt Lenin in vage bewoordingen van een 'vrijwillig', 'democratisch' of 'proletarisch' centralisme. In bovenvermeld citaat is er gewoonweg sprake van 'een staat als de Commune van Parijs'. Zijn pen vloeit over van de verontwaardiging bij de gedachte dat Marx zich door anarchistische ideeën zou hebben laten verleiden: Uit de kleinburgerlijke opvattingen van het anarchisme volgt logischerwijze het federalisme. Marx is centralist. In zijn hier aangehaalde beschouwingen [Zie de paragraaf in dit artikel over Marx' Burgeroorlog] is geen enkele afwijking van het centralisme te vinden. Slechts lieden die vervuld zijn van kleinburgerlijk 'bijgeloof' in de staat kunnen de vernietiging van burgerlijke staatsmachine aanzien voor een vernietiging van het centralisme![Lenin, Staat en Revolutie, in: V.I. Lenin, Keuze uit zijn Werken, dl. 2, Moskou, 1973, p. 508]

 

Hij zet zich consequent in om Marx van alle libertaire smetten te zuiveren en diens Burgeroorlog te herinterpreteren waarbij hij de vroegere Marx van het Communistisch Manifest als referentiepunt gebruikt: Als echter het proletariaat en de arme boeren de staatsmacht in handen nemen en (...) alle communes verenigen om (...) de particuliere eigendom van de spoorwegen, fabrieken, grond, enz. aan de gehele natie, de gehele maatschappij over te dragen. ... [Lenin, Staat en Revolutie, p. 508]

Is dat niet bijna letterlijk het pleidooi van de Marx van 1848 voor de verovering van de staatsmacht door het proletariaat waarna overgegaan kan worden tot de nationalisatie van de productiemiddelen? Van een vrije associatie van producenten, zelfbeheer in het hedendaagse taalgebruik, dat tegelijkertijd de vernietiging van de oude burgerlijke orde EN het binnentreden in de nieuwe socialistische orde zou bezegelen, blijft bij Lenin geen spaander heel. Niet de staat, maar het libertaire ongedierte in de doctrine van Marx, wordt met wortel en tak uitgeroeid.

En gedragen door o.m. de sovjets en de fabriekscomités slaagden de bolsjewieken erin hun versie van de dictatuur van het proletariaat door te drukken waarbij echter niet alleen de burgerlijke staatsmachine (én de burgerlijke vrijheden) vernietigd werden maar ook dié organen van volksmacht die in oktober 1917 dienst deden als springplank naar de macht. Reeds in 1919 moest Lenin erkennen dat de sovjets die van nature organen waren van de regering door de arbeiders tot organen verworden waren voor de regering over de arbeiders. In een mum van tijd degenereerde de klassendictatuur tot een partijdictatuur en tenslotte tot een persoonlijke dictatuur.

Het ambtenarenapparaat vermengt zich met de partij en deze heeft de neiging zelf een enorm ambtenarenapparaat te worden (...). Bevordering hangt niet af van diegenen die geacht worden te kiezen, maar van hen die 'aanbevelen' of 'voorstellen'. Iemand wordt beoordeeld naar de wijze waarop hij orders uitvoert, niet naar de manier waarop de bewoners van een bestuursgebied over hem oordelen (...). De partij wordt van bovenaf bestuurd. Degene die voor de cel verantwoordelijk is, houdt het oog gericht op de secretaris van het rayon, deze is op zijn beurt weer afhankelijk van het regionale comité dat ondergeschikt is aan het staatscomité, dat onder controle staat van de diensten van het Centrale Comité dat zelf onder het gezag valt van het Politbureau en de hoogste leider daarvan, de secretaris-generaal. [Gilles Martinet, ‘Ex-kommunist en 'socialiste autogestionnaire', gecit. in: R. Jacobs, ‘Anarchisme en Marxisme in de Russische Revolutie’, dl. 2, Brandnetel 46, dec. 1978, p. 10]

 

