Uit: Sam Dolgoff, ‘Fragments. A Memoir’, Cambridge: Refract Publications, 1986. Vertaling en bewerking: Johny Lenaerts.

SOLIDARITY FOREVER

Uit de memoires van een Amerikaans anarchist

– Sam Dolgoff –

Kindertijd

Mijn ouders (oorspronkelijke naam Dolgopolski) waren afkomstig uit kleine dorpjes in de omgeving van de stad Witebsk (Wit-Rusland), waar ik op 10 oktober 1902 ter wereld kwam. Mijn vader was weliswaar geen revolutionair maar toch op zijn manier een nonconformist. Zo weigerde hij bij het huwelijk met mijn moeder een bruidschat aan te nemen, en choqueerde hij voorts de orthodox-joodse gemeenschap door openlijk te verkondigen dat hij de sabbat onteerde, omdat hij dan sigaretten rookte en niet naar de synagoge ging. De gemeenschap was daar des te meer verontwaardigd over omdat mijn vader op het vlak van religie en Hebreeuws een uitstekende kennis bezat. Maar ondanks zijn nonconformisme kwam zijn religieuze opvoeding onbewust te voorschijn als hij in zijn slaap lange gebeden in het Hebreeuws reciteerde.

In Rusland werkte mijn vader als tijdopnemer bij de aanleg van een spoorlijn en hij had een klein winkeltje voor de arbeiders. Hij werd ontslagen toen hij tijdens een staking de kant van de arbeiders koos en de bouwondernemer ertoe aanspoorde de soldaten, die de staking kwamen breken, terug te trekken, omdat alles wat de arbeiders eisten toch niet méér was dan een bijkomend stukje brood en fatsoenlijke arbeidsomstandigheden.

Om aan de verplichte militaire dienst in het Russische leger voor de Russisch-Japanse oorlog (1905) te ontsnappen, week mijn vader uit naar Amerika en hij liet mijn moeder, mijn zuster en mij voorlopig in Rusland achter; hij was van plan ons een of twee jaar later te laten overkomen als hij genoeg geld voor de reis zou kunnen sparen. In New York leerde hij van landgenoten die uit dezelfde regio van Rusland stamden het schildersvak. Toen later andere vrienden en familieleden naar New York kwamen, leerde mijn vader op zijn beurt hen het vak aan.

Tzadik, de broer van mijn vader, was de revolutionair in de familie. Tijdens de lange jaren tussen de Russische revolutie van 1905 en de dood van mijn vader in 1945 wisten we niet wat er met Tzadik gebeurd was en we twijfelden eraan of hij nog in leven was. Maar toen ik bij de honderdste verjaardag van de Protokollen van de Internationale Arbeiders Associatie in Rusland de Engelse vertaling daarvan wilde kopen, gaf iemand me een exemplaar van het communistische Joodse tijdschrift Soviet Homeland (nummer 4, 1964), waarin tot onze grote verrassing een foto en een In Memoriam voor mijn oom te vinden waren:

‘Tzadik Dolgopolski werd in het dorp Haradok in de nabijheid van Witebsk geboren. Op de leeftijd van 13 jaar begon hij in een borstelfabriek te werken. Na veel inspanningen werd hij in 1909 onderwijzer. In 1926 werd zijn roman Open deuren gepubliceerd, waarin de grote gebeurtenissen van de Oktoberrevolutie kleurrijk beschreven worden. In 1928 werd zijn boek In het land van de Sovjets gepubliceerd. Later verschenen zijn memoires in twee delen: Aanvang en Het gebeurde lang geleden. Dolgopolski beschrijft aanschouwelijk de opleving van het Joodse leven dankzij de verworvenheden van de Oktoberrevolutie.’

Dit korte bericht verzweeg het feit dat hij naar Siberië verbannen was omdat hij tot stakingen en betogingen tegen de tsaar opgeroepen had, dat uittreksels uit zijn beschrijvingen van het dorpsleven in de New Yorkse Jewish Daily Forward afgedrukt waren en dat mijn oom de uitnodiging om als journalist naar New York te komen, afgewezen had. Wat nog belangrijker is: een meer uitvoerig bericht uit bestrouwbrare bron onthulde dat mijn oom tot dwangarbeid in Stalins strafkampen veroordeeld was, waar hij ook overleden is, en dat hij later door Kroetsjov ‘gerehabiliteerd’ werd.

Na onze aankomst in New York woonden we in een typische Lower-East-Side-Slum aan de Rutgers Slip, een of twee blokken verwijderd van de East-River-Docks, in een overbevolkt gebouw. De twee wc’s voor de zes huurpercelen op elke verdieping bevonden zich op de gemeenschappelijke vloer. Er was geen badkamer. Een grote wastobbe in de keuken diende ook als badkuip. Als een nieuwe immigrant op zoek naar een onderkomen bij ons aankwam, dan diende een metalen afdekking over de wastobbe ook als bed. Er was geen centrale verwarming, geen warm water en geen elektriciteit. Gas voor verlichting en voor warm water in de zomer verkreeg men enkel wanneer men een kwartdollar in een muntapparaat wierp. Er waren nog niet veel trams en auto’s, en voor het handels- en passagiersverkeer werden paarden ingezet.

Ondanks de vreselijke economische toestand kwam er – ten minste in onze buurt – veel minder criminaliteit voor als nu. ‘s Nachts konden we onbevreesd op straat komen, tijdens warme zomernachten buiten slapen en zelfs onze woningen ongesloten achterlaten en ons daarbij veilig voelen. Dat valt voor een groot deel te verklaren uit het karakter van de immigranten. De nieuwe immigranten waren gelukkiglijk nog niet helemaal in de Amerikaanse melting pot, de smeltkroes, geïntegreerd. Dezelfde burenrelaties die de immigranten in staat gesteld hadden onder de repressieve omstandigheden in hun land van herkomst het hoofd boven water te houden, ondersteunden hen nu in de armzalige nieuwe omgeving.

De nieuwkomers woonden in dezelfde buurten als hun vrienden en landgenoten. Deze deelden hun overbevolkte woningen en schaarse voedselvoorraden met hen, vonden voor hen een job waar ze een nieuw vak leerden en hielpen de nieuwkomers onder grote opofferingen en op elke mogelijke manier om hen vertrouwd te maken met de ongewone verhoudingen in het nieuwe thuisland. Zo werd ook mijn vader, zoals ik reeds vermeld heb, na zijn aankomst door zijn landgenoten het schildersvak aangeleerd, en hij kreeg onderdak en werd gesteund tot hij op eigen benen kon staan.

Mijn vader werd lid van de steunvereniging Vitebsk Benevolent Society, dat ziekte- en begrafenisgeld, kleine leningen en andere belangrijke diensten aan kostprijs aanbood. Verenigingen voor het algemeen welzijn en andere lokale groeperingen waren net één grote familie. Behoeftige buren kregen zoveel mogelijk steun, solidariteit en goede raad, en de verenigingen engageerden zich voor de algemene ontwikkeling op het vlak van opleiding en cultuur.

Sociale wetenschappers, apostelen van de ‘welvaartsstaat’ en staatssocialisten, die zich er ijverig voor inzetten de staatscontrole tot steeds nieuwe en grotere domeinen uit te breiden, zouden goed moeten beseffen dat lang voordat de staat wetten voor pensioenregeling, werklozensteun en andere sociale verzekeringen uitgevaardigd heeft, de immigranten elkaar hielpen – door zichzelf te behelpen. Ze schiepen een uitgebreid netwerk van coöperatieve samenwerkingsverbanden en van allerlei verenigingen om aan de steeds groter wordende behoeften te voldoen – zomerkampen voor kinderen en volwassenen, vormingsprojecten, culturele en gezondheidscentra, ouderenzorg, enz. Wat dit betreft ben ik nog altijd diep onder de indruk van de anarchist Peter Kropotkin, die de prakische betekenis van wederkerige hulp en vrijwillige organisatie als voorwaarde voor de vrije samenleving beklemtoonde. Hetzelfde geldt voor het inzicht van de grote anarchistische denker Proudhon, die een fundamenteel principe van het anarchisme met de volgende woorden beschreef:

‘Op basis van de complexiteit van de belangen en van de vooruitgang van de ideeën is de maatschappij verplicht de staat af te zweren (…) Parallel aan het regeringsapparaat, in de schaduw van de politieke instellingen heeft de maatschappij rechtstreeks haar organisatorische ontwikkeling en een nieuwe orde voor zich gecreëerd, die haar vitaliteit en autonomie uitdrukt...’

Enkele tijd later trok mijn familie naar de toenmaals minder dicht bevolkte ‘jungle van de Bronx’. Er was moeilijk werk te vinden en voor mijn vader werd het steeds moeilijker zijn gezin te voeden, dat nu vijf kinderen telde. Om het gezinsinkomen te verhogen deed ik een deeltijdse job door ontbijtbroodjes en melk te leveren. Ik was 11 of 12 en ging naar de lagere school. In die tijd werden melk en broodjes in een voedsellift in de kelder gelegd en dan omhoog getrokken naar de openingen die in de keuken van elke woning ingebouwd waren. Ik werkte van ongeveer 6 tot 8 uur ‘s morgens en van 4 tot 6 uur in de namiddag, zes dagen per week, voor de vorstelijke som van 4 dollar en 50 cent. Door deze omstandigheden was ik geen stipte leerling. Mijn schoolkameraden plaagden me altijd met de spreuk dat ze ‘de school zouden moeten platbranden om me er uit weg te krijgen’. Afgezien van enkele maanden avondschool zat mijn schoolopleiding daarmee erop.

Nadat ik de lagere school beëindigd had werkte ik als ongeschoold arbeider voltijds in diverse fabrieken. Dan besloot mijn vader me zijn vak, het schilderen, aan te leren. Maar hij geraakte niet ver met mij. Ik was zeer weerbarstig en volgde zijn aanwijzingen niet op. Daarom overtuigde hij een vriend, een Zwitser, die een zeer goede schilder en behanger was, me aan te nemen: ‘Hij luistert gewoon niet naar mij, daarom draag ik hem aan jou over. Maak een schilder van hem. En als hij moeilijk doet, geef je hem maar een trap tegen zijn kont.’ Mijn leraar meende dat complimenten, ook wanneer ik ze verdiend had, me zouden verwennen en me verwaand zouden maken. Het grootste compliment dat hij mij ooit schoorvoetend gaf, luidde: ‘Je werk is de laatste tijd niet zo slecht als anders.’ Maar hij verdedigde me vol overtuiging als iemand ook maar de geringste opmerking over mijn werk maakte, omdat dit een slecht licht op zijn capaciteiten als leraar zou werpen. Ik voltooide mijn opleiding door bij verschillende werkgevers in dienst te treden en enkele jaren later te werken voor een kleine schildersondernemer in Chicago, bij wie ik ook kostganger was.