In dit 'proletarisch centralisme' weet alleen de top van de maatschappelijke piramide wat goed is voor het volk waardoor die ook het recht en de plicht heeft het volk te overtuigen of te dwingen in de zin van dit Goede te handelen. De doel-middelen ethiek van Bakoenin (vrijheid kan alleen tot stand gebracht worden door vrijheid) wordt vervangen door een instrumentele ethiek van het doel dat de middelen rechtvaardigt: De verdedigers van het persoonlijke terrorisme, de sociaal-revolutionairen, hadden altijd erkend dat in het overnemen van de methoden hunner tegenstanders een probleem lag; het besef van de tegenstelling tussen hun streven naar rechtvaardigheid en broederlijkheid en van de middelen waardoor zij hun doeleinden nastreefden, droegen zij als een verborgen wonde in hun binnenste. De bolsjewieken, als economische deterministen, hadden het gemakkelijker. De economische ontwikkeling, zeiden zij, leidde naar een doel, en wel de verovering der macht door het proletariaat en de invoering van het socialisme (...). De bevrijding van het proletariaat, (...) , was het object van hun streven en bij dit streven verdeelden zij de mensen in twee soorten, namelijk in werktuigen die tot de verwezenlijking hunner doeleinden gebruikt

konden worden (zoals zijzelf willig waren, voor die doeleinden gebruikt te worden) en in belemmeringen tot die verwezenlijking, welke onschadelijk of uit de weg geruimd moesten worden!. [Henriette Roland Holst, ‘De Weg tot Eenheid’ in: T. Geurtsen, De Fabel van het linkse Ongelijk, 1990, p. 66]

 

Voor een post-marxistisch radikalisme

 

De laatste tien jaar zijn wij getuige geweest van het failliet van zowel de leninistische als van de sociaal-democratische variant van het marxisme: de implosie van het communistische blok bezegelde het lot van het leninisme; de transformatie van de sociaal-democratie tot humanistische slippendrager van het kapitalisme vernietigde haar eigen identiteit. Maar het zou al te gemakkelijk zijn deze teloorgang van de marxistische politiek aan te grijpen voor een postuum eerherstel van de anarchistische politieke theorie. Deze bundel was er niet de geschikte plaats voor, maar het anarchisme puilt evenzeer uit van de onhoudbare dogma's en in de praktijk werden even goed uitschuivers en verkeerde keuzen gemaakt.

 

Wel ben ik ervan overtuigd dat de mislukking van het marxisme grotendeels op de rekening van haar etatistische politieke filosofie te schrijven is. Marx kon dan wel twijfels hebben omtrent de bruikbaarheid van het burgerlijke apparaat als instrument voor de opbouw van het socialisme, hij zag er helemaal geen graten in om via de staat hervormingen tot stand te brengen die ten goede kwamen aan de arbeidersklasse. Na de dood van Marx en met het opvallend electoraal succes van de sociaal-democratie nam het vertrouwen in de legale veranderbaarheid van het kapitalisme zienderogen toe. Het was een uitgangspunt van zowel leninisten als van sociaaldemocraten dat het proletariaat zich slechts kon bevrijden van het kapitalisme door eerst de staatsmacht op de burgerij te veroveren. De staat werd aldus een verplichte tussenstop op weg naar de socialistische emancipatie. Revisionisten (à la Hendrik De Man) streefden een geleidelijke socialisering van het kapitalisme na via democratisch tot stand gebrachte structuurhervormingen. Revolutionairen wilden greep krijgen op de maatschappelijke ontwikkeling door van de staat een proletarische commandopost te maken. In beide gevallen werd de staatssfeer een noodzakelijk medium om het socialisme tot stand te brengen waarbij uit het oog verloren werd dat de staat een integraal bestanddeel is van de kapitalistische ordening en dat een socialistische inkleuring ervan een contradictio-in-terminis is. [Zie ook: A. Bihr, Du grand Soir à 'l'Alternative'.

 

Le Mouvement ouvrier européen en Crise, Paris, 1991, p. 23-38] Dit engagement in de staatssfeer had bovendien voor gevolg dat arbeidersorganisaties geleidelijk aan de gestalte van een 'tegenstaat' gingen aannemen met allerlei etatistische kenmerken: centralisatie, oncontroleerbare machtsdelegatie, bureaucratie, besluitvorming door een top gehuld in nevelen van exclusiviteit en geheimzinnigheid, desengagement van de basis die eieren (directe voordelen) kiest voor zijn geld (lidmaatschap en gehoorzaamheid) ...