De Socialist Party

Door de zware economische toestand en door mijn harde leven als slecht betaalde, uitgebuite loonslaaf, en vooral door mijn rebels temperament, stond ik open voor de boodschap van het socialisme. Ik bezocht regelmatig de Socialist Party en haar jongerengroepering, de Young People’s Socialist League, de ‘Ypsels’ genoemd – ik ging bij hen letterlijk in en uit. Ik werd geïnspireerd door sprekers die op zeepkisten klommen en in een eenvoudig verstaanbare taal mijn idealistische doelstellingen tot uitdrukking brachten en me ertoe aanspoorden tegen het kapitalisme te rebelleren. Ik hielp mee door sprekerspodia te dragen, pamfletten uit te delen en affiches te verspreiden, met een sigarenkistje geld op te halen, de spreker water of andere verfrissingen te brengen om zijn stem te olieën, en soms zelfs door de samenkomst te leiden – een ervaring die me later zou helpen een redelijk goed straatpropagandist (een ‘rabble rouser’, een agitator) te worden.

Dat de Socialist Party zich in 1917 uitsprak tegen de Eerste Wereldoorlog spoorde honderdduizenden burgers ertoe aan de socialisten in de New York State Assembly en in de New Yorkse Stadsraden te stemmen, zoals de socialist Jacob Panken in de stadsrechtbank en Meyer London in het Huis van Afgevaardigden. Ik herinner me nog hoe de pas verkozen Assemblyleden een eigen treinwagon voor de rit naar Albany, de hoofdstad van de staat, gehuurd hadden. De wagon was langs alle kanten met rode vlaggen en banieren versierd, en een blaaskapel schetterde de proletarische hymnen ‘De Internationale’ en de ‘Marseillaise’. Jacob Panken en andere hoogwaardigheidsbekleders bejubelden het gebeuren als het begin van de lang verwachte sociale revolutie. In de algemene euforie sloot ik me in 1919 bij de YPSL aan.

Toen de interne oorlog tussen de rechter- en de linkervleugel van de socialistische partij een aanvang nam, was ik een jonge onbedorven nieuweling van 17. De haarkloverijen tussen ‘rechts’ en ’links’ over de manier waarop de verklaringen van de hogepriesters van de socialistische kerk moesten geïnterpreteerd worden en het machtsstreven van sektarische politieke intriganten stootten me tegen de borst. Duizenden oprechte, intelligente activisten waren door dit schandalig en onethisch gedrag gechoqueerd en keerden de beweging de rug toe.

Mijn toenemende vervreemding van de Socialist Party sproot niet voort uit contacten met de linkervleugel, maar uit de ontgoochelende ervaringen en waarnemingen. Ik had me bij de YPSL aangesloten omdat ik meende dat ze streed voor de val van het kapitalisme en voor de revolutionaire transformatie van de maatschappij. Maar dat was niet het geval.

Enkele maanden na de St-Louis-verklaring tegen de oorlog begonnen partijleden zich van de anti-oorlogshouding te distanciëren. Socialistische Joodse vakbonden zoals de invloedrijke United Hebrew Trades steunden de oorlogszuchtige politiek van de regering en drongen erop aan dat het anti-oorlogsstandpunt van St-Louis moest herzien en verworpen worden. Meyer London, die twee keer in het Huis van Afgevaardigden gekozen was en het standpunt van zijn partij tegen de oorlog vanaf het begin slechts schoorvoetend aanvaard had, spoorde zijn partij nu aan de oorlogsinspanningen van de regering goed te keuren. Hij weigerde een wetsontwerp voor de opheffing van de dienstplicht in te dienen met als reden dat het land een sterk leger nodig had, omdat het oorlog was. Meyer London stuurde de minister-president van de voorlopige regering van de mensjewieken in Rusland zelfs een telegram waarin hij deze ertoe aanmoedigde de belofte om niet afzonderlijk vrede met Duitsland te sluiten en verder oorlog te voeren, opnieuw te bekrachtigen.

De Jewish Daily Forward, die propaganda tegen de oorlog gevoerd had totdat de VS aan de oorlog deelnam, deelde mee: ‘Nu de oorlog verklaard is moet elke tegenstand tegen de oorlog opgegeven worden, en als loyale burgers moeten we alle beslissingen van onze regering stipt navolgen.’ De socialistische Joodse vakbonden – de kleermakers en de bij hen aangesloten arbeiders, de schoen-, bakkerij- en meubelbranches, een gedeelte van de bouwbranche –, de grote coöperatieve vereniging Workmen’s Circle (Arbeter Ring) en de Jewish Daily Forward, de wereldwijd grootste Joodse krant, vormden de ruggegraat van de Socialist Party, en op die manier nam de partij natuurlijk diens oorlogszuchtige politiek over.

Het idee dat deze organisaties deel uitmaakten van de wereldwijde socialistische beweging die misschien op een goeie dag het kapitalisme zou afschaffen en de nieuwe socialistische samenleving zou creëren, hetgeen in de preambulen en de statuten van vakbonden zoals de ILG-WU tot uitdrukking kwam en zelfs op het congres van 1920 in Boston nog eens krachtig benadrukt was, werd vier jaar later (1924) globaal verworpen, hetgeen voor mij de ondergang van de Socialist Party en haar ‘arbeidersfront’ betekende.

De bittere tweestrijd tussen de gematigde socialisten, die hun doel door middel van een reeks hervormingen in de schoot van het parlementair systeem trachtten te bereiken, en de ongeduldige revolutionaire socialisten, die voor de socialistische revolutie streden, verlamde de partij haast volledig. Het werd me langzaam duidelijk dat de overtuiging van de Socialist Party om haar doelstellingen te bereiken via verkozen socialistische afgevaardigden in de bonds-, bondstaats-, districts- en gemeentebesturen een reeks hervormingen door te voeren, geenszins het kapitalistisch systeem zou bedreigen maar veeleer het kapitalisme zou verstevigen door de ontevredenheid in ongevaarlijke banen te kanaliseren. Hervormingen zoals prijsverlagingen voor babymelk, het openbaar vervoer aan 5 cent per rit, betere sociale voorzieningen, enz., stonden ook in het verkiezingsprogramma van de burgerlijke partijen. De Socialist Party was overigens ook een steunpilaar van de kapitalistische democratie, die men veeleer als een versluierde dictatuur zou moeten ontmaskeren. Noodzakelijke directe eisen die tot de val van het kapitalisme leiden zouden enkel vervuld kunnen worden wanneer men weigert de wetten te gehoorzamen en het respect voor het gezag ondermijnt.

Ik uitte mijn veranderde mening openlijk en zei de socialisten dat hun beweging niet het minste vonkje revolutionaire geest bezat. Ik was van oordeel dat noch ik noch iemand anders ooit aan het kiesbedrog, dat enkel het kapitalisme versterkte, zou mogen deelnemen. Natuurlijk sloot de YPSL me wegens weerspannigheid en overtreding van de beginselen van de Socialist Party uit. Ik zou sowieso uit de YPSL gestapt zijn. Maar het uitsluitingsbevel kwam me goed uit, omdat het me de gelegenheid bood mijn opvattingen uit te leggen. Nadat ik uitgesloten was kwam een van de betrokkenen naar me toe en zei me: ‘Weet je, jij bent helemaal niet zo dom. Jij hebt je erg goed verdedigd, alhoewel je geval hopeloos was. Ik geef je een tip. Jij bent geen socialist. Jij bent een anarchist.’ Waarop ik vroeg: ‘Waar kan ik die vinden?’

Het tijdschrift Road to Freedom

Toen ik samen met enkele andere radeloze jongeren op zoek ging naar een consequente revolutionaire stroming en bij de zetel van het anarchistische tijdschrift Road to Freedom aanklopte – een kleine, sjofele zolderkamer op Broadway in de nabijheid van Union Square –, werden we hartelijk ontvangen en zonder formele toetredingsvoorwaarden uitgenodigd naar de groepsvergadering te komen en aan alle activiteiten deel te nemen.

Ik was blij te ontdekken dat er een andere beweging bestond, een internationale antistatelijke anarchistische beweging, die diamentraal tegenover het autoritaire marxisme stond. Ik had ook nog nooit gehoord van anarchisten als Proudhon, Bakoenin, Kropotkin, Reclus, Guillaume, Malatesta en zovele andere revolutionaire activisten, die de beginselen van het anarchisme geformuleerd hadden. Ik was zeer nieuwsgierig naar het anarchisme. Hoe sterk mijn vage voorstellingen door de omgang met de kameraden van Road to Freedom reeds een concrete vorm aangenomen hadden, kan het beste aan de hand van de volgende twee uittreksels uit mijn dilitantische artikelen voor het tijdschrift afgelezen worden:

‘Momenteel zijn we in staat in te zien wat er gebeurt met een “radicale” beweging die op autoriteit gebaseerd is en haar toevlucht neemt tot een regering om haar doelstellingen te bereiken. Ze verliest haar identiteit en wordt louter een naam zonder echte betekenis. (…) We zien hoe in Rusland de revolutie bedrogen wordt, de bureaucratie vast in het zadel zit en elk vonkje vrijheid door de communistische dictatuur de kop ingedrukt wordt. (…) De anarchistische bewering dat er geen verandering in de vorm van de staat het in hem huizende kwaad kan uitschakelen, werd daarmee op overtuigende wijze bevestigd.’ (Uit A Vindication, november 1930)

In een ander artikel, At the Crossroads (april 1932) staat te lezen:

‘Het anarchisme streeft naar een toestand waarin alle maatschappelijke activiteiten door op vrijwillige basis georganiseerde groeperingen, verenigingen en federaties bedreven worden – zodat wederzijds begrip in plaats van dwang als grondbeginsel van de menselijke maatschappij ingevoerd wordt. (…) De ontwikkeling van het individu en van de maatschappij kan enkel bereikt worden door middel van de overtuiging dat vrijheid voor de ontwikkeling van een betere maatschappij onontbeerlijk is. (…) Wij zijn tegen elke vorm van uitbuiting van de mens door de mens. (…) Daarom geloven we in de afschaffing van het loonstelsel. (…) De maatschappij moet volgens het principe “ieder naar zijn capaciteiten, aan ieder naargelang zijn behoeften” functioneren. (…) Een vrije mens in een vrije maatschappij. (...)’

De toenmalige uitgever van Road to Freedom was Walter Starrett Van Valkenburgh. Wij noemden hem Van. De mede-uitgever Hippolite Havel was zelden aanwezig. Van kwam vanuit Schenectady in de bondsstaat New York naar New York City. Voor zover ik weet had hij bij een treinongeval een been verloren. Hij was goed bevriend met Emma Goldman en organiseerde haar lezingen in Schenectady. De redactiepolitiek van Road to Freedom bestond erin het hele spectrum van anarchistische meningen in volle omvang tot uitdrukking te laten komen. Van publiceerde controversele artikelen en voegde er dikwijls redactionele opmerkingen aan toe. Ik zal me steeds dankbaar herinneren dat het Van geweest was die ons jongeren ertoe aanmoedigde iets voor Road to Freedom te schrijven. Toen mijn eerste artikel verschenen was, vroeg Van: ‘En hoe voelt het aan voor de eerste keer je naam gedrukt te zien?’

Door mijn medewerking aan de groepering ervaarde ik dat er voor de verdere ontwikkeling van Road to Freedom obstakels opdoken, niet enkel in de schoot van de groepering maar in de beweging als geheel. In het Road to Freedom-collectief werd zoals in vele andere anarchistische en andere groeperingen de groepsbinding door het sektarisme en door onbelangrijke persoonlijke vitterijen ondermijnd en dit maakte elke gemeenschappelijke activiteit onmogelijk. Er werden geen eisen gesteld om lid te worden. Mensen die we niet kenden, iedereen die toevallig voorbij kwam kon aan de groepsactiviteit deelnemen. Een fantast uit Canada sprak iedereen behalve zichzelf aan met ‘onvoltooid organisme’. Hij verkondigde luidkeels dat Emma Goldman zich enkel tijdens haar menstruatie strijdvaardig gedroeg. Een fanatieke vegetariër sloeg beledigd de deur achter zich dicht toen we weigerden ermee in te stemmen dat elke niet-vegetariër onmogelijk een anarchist zou kunnen zijn. Een andere excentriekeling verkondigde de mening dat kinderen die ‘s nachts in het donker verwekt werden, zwak ter wereld komen en op jonge leeftijd zullen sterven, terwijl degenen die in volle dag onder een zonnige hemel verwekt worden, krachtig en gezond blijven en lang zullen leven.

Er werd haast niets gecoördineerd. De extreme ‘individualisten’, diegenen die, om het met de scherpe woorden van Luigi Fabbri te zeggen, ‘de meest asociale vormen van individuele rebellie idealiseerden’, waren tegen alles. Zelfs een comité bestaande uit twee of drie kameraden werd als ‘bureaucratie’ gehekeld. Het voorstel voor een verbindingscomité voor de coördinatie van gemeenschappelijke doelstellingen werd als ‘samenzwering’ aangeklaagd. Anderen beweerden dat een anarchist zich nooit voor bewegingen van de arbeidersklasse zou mogen interesseren, omdat de strijd voor betere arbeidsvoorwaarden een reformistische capitulatie tegenover het kapitalisme zou betekenen. Sommigen waren religieuze pacifisten à la Tolstoj. Nog anderen opteerden voor aanslagen op leidinggevende personen, onteigeningen, enzovoorts, in de terroristische traditie van Ravachol, Emile Henry en anderen. Zo ging dat voortdurend.

De Vanguard-groep

Road to Freedom publiceerde voornamelijk artikelen die de tegengestelde meningen van de verdschillende individuen in de groepering weerspiegelden – de ene kant bespotte de andere kant. Dit moest noodzakelijkerwijs de potentiële leden, die we zo dringend nodig hadden, wel in verwarring brengen en bevreemden. Natuurlijk moest een anarchistisch blad open staan voor uiteenlopende standpunten. Maar wij jongeren als nieuwe leden van de groep Road to Freedom waren van mening dat het blad – of eventueel een nieuw blad – eensluidende, constructieve ideeën moest ontwikkelen en presenteren, met als doel indruk te maken op de nieuwe mensen die we trachtten te bereiken. We kwamen samen om erover te discussiëren hoe deze ideeën er zouden moeten uitzien en hoe ze in de praktijk konden worden omgezet.

Maar zelf beschikten we niet over de nodige kennis of ervaring om zo’n moeilijke opgave aan te kunnen. Gelukkiglijk slaagden we er dan in onder leiding van Mark Schmidt, een Russische kameraad die een grote kennis over het anarchisme bezat dat door zijn persoonlijke deelname aan de Russische Revolutie verdiept was en die daarenboven vloeiend Engels sprak. We waren erg getroffen door zijn ideeën, niet omdat hij van ons verlangde dat we ze te goeder trouw zouden accepteren, maar omdat we door onze ervaringen met Road to Freedom tot gelijkaardige conclusies gekomen waren.

We hadden de indruk dat de begrippen ‘zuiver anarchisme’ en ‘anarchisme zonder adjectieven’ niet specifiek genoeg waren en onze opvattingen niet goed genoeg definieerden. In overeenstemming met de leer van de anarchistische klassiekers Bakoenin en Kropotkin identificeerden we ons als ‘communistische anarchisten’ of ‘anarchosyndicalisten’. Een anarchistische maatschappij zou gebaseerd moeten zijn op federaties en confederaties van vrije gemeenten, waarin de productie zou moeten bedreven worden door vrije associaties (syndicaten) in zelfbeheer, zoals het stond in de princiepsverklaring van de Internationale Arbeiders-Associatie, die in 1864 opgericht was en in 1922 opnieuw tot leven gewekt werd. We wilden vooral deze principes op de werkelijke, concrete situatie van de hand- en hoofdarbeiders, van de jongeren, van de werklozen - kortom, van de ondergeprivelegieerden – toepassen, in het vooruitzicht een krachtige anarchistische basisbeweging in Amerika op te bouwen.

Vanguard ontstond uit onze groepering Friends of Freedom, die al snel gekrompen was en dan uiteenviel omdat het haar aan een goede organisatie ontbrak, omdat ze voor Jan en alleman open stond, voor iedereen die op zoek was naar amusante curiositeiten en dat dacht bij ons gevonden te hebben, hetgeen precies dié problemen veroorzaakte die we trachtten te vermijden. Met de ontbinding van de groep Friends of Freedom kwamen er geleidelijk jonge activisten naar ons toe, die de kern van een nieuwe groep zouden vormen en het anarchisme populair wilden maken. Deze jonge activisten organiseerden zich uiteindeljk in de Vanguard-groep en stichtten het maandblad Vanguard: An Anarchist Communist Journal.

Op openbare vergaderingen en discussie-avonden (ik nam aan vele van hen deel) legden we energiek onze anarchocommunistische/ anarchosyndicalistische standpunten uit. Elke uitgave van de Vanguard bevatte berichten en analyses van belangrijke actuele gebeurtenissen. We brachten speciale artikelen met nieuws en analyses over ontwikkelingen in de Amerikaanse arbeidersbeweging. Vanguard publiceerde de authentieke, uitvoerige berichten en commentaren over de Spaanse revolutie, berichten over internationale gebeurtenissen en artikelen van de best geïnformeerde activisten, alsook scherpzinnige artikelen die problemen vanuit een anarchocommunistische/anarchosyndicalistische optiek analyseerden. Er waren bijdrages van Rudolf Rocker, Armando Borghi, Alexander Shapiro, Grigori Maximow, Christian Cornelissen, Augustin Souchy, Pierre Besnard en Emma Goldman (met wie we in regelmatig briefcontact stonden). Vanguard werd hoog aangeschreven en gold als een van de beste Engelstalige tijdschriften ter wereld.

On the road

Om de arbeiderswereld beter te leren kennen en de verten van ‘mijn Amerikaans vaderland’ te verkennen werd ik seizoenarbeider – een werkende ‘hobo’ - bij de spoorwegen, in havens, op bouwwerven, in houthakkerskampen, conservenfabrieken, staalfabrieken, boerderijen, ziekenhuizen, hotels, enz.

Er liggen werelden van verschil tussen, enerzijds, een werkende hobo, een seizoenarbeider en, anderzijds, een hobo als niet-werkende landloper, als doelloze trekker, die in goederenwagons en in verlaten barakken in de nabijheid van treinstations slaapt, een schooier die voorbijgangers om een aalmoes vraagt en de etensresten van restaurants en markten oppeuzelt. Vele hobo’s zijn ‘missiezwervers’, die van de maaltijden en slaapgelegenheden van religieuze organisaties (Leger des Heils, katholieke en protestantse ‘herbergen’) leven. De voorstelling van een hobo van het ‘goede leven’ overstijgt niet de volgende maaltijd en de volgende ‘pitplaats’ (slaapplaats), maar de seizoenarbeider-hobo is een rebelse kerel.

De houthakkers, de ‘harvest stiffs’ (oogsthelpers zoals groente- en fruitplukkers, arbeiders op de velden van de tarwe- en graangordel van de Mid West, enz.), de gandy dancers (spoorwegarbeiders), de trekarbeiders en zoveel andere arbeidsnomaden die voor ‘een plaatsje onder de zon’ strijden, hebben ongetwijfeld een heldenstatus in de geschiedenis van de Amerikaanse arbeidersbeweging verdiend.

Ik verliet New York, reisde als zwartrijder in goederentreinen door het land en monsterde als gandy dancer aan bij de spoorwegmaatschappij, die gratis transport naar de arbeidsplaats, slaapgelegenheid, kantine, maaltijden en beddegoed ter beschikking stelde. Tabak, zeep, tandpasta, handschoenen en andere klaine artikelen, die men in proviandwinkels kon afhalen, werden door aftrek van het loon betaald. Ik herinner me hoe ik met de Erie-Railroad-trein van New York City naar Hornell, New York, in de omgeving van Buffalo op weg was. Toen we aankwamen gaf men ons een ‘voederzak’ (een luchpakket dat op het werk gegeten wordt). Maar in plaats van te gaan werken negeerden haast alle pas aangeworven arbeiders de oproep van de voorman om terug te komen, we namen onze pakketten en smeerden ‘m.

Ik herinner me een amusant voorval. Toen ik door de straten van Kansas City, Missouri, wandelde, zag ik een grote lijkwagen waarop een groot spandoek bevestigd was met de woorden: ‘Er bestaat geen rechtvaardigheid in California! Vrijheid voor Tom Mooney!’ Vanuit een laadbak die op de chassis van de Ford gemonteerd was sprak iemand de menigte toe.

Na de meeting stelde ik me aan de spreker voor en zei: ‘Dat met die lijkwagen is een verdomd goed idee.’ De spreker, Harry Myers, vroeg: ‘Heb je niets om handen? Ik ben het beu heel alleen met deze lijkwagen rond te rijden en literatuur te verkopen. Ik heb hulp nodig. Wat zou je ervan denken om met me mee te komen? Ik ben op weg naar Chicago; iemand anders met een houten been, Kelso, trekt vanuit het oosten naar Chicago en doet hetzelfde. We zullen wel een slaapplaats vinden. En moest dat niet lukken, dan kunnen we nog altijd met een of twee kussens in de lijkwagen slapen. Ik neem mijn plaats in op de laadbak en hou mijn speech, en jij speelt impresario en vent de literatuur.’

Ik vroeg hem hoe hij het zou klaarspelen in die reactionaire kleine stadjes dit spul te verkopen en zijn speech af te steken. Myers garandeerde me dat het geen moeilijkheden zou opleveren: de Ierse politieagenten zouden niemand arresteren die probeert een andere Ier – namelijk Mooney – vrij te krijgen.