 

Leninisme en sociaal-democratie kunnen echter niet op één hoop gegooid worden. Leninisme staat voor 'Blanquisme/insurrektionisme' en voor 'proletarisch centralisme'. Dat 'proletarisch centralisme' verwerd tot een dictatuur die zichzelf bestendigde en geen uitzicht bood op de beloofde klassen- en staatloze maatschappij. Over het 'insurrectionisme' schreef de marxistische politicoloog Ralph Miliband dat Lenins politieke filosofie gebaseerd was op het geloof “dat de tijd rijp was om met uiterst urgentie voorbereidingen te treffen voor een machtsgreep die misschien niet in alle kapitalistische landen onmiddellijk mogelijk was, maar die in vele zo niet de meeste daarvan onverwijld op de revolutionaire agenda moest worden geplaatst” [R. Miliband, Politieke Theorie van het Marxisme, Amsterdam, 1977, p. 162] De communistische partijen werden -via het medium van de Derde Internationale- georganiseerd als commandotroepen van het internationale proletariaat met het oog op een frontale aanval op hun respectievelijke regeringen die vernietigd moesten worden t.g.v. een proletarische dictatuur. Het 'insurrectionisme' was een politieke strategie van een revolutionair tijdperk dat een aanvang nam in 1917, maar in 1923 sterftejaar van Lenin- alweer grotendeels afgesloten was. Mits de uitzondering van Spanje -waar bovendien de anarchisten van oudsher invloedrijker waren dan de marxisten- is het proletariaat sindsdien niet meer in staat geweest een revolutionaire confrontatie met het conservatieve blok aan te gaan. Exit dus het 'insurrectionalisme' (dat trouwens evengoed één van de postulaten was van het revolutionaire anarchisme).

 

De actuele waarde van de sociaal-democratische traditie ligt net in haar keuze voor de reformistische weg naar het socialisme. Ralph Miliband benadrukt dat 'reformisme' hier niet mag opgevat worden als tegengesteld aan 'revolutionair', als identiek met oppervlakkige, corrigerende ingrepen in het kapitalisme die haar wezen niet aantasten. Het is wel degelijk mogelijk het systeem grondig te veranderen uitgaande van het constitutionele en legale instrumentarium dat datzelfde systeem ons ter beschikking stelt: een kwart eeuw geleden nog bekocht een socialistisch president zijn 'reformisme' met de dood. Miliband omschrijft het als een politieke conflicttheorie waarbij de strijd binnen de grenzen van het konstitutionalisme wordt gevoerd, zoals die door de burgerlijke democratie zijn vastgelegd, met een sterke nadruk op verkiezingssucces op gemeentelijk, regionaal en nationaal niveau en met de hoop een meerderheid te bereiken of op zijn minst een sterke vertegenwoordiging in plaatselijke bestuursorganen, regionale vergaderingen en nationale parlementen. (...) (...) In feite is ook reformisme zowel theoretisch als praktisch verenigbaar met strijdvormen die, hoewel ze binnen het gegeven constitutionele kader worden gevoerd, niet met verkiezingen en vertegenwoordiging samenhangen -bijvoorbeeld strijd in de industrie, stakingen, sit-ins, bezettingen, demonstraties, marsen, campagnes, enzovoort, die zijn opgezet om specifieke en algemene eisen duidelijk te maken, verzet tegen het beleid van de regering, protest tegen bepaalde maatregelen, enzovoort.[R. Miliband, Politieke Theorie van het Marxisme, 1977, p. 157]