Toen we in Chicago aankwamen wilde het Mooney Defence Committee, dat onder controle van de communisten stond, dat Myers de lijkwagen, de literatuur en al het andere aan de communisten zou overdragen. Myers en Kelso werden de laan uit gestuurd. De lijkwagen werd aan de hoede van IWW-secretaris Herbert Mahler toevetrouwd en werd in een garage tegenover de IWW-centrale aan de West Lake Street 555 geparkeerd. Harry Myers trouwde met de nicht van de radicale socioloog Thorstein Veblen. Hij stierf bij een auto-ongeval in Oakland, California.

Chicago

Toen ik in Chicago verbleef was de IWW door de rampzalige splitsing van 1924, waar ze nog niet helemaal van bekomen was, erg verzwakt. Acht jaar later, in 1932, had de organisatie welgeteld 29 dollar, lang niet genoeg om het magere loon van de secretaris of van de uitgever van het verenigingsblad Industrial Worker te betalen. Gelukkiglijk waren enkele jaren later dan 1.000 dollar aan geldmiddelen voorhanden, weliswaar nog niet genoeg om alle uitgaves te dekken, maar het was toch al een verbetering dat het beste deed hopen.

Tijdens de crisisjaren zamelde de werklozenbond van de IWW aan de West Harrison Street levensmiddelen op de markten in om de werkloze leden te ondersteunen. Het procedé was eenvoudig. Een werkloze die lid werd van de werklozenbond had recht op een kosteloze slaapplek en op verzorging, zonder dat hem daarbij vragen gesteld werden. Na twee of drie dagen werd hem na het ontbijt een lege zak gegeven met de woorden dat hij geen verdere hulp meer zou krijgen als hij niet tegen het avondeten met een volle zak levensmiddelen terug zou komen.

De werklozenbond verspreidde duizenden exemplaren van het zeer geliefde vlugschrift Bread Lines or Picket Lines, dat de actieve arbeiders ertoe opiep geen overuren te maken, niet als stakingsbreker op te treden en de eisen van hun werkloze collega’s voor meer werklozengeld te ondersteunen.

Om meer jobs voor de werklozen te creëren werden de actieve arbeiders ertoe opgeroepen geen overuren te maken, te staken voor een kortere arbeidstijd, aan betogingen deel te nemen en zich bij stakinspiketten aan te sluiten, om op die manier hun eisen kracht bij te zetten. De werklozenbond riep ook op om werklozen die wegens huurachterstand uit hun woning gezet waren ermee te helpen hun meubels terug te krijgen en de woning die ze hadden moeten ontruimen, te bezetten.

Ik nam aan verschillende van die activiteiten deel en sprak op openbare meetings in arbeidersbuurten.

Detroit

In 1931 of 1932 verliet ik Chicago voor een propagandatournee die me over Detroit en Cleveland naar New York leidde en die plaatsvond in naam van de anarchisten en de IWW, die gewoonlijk naar elkaars meetings gingen. De kleine anarchistische sceène van Detroit, als men dat zo noemen wil, bestond uit vreemdtalige groepen – van Italianen en Spanjaarden en ook van enkele Russen – en Joodse groepen. De Italiaanse n Spaanse kameraden, die elk in hun eigen wijk actief waren, organiseerden dikwijls gemeenschappelijke activiteiten en werkten tot op zekere hoogte met de in Amerika geboren IWW-leden samen. De Joodse anarchisten beperkten hun activiteiten hoofdzakelijk tot de ondersteuning van hun blad Freie Arbeiter Stimme en Joodse culturele evenementen.

In Detroit leerde ik Mark Mratchny kennen. Ik voerde met hem boeiende gesprekken, waaruit ik veel over de problemen en de rol van de anarchisten in de Russische Revolutie vernam.

Mratchny veroordeelde de romantische neiging van vele Russische anarchisten voor terroristische daden, aanslagen, banditisme, brandstichtng, enz. ‘Zulke tactieken,’ zei Mratchny, ‘roepen een totaal verkeerde voorstelling op van wat anarchisme in werkelijkheid is. Dat is de belangrijkste reden van de zwakte van onze beweging in Rusland. Jullie, Amerikaanse anarchisten, zouden daaruit iets moeten leren. Indien jullie een echte doeltreffende kracht willen worden, dan moeten jullie ver van deze elementen weg blijven.’ Mratchny was leraar aan de niet-religieuze Joodse Sholem-Aleichem-School in Detroit. (Sholem Aleichem was een internationaal vermaarde humorist en werd dikwijls ‘de Joodse Mark Twain’ genoemd.) Later gaf hij het blad Freie Arbeiter Stimme uit. Op een gegeven moment stapte hij uit de beweging en vestigde hij zich als psychoanalyticus. Hij overleed enkele jaren geleden.

New York

Mijn nauwste contacten met de IWW had ik in New York, Philadelphia en in geringere mate in andere regio’s, en dit over een periode van vijftig jaar, van de economische crisis bij het begin van de jaren 1930 tot op het ogenblik waarin ik dit boek schrijf, in 1985. De Italiaanse, Hongaarse en Finse lokale groeperingen – allen met eigen centra (de Finnen beschikten in Harlem over een heel gebouw) – vormden samen met andere taalgroepen, met voormalige leden en met sympathisanten, in vergelijking met vandaag, een aanzienlijke ‘beweging’. Het was geenszins ongebruikelijk dat bij het jaarlijkse Christmas Class-War Prisoners Ball (kerstmisbal voor gevangenen van de klassenstrijd), bij de eerste mei, bij 11 november en bij andere proletarische evenementen vijfhonderd of méér mensen deelnamen.

De heropleving van de IWW in de regio New York was in verregaande mate te danken aan het initiatief van Herbert Mahler, zijn vrouw Bessie en een handjevol New Yorkse Wobblies, die besloten hadden de IWW bekend te maken. Mahler, die zijn loopbaan in de houthakkerskampen van het noordwesten van de Stille Zuidzee in de omgeving van Seattle, Washington, begonnen was, kwam uit het westen van Canada, waar hij als een vermaard amateurbokser bekend was. Hij was een sparringpartner van de toenmalige zwaargewichtbokser Victor McLaglen, die later in de film The Informer (1936) de hoofdrol zou spelen en een Oscar zou winnen.

Mahler was secretaris van de IWW van Seattle toen op 5 november 1916 de beruchte slachtpartij in het nabije Everett, Washington, plaatsvond, waardoor 74 Wobblies van moord beschuldigd en uiteindelijk vrijgesproken werden. Samen met de advocaten Fred Moore en George F. Vanderveen (later advocaat op het grote proces van Chicago tegen arbeiders-activisten in 1918) was Mahler het actiefste lid van het gezamenlijke AFL-IWW-verdedigingscomité.

Mahler vertelde graag een anekdote over hoe de IWW de houthakkers organiseerden, iets wat ik me nog steeds herinner. Een organisator van de Wobblies die houthakkers trachtte te organiseren werd geconfronteerd met de voorman: ‘Je mag hier organiseren als je me in een eerlijke bokswedstrijd kunt verslaan. Zo niet, dan vlieg je buiten.’ De betreffende organisator vertelde dit aan Mahler toen deze naar Seattle teruggekomen was. ‘Wat jij nodig hebt,’ zei Mahler, ‘is training.’ Na enkele weken intense training ging de organisator terug, overwon de voorman en organiseerde de houthakkers in de IWW.

De IWW waren in het district Seattle omwille van hun uitstekende faam op het vlak van sport en andere prestaties toen zeer geliefd. Mahler was van mening dat het succes van de Wobblies voor een groot gedeelte het resultaat was van de vriendschappelijke relaties met de lokale AFL-afdelingen en met de gemeenteraad, voornamelijk met de burgemeester.

Toen men in de jaren 1930 de Wobblies van Cleveland in de val liet lopen en hen zoals in het geval van Mike Lindway op basis van valse beschuldigingen tot vele jaren gevangenisstraf veroordeelde, als stakende arbeiders gepest en door de politie betaalde knokploegen van de bedrijven die de staking wilden breken aangevallen werden, haalden de Wobblies van Cleveland Herbert Mahler erbij om de verdediging te organiseren. Mahler en enkele andere collega’s van het stakingscomité werden gearresteerd toen ze zich bij de stakingspiketten van de stakende IWW-poetsvrouwen aansloten. Hetgeen mij eraan herinnert dat ik, toen ik een paar dagen in Cleveland was, behoorde tot diegenen die tijdens de middagpauze aan de fabriekspoort spraken – de beste tijd om de arbeiders te bereiken en hen lid van de IWW te maken. Toen ik opstond om te spreken maakte het gekletter van de stenen in een lege betonmixer, die de Lincoln Electric Company er geplaatst had, zodanig veel lawaai dat ik mijn eigen woorden zelfs niet meer verstond.

Nadat Mahler als een van de 101 politieke gevangenen, die men tot ‘subversieven’ uitgeroepen had, vijf jaar in de gevangenis van Leavenworth uitgezeten had, werd hij financieel secretaris van de IWW in de centrale van Chicago. Later trok hij naar New York, waar hij de General Recruiting Union van de IWW in een nieuw lokaal in de Fifth Avenue 94 opnieuw oprichtte. De met de letters IWW versierde voorruit gaf uit op de Fifth Avenue, een van de voornaamste en drukste straten van New York. De muren van het nieuwe lokaal werden met een reusachtige muurschildering versierd, dat met de hulp van artistiek getalenteerde leden door Carlson geschilderd werd, een kunstenaar die een atelierwoning in de zoldervertrekken van het gebouw betrok.

De muurschildering beeldde in de heersende proletarische stijl en in felle kleuren de verschillende fasen van de klassenstrijd uit, opgeblazen kapitalisten met een grote sigaar in de mond en een priester die de klerus vertegenwoordigde en zijn slachtoffers – vrouwen en kinderen – commandeerde, tot de opstandige arbeiders die met rode vlaggen zwaaiden, Solidarity Forever zongen en de kapitalisten en de priester afmaakten, terwijl de stralen van de opkomende zon de scène verlichtten.

De uitbeelding van de klerus als vijand van de arbeiders misnoegde religieuze sympathisanten die we wilden aantrekken. Dat herinnert me eraan hoe de groep van Newark een bedrijf verloor dat ze nog maar pas georganiseerd had toen de nieuwe leden protesteerden tegen de opname van antireligieuze liederen zoals The Preacher and the Slave, een parodie op In the Sweet Bye and Bye, etc. in het Little Red Songbook van de Wobblies.

Toen ik dit probleem met Ben Fletcher bediscussieerde, een van de 101 politieke gevangenen die wegens hun tegenstand tegen de Eerste Wereldoorlog in de gevangenis van Leavenworth opgesloten waren, schold hij me uit: ‘Wat verduiveld kan het je schelen dat ze naar de kerk gaan als ze nà de mis met stakingsbrekers op de vuist gaan en op het werk solidair zijn? Trek je dat niet aan. Geef hen de kans uit eigen ervaring te leren.’

De Fifth Avenue 94! De IWW, het atelier van kunstnaar Carlson, de anarchocommunistische groep Vanguard en Carlo Tresca’s groep Il Martello namen het gehele gebouw in beslag. Leden en sympathisanten van andere organisaties die met elkaar in nauw contact stonden creëerden een vriendschappelijke atmosfeer, een gemeenschapsgeest, die een broederlijke libertaire gemeenschap deed ontstaan.

De ‘94’ was ook een cultureel centrum met cursussen over kunst, journalisme en andere thema’s. De bekende socialist Samuel H. Friedman (hij dong verschillende keren mee als kandidaat van de Socialist Party naar het vicepresidentschap van de VS en naar andere posten) verzorgde de cursus retoriek. De eindexamens vonden plaats in het kader van een openbare bijeenkomst onder de blote hemel. Friedman was de voorzitter. De redevoeringen van de kandidaten werden beoordeeld naar de sterkte van het applaus van het publiek.

De IWW-tactiek van directe actie werd overgenomen door ervaren activisten die meehielpen bij het organiseren van stakingen en acties. In dit verband schiet me een amusant voorval te binnen. Andy Liporati, een kok die meehielp gastronomie-arbeiders in New York te organiseren, vertelde hoe de IWW bij een staking van een restaurant snelle resultaten bereikten door van binnenuit de staking te organiseren. Wobblies die de werkgever niet kende namen dienst als ‘stakingsbreker’. Ze waren nog maar pas begonnen het middagmaal op te dienen of er deden zich bizarre ‘ongelukjes’ voor. Een kelner morste ‘per ongeluk’ soep op het tafellaken, hamburgers werden ‘per vergissing’ in visolie gebraden, koffie werd met zeepschuim gearomatiseerd, suikerpotjes werden met zout gevuld, volledige maaltijden kwamen als koffie met koek op de rekening, enz. De ‘stakingsbrekers’ werden onmiddellijk na het middagmaal ontslagen en de triomferende stakers mochten terugkeren.

Mijn activiteiten bestonden er vooral in op openbare meetings te speechen. Ik werd als een redelijk goede ‘agitator’ beschouwd. Ik sprak ook dikwijls op onze open debatavonden en op bijeenkomsten die andere groeperingen organiseerden. We konden pas openbare bijeenkomsten houden nadat we een hevige strijd voor vrijheid van spreken gewonnen hadden, niet tegen de overheid maar tegen de communisten die verbeten probeerden onze bijeenkomsten te saboteren.

Alhoewel het organisatiecomité, de meeste leden van de lokale groep en Mahler zelf sociaaldemocraten waren (Mahler was goed bevriend met de socialist Norman Thomas), werden mijn speeches goed onthaald. Maar kritiek op het marxisme en de hechte band tussen de door de IWW verkondigde principes en de anarchosyndicalistische ideeën van Bakoenin, waar ze geen vermoeden van hadden, riepen bij de marxistische socialisten ergernis op. In een van mijn speeches beschuldigde ik de marxistisch gekleurde sociaaldemocratische partij (SPD) van Duitsland ervan geen doeltreffende (of helemaal geen) verzet tegen Hitler geleverd te hebben, en ik plaatste daar het heldhaftige verzet van de ‘bakoeninistische’ CNT tegen het Franco-fascisme in Spanje tegenover. Dat riep het hevige protest van de IWW-auteur Justus Ebert op. Hij verdedigde het marxisme en het gedrag van de SPD en herhaalde al de lasterlijke aanvallen op de integriteit en de ideeën van Bakoenin en van de libertaire vleugel van de Eerste Internationale.

Ik moet toegeven dat ook de anti-IWW-opstelling van vele anarchisten, die voor de AFL-CIO opteerden, voor deze anti-anarchistische houding mee verantwoordelijk was. Onze poging om dat de anarchisten duidelijk te maken vonden nauwelijks weerklank en werden volledig genegeerd. Dat was des te betreurenswaardiger toen belangrijke afdelingen van de Wobbly-beweging zoals de Marine Transport Workers en leden van Hongaarse, Italiaanse, Slavische, Finse, Russische en vele andere taalgroepen voor het anarchosyndicalisme open stonden; de Chileense afdeling van de IWW sloot zich zelfs aan bij de anarchosyndicalistische Internationale Arbeiders-Associatie (IAA).

Alhoewel het referendum voor de IAA-toetreding van de IWW van 1934 later door een nieuw referendum ongeldig verklaard werd, onderhield de IWW zeer vriendschappelijke relaties met de anarchosyndicalistische organisaties in Latijns-Amerika, Spanje, Portugal, andere Europese landen, Australië en andere werelddelen. Tot op de dag van vandaag is de IWW voor de volle honderd procent solidair met de anarchosyndicalistische CNT in Spanje. Voor mij is een formele toetreding tot de IAA niet zo belangrijk, maar concrete kameraadschappelijke relaties, concrete solidariteit is dat wel. Zo werden bijvoorbeeld leden van vakbonden die bij de IAA aangesloten waren ook lid van de IWW en omgekeerd – een wederzijdse overeenkomst.

Ik was niet direct betrokken bij de pogingen van de New Yorkse Wobblies om gebruik te maken van de open mentaliteit ten opzichte van de vakbond en arbeiders uit de voedings-, transport- en bouwbranche alsook uit andere bedrijfstakken te organiseren. Dat deze pogingen mislukten en ondanks de bovenmenselijke inspanningen van de collega’s geen tastbare resultaten opleverden, lag vooral aan de belachelijk geringe persoonlijke capaciteiten en aan de magere financiële middelen die het verhinderden met de reusachtige middelen en mogelijkheden van de AFL-CIO, alsook met diens imago van ‘ernst en bekwaamheid’ te concurreren.

Ik herinner me hoe we de vraag van een afvaardiging van de lokale afdeling van de Brooklyn Painter’s Union moesten afwijzen om als IWW de gangsters en schurken uit hun vakbond te verjagen. Als we hen vroegen waarom ze dat zelf niet deden, antwoordden ze dat ze in feite daar de moed niet voor hadden. Ze kregen van ons te horen dat laffe arbeiders die zich niet zelf behelpen en niet voor hun rechten willen opkomen, de consequenties daarvan moeten dragen. Ze kwamen zelfs niet in aanmerking om lid van de IWW te worden, zelfs indien ze daarvoor zouden smeken.

Een catastrofale organisatorische mislukking was de poging van mij en van een collega, Red Shannon, tegen beter weten in het personeel van een schoonheidssalon van het lidmaatschap van de IWW te overtuigen. Het zicht van ons werkplunje en onze overalls verschrikte de brave dames en weerhield hen ervan zich bij de IWW aan te sluiten. Het bleek dat zij er zich voor schaamden stakingspiket te staan, omdat ze dit ongepast en beneden hun waardigheid vonden. Uiteindelkijk sloten ze zich aan bij de AFL, die werkloze arbeiders ervoor betaalden om stakingspiket te staan.

Een chronische hinder bij het organisatiewerk vormden de gefrustreerde advocaten. Hun star vastkleven aan de letter van de organisatiestatuten, aan wiens naleving ze met fanatieke ijver gehecht waren als ging het om een pauselijke encycliek, wat ook de omstandigheden waren of wat het mesenverstand ook maar gebood, speelt ons nog steeds parten. Normaal werd de agenda van een vergadering vlot geregeld. Maar wanneer een van die amateuradvocaten aanwezig was, volgden er discussies over onbeduidende routinepunten die anders hoogstens een paar minuten zouden geduurd hebben, maar nu pas na urenlang gecompliceerd juridisch gehakketak tot een einde kwamen. Leden die daardoor afgeschrikt werden bleven in het vervolg gewoon weg.

Dikwijls werden we onverwachts met situaties geconfronteerd die zelfs nooit in onze dromen zouden opgedoken zijn. Een winkeleigenaar contacteerde de secretaris van de IWW en vertelde hem dat enkele mensen met IWW-protestborden voor zijn zaak demonstreerden en met staking dreigden als hen niet onmiddellijk enkele honderden dollars uitbetaald werden. Hij wilde weten of ze werkelijk lid van de IWW waren. De secretaris verzekerde hem dat de IWW niet in staking waren. De kleine afpersers verdwenen zodra ons comité opdook. Later ontdekten we dat een of twee van hen daadwerkelijk lid van de IWW waren en dat de anderen lid geweest waren maar wegens onethisch gedrag het aanzien van de IWW geschaad hadden en daarom uitgesloten waren. Die een of twee leden die in deze zaak betrokken waren werden natuurlijk ook uitgesloten.

Zoals in zovele andere plaatsen was de apathie van de leden de oorzaak voor het verval van de lokale afdeling. De voor het onderhoud van het lokaal absoluut noodzakelijke activiteiten berustten op de schouders van enkele geëngageerde maar hopeloos overbelaste vrijwilligers. De overige leden en sympthisanten lieten het vuile werk graag over aan anderen en noemden hen dan schijnheilig ‘dictators’ wanneer ze ertoe gedwongen waren zonder hun toestemming of deelname beslissingen te nemen.

‘Oldtimers’, zoals voormalige Wobblies genoemd werden, hingen rond in de bars en restaurants van de 14th Street, verspeelden hun geld bij het gokken en pronkten met hun vroegeree zogenaamde heldendaden voor de IWW, kwamen evenwel niet opdagen als er iets moest gedaan worden en kwamen ook niet naar onze vergaderingen, alhoewel ze daarvoor maar een blokje hoefden om te lopen. Maar wanneer er een lid wegens verduistering van geld of wegens een ander misdrijf zich moest verantwoorden, was het lokaal dikwijls barstensvol met eigengerechtigde Wobblis en ex-Wobblies die op sensatie uit waren. Op andere dagen bleef het lokaal vrijwel leeg.

De ontbinding van bewegingen omwille van persoonlijkre vitterijen, interne meningsverschillen en kinderachtig gekibbel is spijtiglijk een constant probleem. In het geval van de Fifth Avenue 94 had de bittere onenigheid tussen Mahler en zijn medestanders aan de ene kant en Joseph Wagner, de financiële secretaris van de IWW, aan de andere kant, die bij de oprichting van concurrerende afdelingen door de Wagner-fractie en tot de smartelijke uitsluiting uit de IWW leidde, de sluiting van het lokaal in de Fifth Avenue 94 en het bestendige verval van de IWW in de regio New York tot gevolg. Dit alles had verhinderd kunnen worden wanneer de rivaliserende fracties hun gekibbel zouden aan de kant schuiven, met elkaar tot een vergelijk zouden komen en dié solidariteit zouden beoefenen die ze zo ijverig predikten.