Als marxist geeft Miliband een sterk etatistische invulling van het reformisme waarvan het Eurocommunisme een typische illustratie was. Het Eurocommunisme meende in de zeventiger jaren een 'derde' weg gevonden te hebben tussen het reële socialisme en de verwaterde sociaal-democratie. Het wilde van de instellingen van de burgerlijke democratie (verkiezingen, parlement, lokale overheden, belangengroepen) gebruik maken om een fundamentele machtsbreuk te bewerkstelligen. De politieke ruimte die de burgerlijke democratie ter beschikking stelt werd als hefboom gehanteerd om de machtsverhoudingen in de sfeer van de economie en van de maatschappij te doen kantelen. Het Eurocommunisme liep echter uiteindelijk vast in haar vastgeroeste voorkeur voor het uitbouwen van machtsposities in de staatssfeer, in functie waarvan de basisprojecten (o.m. wijkraden) geïnstrumentaliseerd werden. [C. Boggs, ‘The democratic Road: new Departures and old Problems’ in: C. Boggs, D. Plotke, The Politics of Eurocommunism. Socialism in Transition, Montréal, 1980, p.431-478] Lenins 'proletarisch centralisme' liet nog altijd diepe sporen na!

 

De Amerikaanse libertair-marxistische politicoloog Carl Boggs heeft daarom voorgesteld het 'reformistische paradigma', d.w.z. een structurele systeemwijziging teweeggebracht m.b.v. het instrumentarium dat door het systeem zelf ter beschikking wordt gesteld, te koppelen aan het 'libertaire paradigma', d.w.z. een structurele systeemwijziging teweeggebracht door een autonome basisbeweging die zichzelf ziet als een embryo van het nagestreefde maatschappijmodel. Deze synthese van het reformistische en anarchistische paradigma (met expliciete uitsluiting van het leninistische) noemt hij een “post-marxistisch radicalisme”, een vage aanduiding van een nieuw soort radicaal socialisme dat zijn voedingsbodem vindt in het afsterven van het etatistisch geïnspireerde socialisme en de nieuwe kritieken op de ecologische en sociale gevolgen van het geglobaliseerde kapitalisme. [C. Boggs, Social Movements and Political Power. Emergent Forms of Radicalism in the West, Philadelphia, 1986; C. Boggs, The socialist Tradition. From Crisis to Decline, Londen, 1995] Dit radicaal model 'belichaamt een nieuwe, nog niet geconcretiseerde poging om twee gescheiden niveaus te integreren: de staat en de civiele maatschappij, partij en bewegingen, parlement en lokale initiatieven, electorale politiek en mobilisatie aan de basis. Linkse politiek lijkt altijd aangetrokken te zijn geweest tot één van beide polen, zoals weerspiegeld in de zwaar beladen 'of-of' debatten die teruggaan op de befaamde Marx-Bakoenin discussies van meer dan een eeuw geleden. Een radicale strategie is gericht op een betere werking van de vertegenwoordigingsorganen, van hun processen en normen, eerder dan op hun afschaffing. Tegelijkertijd staat het open voor een dynamische inbreng van volksbewegingen die –idealiter - aan de basis liggen van lokale machtsorganen zoals fabrieks- en wijkcomités, wat zou toelaten om de nationale staat te reorganiseren op basis van zelfbeheer. Het einddoel is een gesocialiseerd politiek systeem dat relatief vrij is van kapitalistische of bureaucratische controle en toegankelijk voor brede lagen van de bevolking, m.a.w. een staat die niet langer vervreemd is en opgedrongen aan de civiele maatschappij'. [C. Boggs, Social Movements and Political Power, p. 238; zie ook: R. Jacobs, Carl Boggs: ‘Vernieuwing van het Socialisme’ in: VerZ 8, okt-dec 1997, pp.17-29] Boggs' radicaal model vond een hoopvolle belichaming in het programma en de organisatieprincipes van de groene partijen wier oprichting juist werd gemotiveerd met het argument dat de 'basis', de 'civiele maatschappij' - in feite vooral de burgers die actief waren in de Nieuwe Sociale Bewegingen - een spreekbuis moest krijgen in de politieke sfeer. Er werden tal van maatregelen getroffen (o.m. het rotatieprincipe) om te voorkomen dat de partij zich zou gaan nestelen in de staatssfeer. De partij werd geacht in dienst te staan van de beweging: zij moest de standpunten van de basis vertolken en initiatieven nemen om de beweegruimte van die basis te vergroten, nooit echter mocht ze 'het' gezicht worden van de beweging of de pretentie koesteren zelf de hefboom te zijn van de nagestreefde fundamentele maatschappijverandering. Men kan zich natuurlijk afvragen wat er ondertussen is overgebleven van die oorspronkelijke groene inspiratie. In ieder geval heeft er zich een geleidelijke 'autonomisering' van de groene politiek voorgedaan zonder dat er echt sprake was van een instrumentalisering van de beweging door de partij. Ongetwijfeld heeft er zich een zekere pluche-psychose van de groene gekozenen meester gemaakt terwijl de partij ook niet vrij te pleiten valt van electoraal opportunisme. Maar ook de interne verdeeldheid van de Nieuwe Sociale Bewegingen, hun weigering om de groene partij als hun exklusieve spreekbuis te zien en de verzwakking van hun maatschappelijke dynamiek door zelf in allerlei etatistische overleg-en beheerorganen te gaan zetelen zijn evenveel factoren die hebben bijgedragen tot de loskoppeling van partij en beweging.