De dappere pogingen van John Shuskie, Anna Matson en enkele anderen om de IWW in die jaren nà het verval van de Fifth Avenue-groep nieuw leven in te blazen en een nieuw lokaal te openen, mislukten omdat ze niet konden rekenen op de solidariteit waar ze op gerekend hadden. De moraal was zo slecht dat het herdenkingsfeest van de vijfstigste verjaardag van de IWW niet door de Wobblies maar door de Libertarian League georganiseerd werd. Er was geen IWW-lokaal in New York City en de herdenking vond plaats in de lokalen van Cultura Proletaria op Broadway. Alle voorbereidingen, het programma, de financiering en de ontelbare details die het evenement tot een succes maakten waren enkel te danken aan de inzet van John Shuskie en Anna Matson. Het lokaal was barstensvol. En dan – zwijgen!

Bakoenin troostte zich in zijn laatste jaren toen al zijn verwachtingen in rook opgegaan waren met de melancholische bekentenis: ‘Wanneer de mensen niet langer naar vrijheid willen streven kan men niets meer uitrichten.’ Ook wij zouden ons daarmee kunnen troosten – alhoewel het verval van de eens bloeiende beweging in hoofdzaak niet terug te voeren is op de neergang nà 1945. Alleszins valt er veel voor te zeggen dat de radicaliteit van deze beweging niet veel meer te betekenen had.

De Marine Transport Workers (MTW)

De vitterijen, het gekibbel en de algemene apathie die het lokaal in de Fifth Avenue 94 ruïneerden, stootte net dié mensen af die de IWW zo dringend nodig had. Ik was diep ontgoocheld. In tegenstelling daarmee belichaamde de vrije, spontane atmosfeer bij de bij de IWW aangesloten Marine Transport Workers (MTW) het beste de geest van de IWW. Deze indruk berustte op contacten die ik dertig jaar lang, van de vroege jaren 1930 tot in de jaren 1960, met de MTW in de regio’s New York en Philadelphia had. De zeearbeiders werkten niet enkel samen maar leefden ook samen omdat ze elkaar voortdurend op verschillende schepen en ook tussen de reizen in in de havens van de Amerikaanse Atlantiek-, Golf- en Zuidzeekusten alsook in buitenlandse havensteden ontmoetten. Het internationaal karakter van de zeestransportindustrie en de kosmopolitische levensstijl van de zeearbeiders bevorderde de internationale solidariteit, de ‘broederschap van de zee’.

Van 1913 tot 1925 organiseerde de MTW op een succesrijke manier matrozen, machinisten, stewards en sjouwers in de havens van New York, Hoboken, Norfolk, Lake Charles en aan de Golf van Mexico. Hun consequente deelname aan alle stakingen, ongeacht door welke vakbond ze georganiseerd werden, en hun vastberadenheid op het vlak van de solidariteit en beginselvastheid, motiveerden de beste mensen om zich bij de MTW aan te sluiten. Een verrijking voor de MTW waren ook de Spaanse activisten en diens propaganda-organen Solidaridad Obrera en Cultura Obrera.

Volgens Patrick Renshaw (The Wobblies: the story of syndicalism in the United States, 1967) schreven de IWW tussen 1905 en 1924 honderdduizend lidkaarten aan zwarten uit. De IWW leverde pioniersarbeid op het vlak van de samenwerking tussen zwarte en witte arbeiders in de havens van Philadelphia, Baltimore en Norfolk. Meer dan de helft van de leden waren zwarten. Bij de ontwikkeling van de rassenintegratie speelde een van mijn beste vrienden, de zwarte organisator Benjamin Fletcher, een belangrijke rol. Fletcher was eveneens een van de 101 gevangenen. Ik leerde hem kennen bij mijn eerste contact met de MTW. Ik herinner me zeer levendig een voorval dat plaatsvond toen hij in de haven van Norfolk, Virginia, zwarte en witte sjouwers organiseerde. Fletcher, ongetwijfeld de meest welbespraakte, de meest humoristische spreker die ik ooit gehoord heb (met zijn sonore stem had hij geen microfoon nodig), sprak op een openlucht meeting. Er waren ook racisten op af gekomen om herrie te schoppen. Ze stelden een vraag om hem uit zijn tent te lokken: ‘Ben je het ermee eens dat witten en zwarten met elkaar trouwen of omgang met elkaar hebben? Ben je het ermee eens dat een nigger met een blanke vrouw trouwt?’ Om aan te tonen dat de herrieschoppers huichelaars waren, omdat, zoals algemeen bekend is, bij seks tussen witte mannen en zwarte vrouwen bleekhuidige halfbloedkinderen voortkomen, merkte Fletcher op: ‘Ik zie niemand die zo zwart is als ik. Maar wij weten allemaal verdomd goed hoe dat komt.’ De meeting werd zonder nieuwe onderbrekingen voortgezet.

Toen Fletcher naar New York trok was hij een van de meest geliefde en succesrijkste Wobbly-propagandisten in de haven van New York. Spijtiglijk werd hij door een hartaanval gedeeltelijk verlamd. Toen hij een gedeelte van zijn motoriek teruggewonnen had, koopte of huurde hij samen met zijn vrouw, een gediplomeerde verpleegster, een klein pension in de zwarte wijk Bedford Stuyvesant in de New Yorkse wijk Brooklyn. Ben hield zich bezig met de dagelijkse karweien, terwijl zijn vrouw in een ziekenhuis werkte. In de late jaren 1940 of vroege jaren 1950 werd hij plots geveld door een hartinfarct.

Tijdens de catastrofale economische crisis van de jaren 1930 was de MTW geslonken tot een handjevol dappere verdedigers van het revolutionair syndicalisme en streed ze tegen de verenigde macht van de corrupte, kapitalismevriendelijke vakbonden van de reders, de regering, de communistische partij en de communistische splintergroeperingen die allen de haven wilden controleren.

Dat waren hektische tijden. In het MTW-lokaal aan Coenties Slip heerste van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat constant oproer. Er werden duizenden infobladen en pamfletten in heel de haven verspreid, er werden publieke meetings georganiseerd (ik sprak op enkele daarvan) en protestdemonstraties vóór stadskantoren en sociale diensten om meer ondersteuning voor de havenarbeiders te eisen, we organiseerden ook heftige debatten met de Marine Workers Union (de zeeliedenvakbond van de communistische partij) en de genoemde splintergroeperingen.

Een gepensioneerd Zweeds zeeman, ‘Red Shirt Anderson’, baatte een goedkope soepkeuken uit – ook ‘pompstation’ of ‘lijkengiffabriek’ genaamd. De MTW opende een eigen gaarkeuken, die de leden en sympathisanten veel beter eten aanbood – aan kostprijs.

Bij de MTW bestonden er geen vaste werktijden voor lokale secretarissen of voor andere ‘functionarissen’. Het personeel wisselde wanneer leden naar andere havens trokken. Ze werden ook niet betaald. Wanneer een lid ertoe bereid was secretaris te worden, dan betaalde hij, indien hij daartoe in staat was, zelf zijn onderkomen, zijn eten en andere uitgaves. Was zijn geld op, dan monsterde hij weer aan, of wanneer dit niet lukte, dan sliep hij, zoals aan Coenties Slip, achter in het lokaal, at in de gaarkeuken en dekte kleine uitgaven met geld dat hij af en toe van MTW-leden toegestopt kreeg. De huur van het lokaal en andere onderhoudskosten werden door ledenbijdragen, inschrijfgeld en giften gefinancierd. De enige verplichting van de secretaris bestond erin een volledig financieel overzicht voor te leggen, die dan door een boekhoudcomité bestaande uit drie reguliere (d.w.z. bijdrage betalende) leden gecontroleerd werd. In Corlears en in andere lokale afdelingen werden beslissingen in verband met lokale aangelegenheden getroffen door reguliere leden die in de haven werkten. Beslissingen in verband met regionale en nationale aangelegenheden die voor heel de MTW belangrijk waren, werden op regionale en nationale conferenties genomen en moesten dan door de leden bekrachtigd worden.

Het lokaal was eigenlijk een informeel sociaal centrum, dat uitgerust was met een uitstekende bibliotheek op het vlak van de arbeidersbeweging, radicale politiek en cultuur, alsook met een leeskamer waar de leden gemoedelijk bij elkaar konden komen, konden keuvelen of schaken of een potje kaart leggen.

De MTW streed reeds erg vroeg tegen de dreigende controle van de vakbonden door de regering, meer bepaald tegen de Copland Continuous Discharge BookFink Book genoemd (‘Fink’ = verklikker). Als aanwervingsvoorwaarde registreerde het Fink Book alle vorige jobs van een zeeman en kon daarmee zijn onderdanigheid, zijn patriottisme en zijn voorgeschiedenis als ‘subversieve’ controleren. Een andere wet verbood het aanmonsteren via de vakbond en verleende een aanwervingsmonopolie aan de scheepseigenaar.

De MTW voerde een campagne voor de vrijheid van spreken om de ambtenaren te dwingen de vrijheid van spreken noch bij zaal- noch bij open lucht-meetings te beperken of uit te bannen. We organiseerden een demonstratie voor het recht op spreken in Geenwich Village, de New Yorkse bohèmewijk, en we moesten daarbij minder weerstand bieden aan de politie dan aan de vijandige horde van reactionaire patriotten. Het begin van mijn speech werd op gefluit, gejoel en beledigingen onthaald. Enkele heethoofden schreeuwden: ‘Haal hem van het podium!’ Een woedende patriot blufte trots dat zijn zoon in de Eerste Wereldoorlog gevallen was. Ik antwoordde hem dat hij een lafaard was: ‘Zelfs een in de hoek gedreven rat zou totterdood strijden om haar jongen te verdedigen.’ De massa brulde: ‘Sammy! Sammy! Waarom ga je niet terug vanwaar je gekomen bent?’ Ik zei hen dat ik hun vraag zou beantwoorden als ze zo lang met hun gebrul wilden ophouden, zodat ze het ook zouden horen. De spanning ontlaadde zich in een aanhoudend gelach toen ik verklaarde dat het mij biologisch en fysiologisch niet mogelijk was terug te keren naar de plaats van waar ik gekomen was. Voordat ik aan het einde kwam verzocht ik het publiek het recht op spreken en de geboden van de eerlijkheid te respecteren, en de volgende spreker, Franz Fleigler van de MTW, hun aandacht te schenken. Na de meeting zei me een van de vijandiggezinde luisteraars dat mijn speech hem eraan herinnerd had dat zijn grootvader een Wobbly geweest was. Een andere patriot ontdekte plotseling dat in zijn stamboom een paar Wobblies voorkwamen. Tot mijn grote verrassing werd ik zelfs door de herrieschoppers uitgenodigd mee ‘een glaasje te drinken’ in een nabij gelegen kroeg.

Onder historici bestaat spijtiglijk de tendens de ‘grote leiders’ op te hemelen, maar de vele mannen en vrouwen die de arbeidersbeweging uitgebouwd hebben, de anonieme helden, te verwaarlozen of zelfs helemaal niet te vermelden. In de MTW kwamen er geen ‘grote leiders’ voor. Van de talrijke verdienstvolle mensen die ik heb leren kennen herinner ik me bijvoorbeeld Nick de Griek, een begaafde kunstenaar die portretten tekende, vlugschriften illustreerde, enz. Nick was zeer goed geschoold maar hij hield vast aan het idee dat al het waardevolle en duurzame vóór de geboorte van Christus door de Grieken ontdekt geweest was. Sedertdien zou er niets nieuws meer voortgebracht zijn.

J. B. Childs, een Wobbly-veteraan die wegens ‘crimineel syndicalisme’ vijf jaar in de gevangenis van San Quentin in California doorgebracht had, was de secretaris van de lokale afdeling van de MTW toen die van Coenties Slip naar Broad Street verhuisde. Hij heeft die functie jarenlang uitgeoefend zonder enige betaling, hij sliep in het lokaal, waarbij hij voor voedsel en andere kosten op giften aangewezen was – onder die kosten viel bijvoorbeeld snuiftabak, die hij in grote dosissen consumeerde (zijn lievelingsmerk was Clark and Snovers Panther Piss). De hevige afranselingen die hij in San Quentin ondergaan had, hadden grote gevolgen op zijn geestestoestand. Toen ik en Phil Mellman, die ook wegens ‘crimineel syndicalisme’ met Childs in San Quentin gezeten had, Childs in het Pilgrim State Hospital, een psychiatrische kliniek op Long Island, opzochten, leek zijn toestand goed te zijn. Toen we hem een jaar later nog eens wilden bezoeken werd ons gezegd dat er niemand met die naam in de kliniek verbleef. Dat verraste ons helemaal niet. Het was algemeen bekend dat patiënten die de benen namen, van wie men geen familie kende of die gestorven waren, gewoonweg uit het dossier geschrapt werden.

Mellman, die momenteel negentig is, woont in San Francisco. Toen hij in New York woonde kookte hij soms voor ons. Hij was zeer fier op zijn kookkunst. Maar dikwijls werd hij tijdens de laatste minuten zenuwachtig en liet hij het eten aanbranden. Maar toen we hem een of twee jaar geleden in San Francisco opzochten, was dat niet meer het geval. Hij bereidde ons een rijk maal in een geweldige keuken dat met zoveel glazen, pannen, potten, vorken, lepels, servies, pollepels, keukenmachines en ander gereedschap uitgerust was, dat er een groot restaurant mee gerund had kunnen worden.

Er was ook nog onze zeer goede vriend Eugene Covington, die met een Australische getrouwd was, twee volwassen kinderen had en samen met zijn vrouw in een huisje in Portland, Oregon, woonde. We troffen elkaar jaren later op mijn door Corington georganiseerde tournée door de staten van de Westkust. Hij overleed aan een hartfalen, kort nadat we naar New York teruggekeerd waren. We vernamen dat zijn vrouw gestorven was aan een emfyseem dat ze tijdens de vele jaren van zware arbeid in ongezonde werkplaatsen opgelopen had. Covington bleef tot op zijn laatste ademtocht een geëngageerde, revolutionaire Wobbly.

We herinneren ons onze oude vriend Doc Sizemore, een ‘houthakker’ (scheepstimmerman), goed spreker en goede organisator. Zijn manuscript over alcoholisme maakte indruk op de artsen van het Bellevue Hospital. Omdat de MTW geen job control kende, was Sizemore bij de Sailors’ Union of the Pacific, bleef trouw aan zijn principes. Hij werd zonder scrupules door de politie van Los Angeles vermoord en op kosten van de vakbond begraven.

‘T-Bone Slim’ (Valentine Huhta), een begaafd auteur met een buitengewoon gevoel voor humor en een bijtend sarcasme, schreef regelmatig columns voor de Industrial Worker. Hij wees een goed bezoldigd aanbod af om columns voor Hearsts krantenimperium te schrijven. ‘T-Bone’, kapitein van een vrachtschip in de haven van New York, zat steeds stil in een hoekje van het MTW-lokaal. Hij sprak zeer weinig over zijn verleden maar ik weet dat hij van Finse afkomst was, een goede rebel en een succesvol organisator voor de MTW in de binnenzeehaven. Toen ik hem de laatste keer zag dronken we een paar glazen bier in een kroeg. Korte tijd later verdronk ‘T-Bone’ toen hij in de donkerte per ongeluk van een vrachtschip viel.

Net als andere organisaties leed ook de MTW aan een hoog aantal ziekelijke egomanen, gladde vogels en querulanten, die hun frustraties op hun vrienden, arbeidscollega’s, buren en zichzelf botvierden. Alcoholici, havenclochards en andere parasieten hingen rond in het lokaal of drentelden door de haven, op zoek naar ‘levenden’ – arbeiders die hun gage ontvangen hadden. Hun escapades stootten potentiële leden af en ontmoedigden de nieuwe.

Er werden ook lui lid van de MTW die nooit een blik op onze literatuur wierpen of die ons ‘International’ in plaats van ‘IndustrialWorkers of the World noemden. Ze ‘organiseerden’ zich enkel om sociale relaties met Wobbly-scheepskameraden aan te knopen om ‘erbij te horen’, en verdwenen dan weer. Het lidgeld en de weinige maandelijkse bijdragen die ze betaald hadden werden als giften bechouwd en waren als zodanig welkom.

Er waren gelukkig maar weinig kwartaaldrinkers die na de uitbetaling van hun gage niet, zoals gewoonlijk, in het lokaal kwamen en bijdroegen aan haar onderhoud, maar die zich een kamer in de nabijheid van de kroegen zochten en pas weer vertrokken nadat ze elke cent aan cognac uitgegeven hadden – en pas dan in het lokaal opdoken, nuchter en platzak, klaar voor de volgende reis. Tussen hun kroegentochten, als ze nuchter waren, waren ze ook gewetensvolle MTW-leden.

Als organisatie was de MTW dood. Toen Bob Willock naar New York vertrok, kon men hem in feite niet langer ‘lokale afdelingssecretaris’ noemen omdat de MTW niet meer bestond. Hij was in feite de huisbewaarder van een reeds niet meer bestaand New Yorks lokaal – dat spoedig zou verdwijnen. Het was zelfs geen sociaal centrum meer. De vakbonden van de zeelieden trokken naar Brooklyn, gevolgd door de weinig overgebleven leden en sympathisanten. Het lokaal stond praktisch leeg – een spookachtige herinnering aan de turbulente tijden van weleer. Bob slaagde er zelfs niet in een ad-hoc-comité van collega’s samen te brengen om het lokaal op te heffen en te beslissen wat er moest gebeuren met de uitstekende bibliotheek, de meubels en de bureeluitrusting, het archief, de kunstvolle schilderijen en scheepsmodellen en de andere mooie artefacten die men in de loop der jaren verzameld had. Bob zag zich verplicht alles in zijn eentje te doen. Uit wanhoop gaf hij alles gratis weg aan eenieder die iets hebben wilde.

Er was geen inkomen, geen geld, zelfs niet voor Bobs eten en onderkomen. Dankzij de tussenkomst van mijn oude en gewaardeerde vriend en collega Oscar Sokol (overleden) kreeg Willock in deze noodsituatie een deeltijdse job in een gebouw waarvan Oscar de huisbewaarder was. Korte tijd later verdween Bob, terneergeslagen en in slechte gezondheid. Recentelijk vernamen we dat hij zich op de Caraïbische Virgin Islands gevestigd heeft, waar hij hopelijk een zekere mate van tevredenheid gevonden heeft. We zullen ons steeds blijven herinneren aan Bob, de dappere rebel, die tot het bittere einde ‘stand gehouden’ heeft.

De ontbinding van de MTW valt terug te voeren tot ongelukkige omstandigheden die zich aan haar controle onttrokken. Ze had noch de financiële middelen noch de organisatorische kracht die de machtige AFL-CIO-zeeliedenvakbonden hadden. De nieuwe generatie zeelieden die alle voordelen genoten die de MTW en andere activisten van de scheepseigenaars afgedwongen hadden, bleven in de conservatieve vakbonden. Ze hadden niet het verlangen om lid te worden van een ‘subversieve’ vakbond zoals de MTW dat was. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren vele goede rebellen hun leven op zee. Velen van onze beste strijders leden aan ouderdomskwalen, trokken zich terug of stierven. Omdat de MTW geen job control kende, waren de leden verplicht zich aan te sluiten bij zee- of havenarbeidersvakbonden om een inkomen te vinden wanneer ze aan land bleven om een gezin te stichten. Desondanks doen de weinig overgebleven leden en voormalige leden net als voordien hun best om de boodschap van de IWW te verspreiden.

Newark

Het volgende bericht van 5 juni 1935 verhaalt hoe geëngageerde activisten de lokale IWW-afdeling van Newark, New Jersey, oprichtten en zegt meer over de geest van de IWW dan elke abstracte verhandeling:

‘De collega’s van Newark, New Jersey, vingen het jaar 1934 aan als kleine groep, zonder een ontmoetingsruimte, zonder financiële middelen en zonder enige vorm van lokale organisatie, maar met een duidelijk doel voor ogen en de wil om dit te bereiken. Het doel bestond erin de lokale arbeiders bewust te maken, te organiseren, het ledental op zijn minst tot tien leden te verhogen, een oorkonde en een eigen lokaal te verwerven.

Bij het einde van het jaar stellen we met genoegen vast dat we dit doel voor honderd procent bereikt hebben. We hebben een aanzienljk aantal arbeiders voor de organisatie gewonnen, we vragen deze week een oorkonde aan en ons nieuwe lokaal, waar we zeer trots op zijn – alles wordt door onze plaatselijke collegasa’s gerenoveerd en opnieuw geverfd –, zal vrijdagavond, 11 januari, geopend worden. We bevinden ons in een van de meest dichtbevolkte regio’s van het land met de minste organisatiegraad, en met bijkomende mogelijkheden dankzij een groeiend ledental en ons eigen lokaal staan we klaar voor een nóg ambitieuzer programma voor 1935.’

Het lokaal aan de Center Street 8 en dat aan de Market Street 394 bevonden zich in het stadscentrum van Newark, dicht bij de Hodson Tubes (de ondergrondse naar New York) en nabij het trein- en busstation. Op de goed georganiseerde en talrijk bijgewoonde wekelijkse discussieavonden spraken Wobbly-veteranen zoals Pio Monaldi, Jack Walsh, Justus Ebert en verschillende belangrijke vertegenwoordigers van andere organisaties alsook ongeorganiseerde individuen. Ik heb er dikwijls het woord gevoerd. Mijn lezingen interpreteerden de gebeurtenissen niet vanuit een marxistisch maar vanuit een anarchosyndicalistisch standpunt. Zo droegen bijvoorbeeld de vier lezingen van een cyclus de volgende benamingen: (1) De grondslagen van het socialisme van de Franse Revolutie tot 1848; (2) De twee hoofdstromingen van het moderne socialisme, autoritair en anti-autoritair: Marx en Bakoenin – 1848-1871; (3) Anarchisme, socialisme en revolutionair syndicalisme – 1871-1917; (4) De Russische Revolutie, de opkomst van het fascisme en het failliet van het marxistisch socialisme – 1917-1934.