 

Vanuit anarchistische hoek werd door de Amerikaanse eco-filosoof Murray Bookchin het 'libertair municipalisme' ontwikkeld dat, passend binnen het reformistische paradigma, de constitutioneel gewaarborgde politieke speelruimte op lokaal vlak (autonomie van de gemeenten, gemeentelijke verkiezingen, ...) als breekijzer wil gebruiken om een federalistisch zelfbeheer-systeem op poten te zetten. Hij gaat echter verder dan Boggs, doordat hij de gemeentelijke autonomie wil uitbouwen als alternatief voor en ter vervanging van de staatssfeer. [Zie o.m. J. Biehl (red.), The Murray Bookchin Reader, London, 1997, pp.172-197; J. Biehl, The Politics of social Ecology. Libertarian Municipalism, 1998; T. Fotopoulos, Towards an inclusive Democracy, Londen, 1997, p. 169-301 en het themanummer Libertair Municipalisme van ATHENE, oktober 2002]

Als de libertair municipalistische beweging groeit en als er steeds meer gemeenten in deze zin gedemocratiseerd en geconfedereerd zouden worden, dan zullen de confederaties hopelijk sterk genoeg worden om zichzelf in een duale macht te plaatsen, iets dat uiteindelijk zal uitlopen in een oppositie tot de natie-staat. Op dat punt zal er zich ofwel een confrontatie voordoen, ofwel zullen de burgers overstappen naar een nieuw systeem dat hen de volledige controle over hun leven verschaft, en de macht van de natie-staat uithollen'. [‘Radikale Steden: een interview met Janet Biehl', VerZ 10, april-juni 1998, p. 5]

Dit libertair municipalisme bestaat momenteel in de eerste plaats als een politieke theorie op papier met enkele prille experimenten in Canada, de V.S., Uruguay en Noorwegen. Ook het experiment van stedelijk 'participatief beheer' in het Braziliaanse Porto Alegre hoort, niet naar de letter, dan toch naar de geest thuis in deze denkrichting. [Zie o.m. 'Brazilië: Participatieve Demokratie in Porto Alegre', Dossier Rood, 10 juli 1998, pp. 9-12; B. Cassen, Une Expérience exemplaire au Brésil. Démocratie participative à Porto Alegre, Le Monde Diplomatique, augustus 1998, p. 3 en het themanummer Het ‘participatieve budget’ in Porto Alegre van ATHENE, december 2003]

Hoe vreemd het ook moge klinken: de praktijk is momenteel niet het voornaamste. Toen Marx en Engels in 1848 hun Manifest op een luttel aantal exemplaren publiceerden stonden het kapitalisme, de arbeidersbeweging en het socialisme nog grotendeels in hun kinderschoenen. Het is echter mede door hun haarscherpe analyse en heldere en enthousiasmerende toekomstperspectieven dat de diffuse gevoelens van onvrede en rebellie gebundeld werden tot een gerichte kracht die de burgermaatschappij een eeuw lang de stuipen op het lijf joeg. Op de vooravond van het derde millennium moet het oude socialisme, dat haar principes verkwanseld heeft op het altaar van de staatsmacht, plaats ruimen voor een nieuw socialisme dat terug de principes klaarstelt, ook al gaat dit – voorlopig - ten koste van een zekere impotentie in de praktijk.