In 1935 organiseerde de lokale afdeling van Newark een discussieavond, dat op de volgende manier aangekondigd werd: ‘Wie zal de arbeidersklasse bevrijden? “De IWW,” zegt Sam Weiner. “De Vierde Internationale,” zegt Hugo Oehler.’ (Om persoonlijke redenen droeg ik toen in de beweging de naam Weiner.) Noch ik noch Oehler hadden ons op het debat voorbereid. We hadden in St. Louis en in andere plaatsen in het Westen reeds minstens een half dozijn keer over het thema gediscussieerd en kenden de argumenten van de ander op ons duimpje. Oehler en ik bleven goed bevriend. We zijn elkaar op een geven moment ui het oog verloren. Later vernam ik dat Hugo zich van Trotsky en van diens Vierde Internationale afgewend had, ze waren volgens hem geen goede marxist-leninisten. Toen hij in Spanje verbleef leunde hij aan bij de POUM en de Amigos de Durruti. Naast de discussies en gezellige bijeenkomsten organiseerden de Wobblies in Military Park, in het centrum van Newark, publieke propagandameetings en demonstraties. De samenkomsten trokken dikwijls meer dan vijfduizend deelnemers aan, hetgeen voor een stad van de grootte van Newark een zeer groot publiek is.

Nog opmerkelijker was het feit dat de weinig glamoureuze maar onontbeerlijke taken – het ‘vuile werk’ – berustte op de schouders van slechts een handjevol geëngageerde vrijwilligers. Zij gelastten zich ermee het lokaal proper te houden en op tijd te openen, sprekers voor de discussieavonden te contacteren, vlugschriften te drukken en te verspreiden, de samenkomsten te leiden, geld voor de huur en andere kosten te verzamelen, de omvangrijke correspondentie te voeren, de boekhouding bij te houden, enz.

Zij vormden, zoals de realiteitsgetrouwe figuur van Jimmy Higgins in de gelijknamige roman van Upton Sinclair uit 1919, de ruggegraat, zij waren de stille helden van onze organisatie. Doc Clark, een voormalig arts of gevorderde student in de medicijnen, werd een jaar opgesloten omdat men hem er valselijk van beschuldigd had een illegale abortus uitgevoerd te hebben. Hij werd ingenieur bij de telefoonmaatschappij van Newark. Alhoewel hij veeleer een excentrieke figuur was, bekommerde hij zich toch, naast vele andere taken, op een competente en betrouwbare manier om de sprekers, hij contacteerde ze, maakte afspraken – hetgeen veel tijd vergde en veel schrijfwerk met zich meebracht.

De collega’s Ruggerio en Petricelli, beiden uitkeringstrekkers, bedreven intensief propaganda, organiseerden protestdemonstraties en oefenden met de eis voor een hogere uitkering druk uit op de bureaucraten van de sociale voorzieningen. Het doet me nog steeds pijn wanneer ik eraan herinnerd wordt hoe ik als gast bij Ruggerio een rijke maaltijd voorgeschoteld kreeg, terwijl zijn twee of drie kleine kinderen hongerig naar het appetijtelijke eten loerden. Hun vader vermaande hen: ‘Denk eraan. We moeten bezoekers altijd gastvrij ontvangen.’

‘Red Danton’ (ware naam Purcelli) was een Wobbly-veteraan, een zeer actief ledenwerver onder de landarbeiders in de omgeving van Wichita, Kansas. Ik herinner me dat hij ‘de rovers beroofde’. De harvest stiffs (siezoenarbeiders) reden in lege goederenwagons van de ene job naar de volgende en weer terug, en waren op die manier verplicht hun loon aan de ‘rovers’ af te staan. Deze ‘rovers’ waren meestal niet gewone criminelen maar leden van het spoorwegpersoneel, spoorwegpolitie of plaatselijke politieagenten. Red Danton beroofde de rovers en gaf de landarbeiders hun loon terug. Ook een valsspeler werd verplicht zijn onrechtmatig verdiende winst terug te betalen. In die tijd moesten de landarbeiders, wanneer ze met de trein onderweg waren, hun ‘pas’, het kleine rode IWW-lidmaatschapsboekje, tonen om te mogen meerijden. Zo niet, dan moesten ze uitstappen. Danton en de Wobblies van Wichita werden gearresteerd, onder valse beschuldigingen voor de rechtbank gesleept, in een gemanipuleerd proces veroordeeld en kwamen terecht in de gevangenis, net zoals de Wobblies in 1918 in Chicago.

Danton was bij de United Rubber Workers Union. Als stakingspost gaf hij tijdens een staking een afranseling aan een stakingsbreker die hem wilde aanvallen. Zijn vakbond deed vrijwel niets om hem te verdedigen of zijn gezin te steunen terwijl hij in de gevangenis zat. Samen met mijn vrouw Esther organiseerde ik een geldinzameling om zijn gezin te ondersteunen. Ik drong er bij het New Yorkse General Defence Committee van de IWW op aan voor Danton geld uit het fonds voor politieke gevangenen vrij te maken. Dantons IWW-verleden als vooraanstaand strijder van de zaak van de onderdrukten, waarvoor hij jarenlang in de gevangenis gezeten had, het feit dat hij aan reguliere stakingen deelgenomen had – derhalve een echt slachtoffer van de klassenstrijd was –, dat alles werd genegeerd. Tot hun eeuwige schande weigerden ze zijn gezin te helpen onder het armzalige voorwendsel dat Danton ‘geen klassenstrijdgevangene’ zou zijn. Danton en zijn vrouw zijn beiden reeds vele jaren dood. Maar tot op de dag van vandaag, een halve eeuw later, terwijl ik deze regels schrijf, ben ik nog steeds verontwaardigd over de markante overtreding van de meest elementaire regels van de solidariteit.

Alhoewel ik niet bij de interne aangelegenheden van de IWW betrokken was, hoorde ik met leedwezen over enkele ongelukkige voorvallen, ontwikkelingen, die uiteindelijk tot de ontbinding van de lokale afdeling geleid hebben. De goede relaties tussen de activisten verslechterden. Doc Clark en een ander lid van de groep, die samenwoonden, wisselden zelfs geen woord meer met elkaar. Wegens huiselijke spanningen trok Clark naar New York. Omdat er niemand anders meer was om lezingen te organiseren, weden de wekelijkse samenkomsten, waar de groep op aangewezen was, opgeheven. De vriendschap tussen de actieve collega’s Ruggiero en Petricelli liep eveneens op de klippen. Enkele religieuze katholieken stapten uit de IWW omdat ze, zoals reeds vermeld, aanstoot namen aan liederen zoals The Preacher and the Slave en Christians at War in het IWW-liedboek. Mensen die zich tijdelijk voor een sociaal project ingezet hadden trokken naar andere oorden en traden uit omdat er niet meer genoeg Wobblies waren om hun interesse in stand te houden. Omdat er nu niemand meer was om de fundamentele verschillen tussen de IWW en de CIO uit te leggen, meenden potentiële leden dat de CIO naast aanzienlijk betere voorwaarden ook het principe van het revolutionair syndicalisme vertegenwoordigde.

Naar een heropleving?

Door het onvermogen van de IWW in de industrie voet aan de grond te krijgen of de bedrijven te behouden die we in de jaren 1930 georganiseerd hadden toen de organisatiebereidheid het hoogst was, legde ik samen met enkele andere collega’s in 1974 of 1975 aan de leden (door mij uitgewerkte) constructieve voorstellen ter discussie voor.

De IWW kan onmogelijk met de rijke, machtige, stevig verankerde, conservatieve en prokapitalistische AFL-CIO-vakbonden naar de gunst van de arbeiders dingen. Mensen die oorspronkelijk in de IWW geschoold en voor de organisatiecampagnes zo dringend nodig waren, liepen over naar de AFL-CIO, waar ze beter betaald werden en vast werk kregen. Vele CIO-organisators pochten ermee voormalige Wobbly-organisators geweest te zijn.

Revolutionaire vakbonden zouden de conservatieve arbeiders, die enkel interesse hebben voor wat het kan opbrengen, niet dezelfde voordelen bieden dan een ‘enstige’, ‘respectabele’ vakbond: een stakingskas, lijfrente, pensioen, ziekte- en levensverzekering, vakantiegeld, personeel voor de sociale programma’s, een juridische afdeling om verdragen op te stellen en de vakbond voor de rechtbank te vertegenwoordigen, voldoende geld om deze en vele andere diensten te betalen. Ze kunnen niet concurreren met een ‘verantwoordingsvolle’ vakbond die op het respect van de ondernemers kan rekenen, die gemachtigd is verdragen met hen af te sluiten, en die daarenboven het respect van de regering geniet.

Het zou duidelijk moeten zijn dat de arbeiders die de IWW in eerste instantie bereiken, onbewust rebellen zijn die door middel van directe actie zelf stakingen uitroepen en beëindigen, zonder inmenging van buitenaf, door wie ook, en die door hoge vakbondsfunctionarissen sluw uitgewerkte, gecompliceerde verdragen afwijzen, arbeidsvijandige wetten omzeilen en tegen regeringsmaatregelen in verzet komen.


Zulke eisen en tactieken beantwoorden eigenlijk aan die welke de IWW sedert haar oprichting in 1905 propageert. De rebellen van vandaag staan open voor onze boodschap omdat ze betrekking heeft op hun eigen ervaring en omdat de IWW zelf een rebelse basisbeweging is. Wanneer de IWW het kapitalistisch business unionism effectief willen bestrijden, dan moeten ze er alles aan doen deze rebellen te bereiken.

Ongeacht de zich veranderende omstandigheden – vooral de toenemende zwakheid van de vakbonden tegenover het reusachtig tegenoffensief van het internationaal kapitalisme met als doel de arbeiders te beroven van de verworvenheden die ze in een heldhaftige klassenstrijd van de kapitalisten afgedwongen hebben – zijn onze revolutionaire overtuigingen veel meer eigentijds dan ooit. Het komt eropaan verder de internationale solidariteit van de arbeiders te proclameren en het ‘vuur van de ontevredenheid’ te blijven aanwakkeren met Solidarity Forever, de inspirerende slogan van de IWW.


Uit: Sam Dolgoff, ‘Fragments. A Memoir’, Cambridge: Refract Publications, 1986. Vertaling en bewerking: Johny Lenaerts.